Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 603]

VI. Vier ‘excentrieken’

1. S.E.W. Roorda van Eysinga

Het werk van Sicco Roorda van Eysinga, bestaande uit talrijke brochures en tijdschriftartikelen, is moeilijk bereikbaar en nauwelijks verkrijgbaar. Een aantal bijdragen die hij in Recht voor Allen schreef, met inbegrip van Koning Gorilla, kan men vinden in Hop, hop, hop, hangt de socialisten op; een documentaire over het opkomende socialisme in de jaren tachtig, ontleend aan Recht voor Allen, samengesteld door Leonard de Vries (1967.) - In de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië zoekt men tevergeefs naar S.E.W. Roorda van Eysinga. Wel vindt men zijn naam in het Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, deel vi, kolom 1205. Achterin de posthume uitgave van Roorda's Verzamelde stukken (1889) staat een beknopte levensbeschrijving geschreven door zijn vriend Domela Nieuwenhuis. Onder het pseudoniem Papageno schreef S. Kalff een drietal artikelen over Roorda, ‘Een revolutionnair in Indië’, in de Java-Bode van 1, 8 en 15 juli 1905 en veel later en veel beknopter in De Indische verlofganger van 31 juli 1925, blz. 482/483. In De Beweging van 1908, blz. 360, schreef mr. P. Brooshooft (oud-redacteur van De Locomotief) een opstel getiteld ‘Middelpunt-vliedende mannen’, waarin hij vrij uitvoerig over Roorda schrijft, in het bijzonder over de ‘Vloekzang’ en over de reden van Roorda's verbanning. Brooshooft komt hierin reeds tot dezelfde conclusie als de latere schrijvers over Roorda. Het artikel van S.A. Reitsma, ‘De dichter van Sentot's vloekzang’ in het Haagsch Maandblad, 1941, deel i, blz. 204 en blz. 290 geeft veel meer dan de titel doet vermoeden. Een recenter en samenvattend artikel is dat van Paul van 't Veer, ‘Een stelsel bestormd’, in de bundel Geen blad voor de mond (1958). Belangrijk, ook om de nieuwe gegevens die uit de archieven tevoorschijn zijn gekomen, zijn de artikelen van prof. W.F. Wertheim, ‘Doopceel van de dichter van de Vloekzang’, in de Bijdragen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, 1960, deel 116, blz. 437; ook opgenomen in de bundel Ketters en kwezels Regenten en rebellen (1968) en het artikel ‘De geest van het Oostindisch gouvernement, honderd jaar geleden’, in de Bijdragen van 1961, deel 117 (in het bijzonder over Roorda, blz. 436-456). Dit laatste artikel uit de Bijdragen van 1961

[p. 604]

verscheen ook als deel v in de reeks Geschriften van het Multatuli-Genootschap (1962) en nog eens in Ketters en kwezels Regenten en rebellen (1968). Hiernaast leze men de ‘documentaire studie’ van Henri A. Ett, ‘De vloekzang van Sentot’ in De Nieuwe Stem, 1960, blz. 760, waarin Ett aan de hand van de officiële stukken bevestigt dat ‘De vloekzang’ weliswaar een onderwerp van onderzoek is geweest, maar niet de aanleiding was tot de verbanning van Roorda. - Belangrijk voor de kennis van Roorda van Eysinga is de Briefwisseling tussen Multatuli en S.E.W. Roorda van Eysinga (1907) uitgegeven door M. Douwes Dekker, geb. Hamminck Schepel en de brieven die Roorda en Domela Nieuwenhuis met elkaar wisselden; niet in druk verschenen, maar wel aanwezig op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam.

2. H.N. van der Tuuk

Het artikel over Van der Tuuk in de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, deel iv, blz. 456, bevat verschillende biografische gegevens, maar legt de nadruk op zijn werkzaamheden als taalgeleerde. Op amusante wijze schreef W.A. Braasem over Van der Tuuk in het te Djakarta verschijnende maandblad Oriëntatie, oktober 1949, blz. 24. Uitvoeriger is het artikel van R. Nieuwenhuys in de bundel Tussen twee vaderlanden, Stoa-reeks, 2de druk, 1967, blz. 101. In 1962 verscheen eveneens in de Stoa-reeks: H.N. van der Tuuk, De pen in gal gedoopt, bevattende teksten van en over Van der Tuuk, waaronder een groot aantal brieven en brieffragmenten, samengesteld en van toelichtingen voorzien door R. Nieuwenhuys. De citaten uit Van der Tuuks brieven zijn aan deze uitgave ontleend. - ‘Misschien heeft deze brief wat gal uit de inkt opgetrokken’, schreef Van der Tuuk in 1850 letterlijk aan het Bijbelgenootschap. Hij gebruikt hier het woord ‘gal’ in dubbele betekenis; vroeger werd de kleurstof voor inkt uit galnoten getrokken.

