Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

XIV. ‘De wijdere wereld’

1. De ethische koers

De titel van dit hoofdstuk ‘De wijdere wereld’ tracht iets over te brengen van de hoge stemming die kenmerkend is voor de ethische richting. Hij werd ontleend aan de titel van een boek van Augusta de Wit dat overigens niet in Indië speelt. - De statistische gegevens waar hier sprake van is, zijn te vinden in het Koloniaal Verslag van verschillende jaren en aan het rapport van de Volkstelling 1930, deel iv. Een artikel dat de ontwikkeling van de Europese maatschappij schetst in de negentiende eeuw en later, is dat van dr. Ch. W.F. Winckel in Mensch en Maatschappij, 1935, blz. 86. Wie iets wil begrijpen van de gecompliceerde structuur van de Indische samenleving, moet de artikelen van A. van Marle lezen over ‘De groepen der Europeanen in

[p. 623]

Nederlands-Indië’ in het tijdschrift Indonesië, vde jaargang, 1951/1952, nrs. 2, 4 en 6; blz. 99, blz. 314 en blz. 481. - Over de ‘ethische richting’ is hier en daar wel wat geschreven, maar onze kennis van het verschijnsel is nog onvoldoende. Bij het hanteren van de term komen allerlei tegenstrijdigheden aan het licht. Prof. Boeke meende dan ook dat er sprake was van tweeërlei ethische politiek, met uiteenlopende beginselen; al gingen voor hem beide terug op het ene beginsel van onbaatzuchtigheid. Eerst een breed en hernieuwd onderzoek, dat zich vooral niet tot de politiek mag beperken, zal kunnen leiden tot een beter begrip en een nieuwe evaluatie. Het artikel van prof. J.H. Boeke staat in De Gids van 1940, deel i, blz. 21. Verder kan men nog lezen G. Gonggrijp, Schets ener economische geschiedenis van Nederlands-Indië, 3de druk, 1949, hoofdstuk iv, en het hoofdstuk ‘De ethische koers’ in Van wingewest naar zelfbestuur door J.E. Stokvis. Dezelfde Stokvis schreef in De Locomotief Van januari 1915 een aantal artikelen over de ethische richting onder de titel ‘Resultaat en perspectief’. Ze komen op bladzijde 629 nogmaals ter sprake.

2. De ethici

Bij het vertrek van Brooshooft uit Indië schreef zijn vriend G. Stoll (een kenner van de Javaanse samenleving als weinig andere Europeanen, schrijver van het bijzonder leesbare bundeltje Kiekjes op Java, 1903) een afscheidsartikel in De Locomotief van 2 januari 1904 waarin veel biografische gegevens zijn te vinden. Zie ook P.L. Tak in De Kroniek van 6 januari 1904. In De Hollandsche Revue van 1905, blz. 749 staat een vrij uitvoerig artikel over Brooshooft van Frans Netscher. Het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden bezit een ‘Collectie Brooshooft’, bevattende geschreven en gedrukte documenten, waarvan een inventaris aanwezig is. Van deze collectie werd door Elisabeth Locher-Scholten gebruik gemaakt voor haar studie ‘Mr. P. Brooshooft, een biografische schets in koloniaal-ethisch perspectief’, verschenen in de Bijdragen, 1976, deel 132, blz. 306. - Over Kartini is nogal wat geschreven. Men kan het beste uitgaan van het boekje van dr. H. Bouman, Meer licht over Kartini (1954), het eerste werk dat op bronnenstudie berust en waarin men vrijwel alle voorafgaande litteratuur vermeld vindt. Na Bouman schreef Cora Vreede-de

[p. 624]

