Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

V. Eduard Douwes Dekker

Multatuli's Volledige werken onder redactie van prof. dr. G. Stuiveling zijn bij de uitgever G.A. van Oorschot verschenen in zeven dundrukdelen, deel i-vii (1950-1953). Ze waren uitverkocht, maar zijn in 1976 weer herdrukt. Van de Brieven en Documenten verschenen vier delen (1954, 1956, 1960 en 1977). Er zullen nog een of twee delen moeten volgen. Van de Max Havelaar bestaan behalve die in de Volledige werken, ook verschillende afzonderlijke uitgaven, waaronder een pocketeditie van de uitgever Donker. De tekst van deze uitgave gaat terug op de door Multatuli zelf verzorgde druk van 1875 die hij ook van

[p. 600]

vele aantekeningen voorzag. Prof. Stuiveling bezorgde in 1949 een uitgave naar het oorspronkelijke handschrift, de zogenaamde nulde druk, in 1960 herdrukt in de Witte Olifant-reeks. Een nieuwe, afzonderlijke uitgave van de Minnebrieven verscheen in de Stoa-reeks (1966). - Om een overzicht te krijgen van hetgeen van en over Multatuli gepubliceerd is, kan men de uitvoerige bibliografie van A.J. de Mare raadplegen (1948) die echter nog niet volledig is. De Multatuli-litteratuur is zó groot, dat daarom juist een keuze moeilijk is. - In het gedenkjaar 1920 (Douwes Dekker werd in 1820 geboren) verschenen twee biografieën: een beknopte en nog altijd zeer leesbare van J. van den Bergh van Eysinga-Elias, getiteld Multatuli en een uitgebreider in twee delen van J. de Gruyter, Het leven en de werken van Eduard Douwes Dekker. In een ander herdenkingsjaar (1937) verscheen van J. Saks (pseudoniem voor P. Wiedijk), Eduard Douwes Dekker, zijn jeugd en Indische jaren, een bundeling van een aantal opstellen die tussen twee herdenkingsjaren (1920-1937) in het tijdschrift Groot Nederland verschenen waren. Het werk van Saks kon geen genade vinden in de ogen van Du Perron die juist zijn boek De man van Lebak voltooid had toen de laatste hoofdstukken van Saks in Groot Nederland verschenen. Hij vond het werk van Saks ‘het boerenbedrog van de zogenaamd objectieve, hartstochtloze, enkel-maar-historische stijl.’ Ten onrechte. Het boek van Saks is nogal compact geschreven, maar zeker niet in een ‘objectieve enkel-maar-historische stijl.’ Saks is juist vaak scherp, polemisch en subjectief, zij het dat hij tot andere conclusies komt dan Du Perron, omdat zijn uitgangspunt een ander is. Het stijlverschil tussen Saks en Du Perron is evident als symptoom van hun geheel andere verhouding tot de figuur van Douwes Dekker. Het is duidelijk dat Du Perron meer dan Saks het temperament van Douwes Dekker bezat en hem daardoor ook beter begreep. Of hij hiermee Dekkers tegenstanders in het Lebakse conflict wel voldoende recht heeft gedaan, is een andere vraag. In ieder geval is De man van Lebak (eerste druk 1937; postuum uitgegeven herziene tweede druk 1949; herdrukt in het Verzameld werk van Du Perron, deel iv, 1956) met veel begrip voor de figuur van Multatuli geschreven, misschien juist omdat ze op een herkenning berustte, niet alleen van eenzelfde temperament, maar ook van eenzelfde conflictsituatie met de maatschappij. Laat men deze identificatie terzijde en beschouwt men de zaak van Lebak nu eens niet

[p. 601]

