Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

XII. Indië belasterd en gewroken

Geen boek heeft na de Havelaar zoveel stof doen opwaaien als Bas Veths Het leven in Nederlandsch-Indië. Men kan kort na 1900 geen dag- of weekblad opslaan, of men komt er de naam van Bas Veth in tegen. Het aantal reacties verscholen in tijdschriften en dagbladen lijkt ontelbaar en is niet meer te achterhalen. Over Bas Veth bestaat overigens geen enkel artikel en de summiere biografische gegevens waarover we beschikken, konden slechts met moeite worden verkregen. Enkele jeugdherinneringen vinden we in een tweede boek dat Bas Veth schreef: Verhoudingen ‘van man en vrouw’ (1912), in het eerste hoofdstuk. Bij zijn overlijden op 22 februari 1922 schreef een zekere mr. H.G. Koster een in memoriam in De Amsterdammer. De soms vrij lange brieven van Bas Veth aan zijn vriend Henri Borel uit de jaren 1898/1899 bevinden zich in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum. - Over Otto Knaap schreef Henri Borel in zijn Opstellen [1900] blz. 170 en bij diens dood in 1917 nog eens in het Bataviaasch Nieuwsblad van 28 juli 1917. Ook in het Weekblad voor Indië in de jaargang 1917/1918, blz. 69, verscheen een herdenking door M. van Geuns. Jan Fabricius die Otto Knaap nog gekend heeft, vertelde veel later over hem in De Telegraaf van 11 juli 1959, in de reeks ‘Mensen die ik gekend heb’. Zie verder E. Breton de Nijs in het kerstnummer van Tong Tong van 1958 en ten slotte nog eens Jan Fabricius in Tong Tong van 30 januari 1960. - De boeken van Creusesol werden vrij regelmatig en in de regel nogal gunstig in tijdschriften en dagbladen besproken. In de meeste gevallen bleef het echter bij een aantal weinig zeggende opmerkingen. Het enige artikel dat iets meer geeft, is van de Surabajase journalist M. van Geuns die Creusesol persoonlijk gekend moet hebben, in het Weekblad voor Indië, jaargang 5, 1908/1909, blz. 778. - Van Boeka (P.C.C. Hansen Jr.) weten we vrijwel niets. De weinige gegevens werden eerst verkregen na archiefonderzoek. Zijn boeken werden bij hun verschijning in verschillende tijdschriften en dagbladen besproken. Verder dan enige wel-

[p. 618]

gekozen clichés komen de recensenten echter niet. Een van de stellingen bij het proefschrift van prof. Sartono Kartodirdjo The peasants' revolt of Banten in 1888 (1966) vraagt aandacht voor het werk van Boeka voor de kennis van de Indonesische samenleving uit het eind van de negentiende eeuw. - Ook over J.E. Jasper bleek weinig meer te vinden dan de besprekingen van zijn boeken en het oordeel van Brom. Ook voor Jasper is enig archiefonderzoek verricht. - Over L.C. Westenenk vindt men een zeer uitvoerig en zeer gedetailleerd artikel van zijn vriend H.T. Damsté bij de uitgave van Het rijk van Bittertong, 1932, blz. 135, dat een uitbreiding is van Damsté's levensbericht in de Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1932-1933. Bij dit laatste artikel is een lijst van ‘Geschriften’ gevoegd. Een tweetal verhalen van Westenenk uit Waar mensch en tijger buren zijn (1927) is door R. Nieuwenhuys opgenomen in zijn bloemlezing Van roddelpraat en litteratuur (1965).