Stuers nog een tweetal artikelen over Kartini in de Bijdragen, respectievelijk in deel 121, ‘Kartini: feiten en ficties’, blz. 233 e.v. (1965) en deel 124, ‘Een nationale heldin: Kartini’, blz. 386 e.v. (1968). In de handschriftencollectie van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde vindt men behalve verschillende brieven van Kartini, ook enkele recente van haar zuster Kardinah (in fotokopie) en nog allerlei documenten, knipsels, overdrukken enzovoorts. Van deze collectie werd gebruik gemaakt door Siti Soemandari Soeroto voor haar uitputtende biografie Kartini, sebuah biografi (1977), waar zij jaren aan gewerkt heeft. Een vertaling van Kartini's in het Nederlands geschreven brieven door Sulastin Sutrisno is gereed. - Over mr. C. Th. van Deventer bestaat het driedelige werk Leven en arbeid van Mr. C. Th van Deventer ‘beschreven door dr. H.T. Colenbrander en J.E. Stokvis’. Het eerste deel bevat de biografie met een publikatie van talrijke brieffragmenten; deel ii bevat een keuze uit de voornaamste artikelen die Van Deventer schreef; deel iii een keuze uit de kleinere artikelen. In het tweede deel vindt men ‘Een eereschuld’ van 1899; ‘Drie schrijvers over Indië’ van 1900; ‘Insulinde's toekomst’ van 1908 en het artikel over ‘Kartini’ van 1911. Over Van Deventer schreef ook nog W.A. van Goedoever (een bekend Indisch journalist): ‘Mr. C. Th. van Deventer, een late roeping’ in het tijdschrift Indonesië, jaargang x, nr. 6 (1956/1957). Dezelfde Van Goudoever schreef ook een biografie van mevrouw Van Deventer-Maas (die in 1942 stierf) onder de titel Onder de hoede van een naam (1957). - Henri Borel was een nogal omstreden figuur die kennelijk vele lieden irriteerde. F.P.H. Prick van Wely - dezelfde die het bekende boekje schreef Neerlands taal in het verre Oosten (1906) - vond Borel met zijn ‘serene ziel’ eenvoudig ‘weerzinwekkend’ (Weekblad voor Indië, 1905/1906, blz. 730). Ook Alexander Cohen die Borel eerst in Singapore en later in Sukabumi ontmoette, had een afkeer van de man en zijn stijl (‘gepommadeerde schrijverij’). Hij schreef over deze ontmoeting in Van anarchist tot monarchist, blz. 183 in de uitgave van de Stoa-reeks (1961). Borel schreef jarenlang de letterkundige kronieken in Het Vaderland (van 1916 af tot zijn dood toe in 1933). Men raadplege over hem de knipselverzameling van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum dat ook vrij veel brieven van en aan hem bezit. - Over Augusta de Wit schreef M.H. van Campen een uitvoerig artikel in De Gids van 1915, deel ii,

[p. 625]

blz. 457, en deel iii, blz. 88. Een beknopter, maar intelligenter beschouwing staat in de Bundel opstellen van oud-leerlingen aangeboden aan Prof. dr. C.G.N. de Vooys (1940), geschreven door Marie H. van der Zeyde ‘Augusta de Wit in nuce’, blz. 376. Augusta de Wits boeken trokken in haar tijd sterk de aandacht; ze werden uitvoerig besproken zoals bijvoorbeeld haar eerste boek Facts and fancies about Java (1898) door Henri Borel in De Gids van 1898, blz. 77 en door C. Th. van Deventer in De Gids van 1900, deel iv, blz. 134 tegelijk met Bas Veths Het leven in Nederlandsch-Indië en Chailley-Berts Java et ses habitants. Tegen deze bespreking opponeerde Borel weer in Algemeen Handelsblad van 4 oktober 1900. In De Hollandsche Lelie van 19 oktober 1904 staat een hoofdartikel van Frans Netscher waarin de tot dat jaar verschenen werken van Augusta de Wit worden besproken. In het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum vinden we talrijke brieven van en aan Augusta de Wit. Ze blijkt behalve met verschillende bekende Nederlanders ook gecorrespondeerd te hebben met R.M. Rilke, Hans Carossa, Richard Hughes, Vincent Ibanez en D.H. Lawrence. In hetzelfde museum zijn ook talrijke knipsels met besprekingen van haar boeken te vinden en gegevens van genealogische aard die door Henri A. Ett zijn verzameld. - Aan het omvangrijke werk van Marie C. van Zeggelen (ze schreef nog een hele reeks boeken die niet in Indië spelen) is nooit een samenvattende beschouwing gewijd; we zijn aangewezen op kortere dagblad- en tijdschriftartikelen en een enkel vraaggesprek. Men raadplege hiervoor de verzameling knipsels van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum. Hieraan kunnen worden toegevoegd: een herinnering van Beb Vuyk, ‘Ontmoeting met het verleden’ in het maandblad Oriëntatie, nr. 4, januari 1948, blz. 25 en het artikel van Gerard van Eckeren over Oude glorie dat in Eigen Haard, 1936, blz. 100 staat. - Jan Greshoff schreef een boekje over Arthur van Schendel (1934) en een aanvulling hierop met als titel eveneens Arthur van Schendel; aanteekeningen over Jan Compagnie en De Waterman (1934). Een uitvoerige maar oppervlakkige studie over Van Schendel schreef R. Pulinckx (1944). Na Van Schendels dood in 1946 verscheen de biografie van G.H. 's-Gravesande, Arthur van Schendel; zijn leven en werk (1949). Er bestaat ook een proefschrift over Van Schendel van F.W. van Heerikhuizen (1961).