Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

VII. Conrad Busken Huet

Er zijn drie monografieën over Huet geschreven: een door J.B. Meerkerk die van weinig waarde is (1911), een door G. Colmjon (1944) die nog het meeste over de Indische jaren geeft, en een door C.G.N. de Vooys (1949) die de volledigste is. Om de gecompliceerde persoonlijkheid van Huet te leren begrijpen zijn nog altijd onontbeerlijk: de ‘Persoonlijke herinneringen’ van H.G.P. Quack in De Gids van 1886, deel ii, blz. 397 en het Gids-artikel van 1880, deel i, blz. 409, ‘Een schrijversleven’ door C. Hasselaar, een pseudoniem waarachter zich Huets vrouw Anne van der Tholl trachtte te verbergen. Voor andere litteratuur over Huet - en dat is vrij veel - raadplege men de verschillende geschiedenissen der Nederlandse letterkunde. - Huet leert men goed uit zijn correspondentie kennen (vaak is hij in zijn brieven op z'n best): Brieven aan E.J. Potgieter, uitgegeven door Albert Verwey, drie delen, 1925. Voor de Indische jaren zijn de beide laatste delen van grote betekenis. Tegenover de brieven van Huet aan Potgieter, moet men die van Potgieter aan Huet stellen: Brieven aan Cd Busken Huet, drie delen, 1901-1902. Verder: Brieven van Cd Busken Huet, uitgegeven door zijn vrouw en zoon, twee delen, 1890 en ‘Brieven van Huet aan Van Vloten,’ uitgegeven door Albert Verwey in de xxe Eeuw, 1902, deel iii, blz. 1 en 152. Huet leert men indirect ook kennen ‘Uit de brieven van Mevrouw Bosboom-Toussaint aan Busken Huet’, gepubliceerd in De Gids, 1905, deel i, blz. 417; deel ii, blz. 226 en deel iii, blz. 1. In de

[p. 607]

Brieven van A.L.G. Bosboom-Toussaint aan E.J. Potgieter (1913) komt de wederzijdse vriend meer dan eens ter sprake. Van betekenis, vooral voor de achtergrond van de Indische periode, zijn ook de ‘Brieven van Mevr. Anne Busken Huet aan Mejuffrouw Sophie Potgieter,’ uitgegeven door dr. J. Berg in De Nieuwe Gids van 1926, deel ii, blz. 207, 263, 454, 525, 617 en in De Nieuwe Gids van 1927, deel i, blz. 71. De uitgave is echter niet volledig. - Huets in Indië geschreven artikelen zijn voor een deel opgenomen in de Litterarische fantasien en kritieken (25 delen met register en later verschenen Nalezing, waar de ‘Indische brieven’ in staan). Een aantal politieke artikelen van Huet werd gebundeld onder de titel Nationale Vertoogen, twee delen, 1876.

1. Het ‘geval-Hasselman’

Het ‘geval-Hasselman’ is uitvoerig onderzocht door G.P.A. Termors-huizen. De resultaten zijn neergelegd in een doctoraal-scriptie Cd Busken Huet; Het ‘geval-Hasselman’ (1966/1967). In sterk bekorte vorm ver scheen deze studie in De Gids van 1969, blz. 139 onder de titel ‘Busken Huet en het “geval-Hasselman” na honderd jaar’. De litteratuurlijst uit de scriptie ontbreekt hierin echter. Daarvoor zal men het typoscript moeten raadplegen waarvan het Instituut voor Neerlandistiek te Amsterdam een exemplaar bezit.

2. Acht Indische jaren

De beste bron voor de acht Indische jaren zijn nog altijd de brieven-uitgaven die hierboven genoemd zijn, in het bijzonder de brieven van Huet aan Potgieter en die van mevrouw Huet aan Sophie Potgieter. In het Koloniaal Weekblad van 1923, in de nummers van 8 februari en 8 maart staat een artikel over ‘Busken Huet op Java’ van S. Kalff, die toen nog geen gebruik kon maken van de brieven van Huet aan Potgieter. Over De Indische jaren van Huet schreef J.W. de Vries een doctoraal-scriptie (1968) die zich in hoofdzaak beperkt tot de journalistieke arbeid van Huet uit de jaren 1868 tot 1876. De Vries is overigens de eerste geweest die de Indische dagbladen systematisch heeft doorgewerkt. Uit de opsomming van diens artikelen in de Indische kranten, blijkt Huets grote produktiviteit in Indië. Een exemplaar van de scrip-

[p. 608]

tie is in typoscript aanwezig op het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde.