Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

IX. Romantiek in Sarung Kabaja

1. Het damescompartiment

Voor een bibliografie van het werk van deze damesschrijfsters raadplege men - met het nodige voorbehoud - de Catalogus van boeken door Nederlandsche vrouwen geschreven en sedert 1850 uitgegeven, met verklarende lijst van pseudoniemen, uitgave van de Nationale tentoonstelling van vrouwenarbeid (1898).

[p. 612]

2. M.C. Frank

Behalve enkele recensies van haar boeken is vrijwel niets over haar geschreven. Huets bespreking van Hoe zij oude vrijster werd staat in de Litterarische fantasien en kritieken, deel xi, blz. 119 e.v. - Op het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te Den Haag bevinden zich enige brieven van mevrouw Frank aan de kinderdichter en tijdschriftredacteur J.J.A. Gouverneur. Over het leed van de scheiding, de ontrouw van de man en het leven daarna, schreef mevrouw Frank een novelle getiteld ‘Scheiden’ in de bundel Souvenirs van Jakob Stilleven (1881), die onmiskenbaar autobiografische elementen bevat.

3. Mina Krüseman

Dat een zo luidruchtige vrouw als Mina Krüseman in haar tijd talrijke pennen en tongen in beweging bracht, spreekt vanzelf. Potgieter, Busken Huet, Van Vloten, Ten Brink, Multatuli en vele anderen schreven aan en over haar. Dat ze meer boze dan zoete woorden te horen kreeg spreekt vanzelf. Ze wekte nu eenmaal weerstanden op. Men ergerde zich vooral aan haar openbaar optreden, meer soms nog dan aan haar boeken. G. Valette in De Indische Gids van 1880, blz. 150 e.v. is een van de weinigen die haar op zuiver litteraire gronden veroordeelt. Het vonnis van Huet over Een huwelijk in Indië en De echtscheiding staat in de Litterarische fantasien en kritieken, deel xvi, blz. 57 e.v. en in de Nederlandsche Kunstbode, 1874, blz. 36/37. Nog voor haar dood - ze leek vergeten te zijn - werd weer de aandacht gevestigd op deze explosieve feministe, ‘die heel wat stof en rommel uit het duf geworden Indisch en Hollands binnenhuis weggehaald heeft’. Jo van Ammers-Küller schreef in 1920 een boekje over haar en noemde het Een pionierster (1921). Het legt de nadruk op Mina Krüseman als feministe en behandelt haar verhouding tot Multatuli. Na haar overlijden - men had haar in 1896 al dood gewaand - verschenen verschillende herdenkingsartikelen waarvan de meeste weinig zeggend zijn. In de bekende bundel Sprekende portretten (1924) van mevrouw W. van Itallie-van Embden staat een vrij uitvoerig interview met ‘Mina Krüseman’. In de serie De Engelbewaarder verscheen in 1978 een boek met vele teksten van en over Mina Kruseman, samengesteld door Margot de

[p. 613]

Waal. Een goed herdenkingsartikel van F(rits) L(apidoth) staat in Het Vaderland van 13 augustus 1922. Over de repetities en de eerste opvoering en over de belediging die Multatuli Mina Krüseman toevoegde, kan men de herinneringen lezen van Dirk Haspels in Elseviers geïllustreerd Maandschrift, deel 39, 1910, blz. 328. Voor het overige kan verwezen worden naar een bibliografie (1941) samengesteld door H.W. die in handschrift aanwezig is op de Koninklijke Bibliotheek. Een fotokopie kan men raadplegen op het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. Meer dan uit alle artikelen over haar leert men Mina Krüseman kennen uit haar autobiografie in brieven Mijn leven in 3 delen (1877). Voor een nadere kennismaking en een beter inzicht in de zeer gecompliceerde figuur die Mina Krüseman is, blijkt deze brievenuitgave onontbeerlijk. Een vijftal brieven van Mina Krüseman, vanuit Boulogne-sur-Seine geschreven aan mevrouw S. de Senerpont Domis-Cornelius te Solo, werd door G.H. von Faber gepubliceerd in een curieus en zeldzaam boekje Dingen die niet kloppen; fictie en historie uit het oude Indië, 1955, blz. 101, een uitgave van het Nieuw Soerabaiasch Handelsblad. De inleiding van Von Faber geeft gegevens over Mina's Indische jaren, vooral op Surabaja. Op het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum vindt men nog enige losse brieven aan H.P.L. Wiessing en Jeanne Reyneke van Stuwe.

4. Annie Foore

Over Annie Foore is veel minder geschreven dan men zou verwachten. Aan de recensies over haar boeken heeft men over het algemeen weinig, al zijn er een paar vermakelijke bij zoals die van een anonymus in De Indische Mail van 1887 (deel ii, blz. 895) en van P.A. Daum in het Bataviaasch Nieuwsblad van 20 augustus 1887. Een levensbericht vinden we in het Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, deel v, kolom 1166 en enkele levensbijzonderheden die men nergens anders vindt in Neerland's letterkunde in de negentiende eeuw door J.P. Keyser, 1877, deel i, blz. 1026 e.v. Na haar dood, in 1890, verscheen een artikel in het tijdschrift waar zij zoveel in geschreven had: Eigen Haard, 1890, blz. 373/374 (waar men overigens weinig aan zal hebben); ook in De Nederlandsche Spectator van 1890, blz. 199 staat iets over haar. In het Verzameld werk van Du Perron wordt zij enige malen met waardering

[p. 614]

genoemd. In het Bataviaasch Nieuwsblad van 7 mei 1938 wijdde hij zelfs een kroniek aan haar, later opgenomen in het Verzameld werk, deel vi, blz. 268. In de handschriftenverzameling van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden bevinden zich een vrij lange brief van Annie Foore aan haar familie in Nederland en een aantal aantekeningen met allerlei bio- en bibliografische gegevens en enige foto's.

5. Melati van Java

Over Melati van Java schreef Jan ten Brink zeer welwillend in zijn Geschiedenis der Noord-Nederlandsche letteren in de xixe eeuw, deel ii, blz. 246; Busken Huet daarentegen nogal kritisch in de Litterarische fantasien en kritieken, deel xvi, blz. 87. In De Hollandsche Revue van 25 maart 1922 staat een artikel over haar; eveneens in Boekenschouw van februari 1922. In hetzelfde jaar haalde ze in het weekblad De Nieuwe Eeuw enkele herinneringen op (in het nummer van 25 februari 1922). Bij haar overlijden in 1927 werd zij in het juli-nummer van Boekenschouw herdacht in een artikel dat een vijftal foto's bevat, benevens een beknopte bibliografie. In het nummer van 25 maart 1950 schreef het damesblad Margriet nog eens over haar en drukte daarbij een fragment af uit één van haar bekendste boeken, Hermelijn.

6. Thérèse Hoven

Over haar bestaat een vrij uitvoerig artikel van een zekere Wolfgang van der Mey, eerst verschenen in De Hollandsche Lelie van 6 april 1904, later afzonderlijk uitgegeven in de reeks Onze Letterkundigen [z.j.]. Hier is een bibliografie aan toegevoegd die niet verder gaat dan 1904. Toen ze zeventig werd, verscheen een artikel over haar in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 1 april 1930; toen ze tachtig werd, publiceerde het dagblad Het Vaderland een gesprek met haar in het nummer van 29 maart 1940. Bij haar dood verscheen in hetzelfde Het Vaderland van 12 december 1941 een herdenkingsartikel. In het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum bevinden zich ook enkele brieven van Thérèse Hoven.