3. A.M. Courier dit Dubekart

Bij zijn dood verscheen in het Soerabaiasch Handelsblad een korte levensloop die door De Locomotief werd overgenomen in het bijvoegsel van 28 november 1885 onder de rubriek ‘Nederlandsch-Indië’. Het uit-

[p. 605]

voerigst schreef over hem Papageno (S. Kalff) in de Java-Bode van 4, 7, 11, 14, 18, 21, 25, 28 november en 2 december 1891 onder de titel ‘Multatuli en Bratayoeda’. Hij was niet de eerste en zou ook niet de laatste zijn die een vergelijking met Multatuli trok. In de Soerabaia-Courant van 11 augustus 1869, nr. 186 in de rubriek ‘Sumatra-Brieven’ werd reeds eerder een parallel getrokken. Veel later schreef Albert Verwey in De Beweging van 1919, deel i, blz. 233, over Courier dit Dubekart onder de titel ‘Een jongere tijdgenoot van Multatuli’. Wat Multatuli zelf over Feiten van Bratayoeda schreef, vindt men in de vierde bundel van de Ideeën (zie Volledige werken, deel vi, blz. 313).

4. Alexander Cohen

Ook met Alexander Cohen heeft de litterair-historie kennelijk moeite gehad. Hoorde hij er wel bij? moet men zich hebben afgevraagd. Was hij niet veel meer journalist of pamflettist dan letterkundige? In onvruchtbare overwegingen als deze moet overigens de verklaring gezocht worden voor de betrekkelijke onbekendheid van Cohen. Zijn boeken zijn bij hun verschijning bijna overal besproken en het is niet waar dat men toen aan de kwaliteiten van zijn werk is voorbijgegaan, integendeel. Het is daar alleen bij gebleven. Erkend als schrijver is hij niet. Ter Braak vestigde de aandacht op Cohen bij de verschijning van Van anarchist tot monarchist in een artikel in Het Vaderland, later opgenomen in zijn Verzameld werk, deel vi, blz. 357 onder de titel ‘De non-conformist’. Eerst door dit artikel leerden velen de naam van Alexander Cohen kennen. In 1950 schreef Jacques Gans met veel sympathie over Cohen in zijn tijdschrift Het Pamflet, jaargang i, nr. 8/9, in het nummer van 17 maart. Na '50 zijn nog verschillende artikelen over Cohen verschenen zoals dat van H.A. Gomperts onder de titel ‘Memorialisten; Alexander Cohen’, opgenomen in De geheime tuin, 1963, blz. 145 en dat van Kees Fens, ‘Cohen’, in Loodlijnen, 1967, blz. 7. - In 1959 verscheen een bloemlezing uit het werk van Cohen in de Meulenhoff-pockets, samengesteld en ingeleid door Max Nord. Dit boekje heeft de stoot gegeven tot een herdruk van Cohens autobiografie in de Stoa-reeks: In opstand (1960) en Van anarchist tot monarchist (1961). De bundel met beschouwingen, Uitingen van een reactionnair (1929), met een ongetekende, van zijn ‘vriend en tegenvoeter’

[p. 606]

Henri Wiessing afkomstige inleiding, is helaas nooit herdrukt. Cohen had van 1897 tot 1898 nog een eigen tijdschrift De Paradox waarvan twintig nummers verschenen. Hij heeft later nog in het blad Mandril geschreven dat van oktober 1948 tot mei 1952 uitkwam. - Het Nederlands Letterkundig Museum bezit een aantal brieven van Heijermans en Wiessing aan Cohen; verder twee plakboeken met recensies die door Cohen hier en daar van aantekeningen in de marge zijn voorzien. Een uitgave van de brieven van Cohen is in voorbereiding. Het blijken er talrijke te zijn die te zijner tijd in de verzameling van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum zullen worden opgenomen.