vanuit de gebruikelijk neerlando-centrische, maar vanuit een indonesië-centrische visie op de geschiedenis (zoals ook Du Perrons vriend J.C. van Leur heeft gedaan), dan komt men tot een andere beoordeling van het conflict in Lebak. Als men de werking van Dekkers bestuursdaden in verband brengt met de patrimoniale structuur van de samenleving in Bantam - het gebied dat Dekker te besturen kreeg - dan voert dit tot de conclusie dat Dekker, gevangen door een typisch westerse denkwijze en door zijn romantisch temperament geleid, ernstige beleidsfouten heeft gemaakt. De consequentie van deze beschouwingswijze is door R. Nieuwenhuys uitgewerkt in een artikel dat voor het eerst in Tirade verscheen. Het werd opgenomen in de bundel Tussen twee vaderlanden (1959), daarna herzien en uitgebreid voor een reeks artikelen in de Haagse Post van 22 en 29 maart en 5 april 1975, met een nabrander in het nummer van 14 juni 1975. Deze artikelen zijn in het Indonesisch vertaal onder de titel Hikayat Lebak (1977). Nieuwenhuys richt zich - en hiermee neemt hij de draad van Van Leur weer op - tegen een eenzijdig westerse visie op de gebeurtenissen van Lebak die een mythe is geworden door het ontbreken van voldoende historische kennis betreffende de Javaanse samenleving. Naar aanleiding van het eerste artikel van Nieuwenhuys ontstond - overigens eerst drie jaar na de verschijning in tijdschriftvorm - een polemiek die geopend werd door P. Spigt, medewerker aan de uitgave van Multatuli's volledige werken, met ‘Lothario zal toch hangen’, De Nieuwe Stem, 1960, blz. 392, gevolgd door prof. W.F. Wertheim met ‘Havelaars tekort’, De Nieuwe Stem, 1960, blz. 362; later opgenomen in de bundel W.F. Wertheim en A.H. Wertheim-Gijse Weenink, Ketters en kwezels Regenten en rebellen (1968). Op beide artikelen werd door R. Nieuwenhuys geantwoord: ‘Multatuli heeft altijd gelijk’, De Nieuwe Stem, 1960, blz. 605. Een dupliek volgde van P. Spigt ‘De tragiek van een zeker soort fatsoen’, De Nieuwe Stem, 1961, blz. 13. De polemiek met prof. Wertheim werd later voortgezet in de Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde. Eerst door prof. Wertheim in het tweede deel van een artikel ‘De geest van het Gouvernement, honderd jaar geleden’, vooral blz. 449 e.v. in de jaargang van 1961. Dit artikel verscheen ook als deel 5 van de Geschriften van het Multatuli-genootschap (1962). Het antwoord hierop van R. Nieuwenhuys staat in dezelfde Bijdragen, jaargang 1962, blz. 271, getiteld ‘Tot de hoofdzaak

[p. 602]

van Lebak, een antwoord aan Prof. Wertheim’. Deze dupliceerde met ‘De perkara's van 100 jaar geleden’, in de Bijdragen van 1963, blz. 412. Als een soort aanvulling op het artikel ‘De zaak van Lebak’ van R. Nieuwenhuys, is te beschouwen: ‘Rouffaer en Multatuli’, Bijdragen, 1960, blz. 408. In de tweede druk van Tussen twee vaderlanden is ‘De zaak van Lebak’ in herziene en uitgebreide vorm opgenomen waarbij niet alleen rekening is gehouden met de in de polemiek naar voren gekomen punten, maar ook met hetgeen een aanvullend archiefonderzoek opleverde. Ook het bovengenoemd artikel ‘Rouffaer en Multatuli’ is in bijgewerkte vorm in deze bundel opgenomen. In 1970 verscheen een bundel artikelen over Multatuli die verschillende belangrijke bijdragen bevat, waaronder een van prof. Wertheim over ‘Multatuli's Insulinde’ waarin hij een analyse geeft van de Indonesische (Bantamse) maatschappij-structuur. Zonder conclusies te trekken omtrent de ‘zaak van Lebak’, brengt hij allerlei punten naar voren die de zienswijze van R. Nieuwenhuys ondersteunen. - Over de Max Havelaar kan men behalve in het juni/juli-nummer 1960 van De Nieuwe Stem ook de in 1962 verschenen bundel Essays over Multatuli lezen, waarvan de meeste over de Havelaar gaan. In het tijdschrift Merlijn verscheen in de eerste jaargang 1962/1963, blz. 20, een bijdrage van J.J. Oversteegen, ‘De organisatie van de Max Havelaar’ die gedeeltelijk achterhaald is door de bredere studie van A.L. Sötemann, De structuur van Max Havelaar (1966), een voorbeeld van moderne structuur-analyse bij de studie der letterkunde. De Havelaar is ook in België onderwerp van studie geweest. In 1970 verscheen van Marcel Janssens, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit te Leuven, een beschouwing over Max Havelaar; de held van Lebak. - In 1976 verscheen van de befaamde litterator en polemist Willem Frederik Hermans De raadselachtige Multatuli dat reeds door de fraaie wijze van uitgeven en het overvloedig fotomateriaal een kostbaar bezit is. Het is, zoals van hem te verwachten was, een boeiend geschreven werk geworden, soms kritisch, soms onkritisch, geschreven op een toon die geen tegenspraak duldt. En toch staat er heel wat in wat voor tegenspraak vatbaar is. Afgezien van slordigheden, onnauwkeurigheden en al te vrijmoedige interpretaties, blijkt ook Hermans geen enkel begrip en geen enkel gevoel te hebben voor denkwijzen en maatschappelijke structuren zodra ze even buiten zijn westerse horizon liggen.