Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

IV. Tot aangename ontspanning en nuttig onderhoud

1. Tijdschriften, jaarboekjes

Over oude Indische tijdschriften, jaarboekjes en almanakken waarin zich het litteraire leven uit die tijd weerspiegelt, schreef Du Perron een artikel dat opgenomen is in de na zijn dood uitgegeven bundel Indies memorandum (1946). Het werd onder de gewijzigde titel ‘Oude Indische tijdschriften’ herdrukt in het Verzameld werk, deel vii, blz. 82. - Over de oprichting van de Java-Bode en de tegenwerking die de uitgever hierbij van regeringswege ondervond, kan men het gedenkboek Honderd jaar Java Bode 1852-1952 raadplegen. - Wat de beide oprichters betreft, over Tollens schreef S. Kalff in De Indische Gids, 1920, deel i, blz. 321. Zie verder Du Perron, Verzameld werk, deel vii, blz. 290. Behalve dat dit artikel leesbaarder is dan dat van Kalff, bevat het verschillende nieuwe gegevens die Du Perron van de familie kreeg.

2. Tollens en Ritter

De Indische verzen van L.J.A. Tollens werden gebundeld in Gedichten (1855) en Dicht- en letterkundige verpoozingen (1861). Beide bundels zijn te Batavia gedrukt en uitgegeven door dezelfde uitgever als die van de Java-Bode. - Over W.L. Ritter is weinig geschreven. Er staan enkele summiere gegevens in het Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, deel x, kolom 818. Prof. P.J. Veth noemt hem in Borneo's

[p. 598]

Wester-Afdeeling als een schrijver die ‘zulk een eervolle naam heeft verworven.’ Du Perron schreef nog het uitvoerigst over Ritter in het Verzameld werk, deel vii, blz. 263. Ook een groot deel van hetgeen Ritter in verschillende tijdschriften schreef, is gebundeld in Indische herinneringen, aanteekeningen en tafereelen (1843), Nieuwe Indische verhalen, in twee delen (1845) en Nacht en morgen uit het Indische leven, in twee delen (1861). - Over Ritter en Tollens als redacteuren van de Java-Bode kan men in het reeds eerder genoemde gedenkboek Honderd jaar Java Bode 1852-1952 lezen, in het bijzonder blz. 11-29, samengesteld door H.F. Joël. Over hun optreden als ‘beschermers der kunst’ zie men hetzelfde gedenkboek, blz. 28. - Over ‘Het Westersche kunstleven in Indië’ (ook over de jaren veertig en vijftig van de negentiende eeuw) verscheen een reeks feuilletons in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 11, 15, 16 oktober en 3 november 1937, geschreven door v.E. (?). Men leze ook de hoofdstukken ‘Levenswijze, zeden en gewoonten te Batavia in onze dagen’ en ‘Wetenschappelijke instellingen te Batavia’ in het reeds eerder genoemde boek van de officier A.P.W. Weitzel, Batavia in 1858 of schetsen en beelden uit de hoofdstad van Neêrlandsch Indië (1860). - Isidore van Kinsbergen was een schilderachtige figuur, wiens portret de echte artiest laat zien, met wapperende haren en een Napoleon iii-sikje. In het Bataviaasch Nieuwsblad van 30 augustus 1901 kan men uitvoeriger over hem lezen in een artikel van Hans van de Wall (volgens de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië door Van Kinsbergen zelf geïnspireerd) en nog eens H. van de Wall in het weekblad Het Indische leven, 1921/1922, blz. 670. Van Kinsbergen die in 1821 geboren werd (zijn vader was een Amsterdamse muziekleraar; zijn moeder was een Française) stierf eerst in 1905 te Batavia na een verblijf van ruim vijftig jaar in Indië. Men heeft een (zij-)straat naar hem genoemd.

3. ‘Een tint van het Indische Oosten’

Over ds. S.A. Buddingh zie Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, met bibliografie, 1870. Verder E. du Perron, Verzameld werk, deel vii (men raadplege het Register). - Over ds. J.F.G. Brumund schreef prof. P.J. Veth in zijn bundel Ontdekkers en onderzoekers, 1884, blz. 150. Zie ook weer Du Perron, Verzameld werk,

[p. 599]

deel vii, blz. 296. - In de dissertatie van A. Hendriks over Willem Hofdijk (1928) staat niets over Hofdijks Indische gedichten. Deze werden eerst na 1880 geschreven en Hendriks gaat niet verder dan 1858. Ook de andere biografische bijdragen besteden nauwelijks aandacht aan de Indische periode. De meeste informatie geeft nog Jan ten Brink in zijn driedelige Geschiedenis der Noord-Nederlandsche letteren in de xixe eeuw, 1889, deel ii, blz. 215. Prof. Brom toont weinig waardering voor Hofdijk en bijzonder weinig voor de drie dichterlijke vertellingen uit Java (vergelijk Java in onze kunst, blz. 111 en Romantiek en katholicisme, deel i, blz. 147). Eén van de stellingen uit het proefschrift van Hendriks luidt overigens: ‘Gerard Brom [...] blijkt Hofdijks dichtwerk slechts oppervlakkig te kennen.’ - Over S. van Deventer JSzn, die in 1891 stierf, verscheen in hetzelfde jaar een levensbericht in de Levensberichten, blz. 287, van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Verder zie men het Verzameld werk van Du Perron, deel vii, blz. 268, maar ook een artikel in het Koloniaal Tijdschrift, 1923, blz. 517 van S. Kalff dat vele biografische gegevens bevat die Du Perron niet gekend schijnt te hebben. - Voor al de hier genoemde dichters (A.J. Bik c.s.) en nog enkele andere had Du Perron een plaats ingeruimd in het tweede deel van zijn (nooit verschenen) Van Kraspoekol tot Saïdjah. - Voor gegevens over J. van Soest kan men Du Perron lezen in het Verzameld werk, deel vii, blz. 274 en een artikel van A.M. van Gelder-Lubberhuizen, ‘Johannes van Soest, een Indische kinderdichter’ in Cultureel Indië, 5de jaargang, 1943, blz. 88.