Oost-Indische spiegel.


auteur: Rob Nieuwenhuys


bron: Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1978  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 653]

Woordenlijst

Ofschoon in 1972 voor het Indonesisch nieuwe spellingsregels zijn ingevoerd, moest om praktische redenen de spelling worden gehandhaafd die vóór 1972 gold. Wat de uitspraak betreft: de e is in de regel toonloos, een afwijkende uitspraak wordt met accenttekens aangeduid; de u is de Nederlandse oe; de a en de o worden doffer uitgesproken dan in het Nederlands; de g is altijd een explosief.

Adat, zeden en gewoonten die normatief zijn en als rechtsregels kunnen gelden.
Ajun-ajun, schommelen.
Alang-alang, hoog opgroeiende grassoort.
Amokh, amok, toestand van razernij.
Ampun, Tuan Allah, Ampun, vergiffenis, Heer, vergiffenis.
Anak kolong, een kind dat in de kazerne grootgebracht is. In de chambree sliepen de ouders meestal op een plank, de kinderen sliepen daaronder, in een ruimte die ‘kolong’ genoemd werd.
Anak Kompenie, letterlijk kind van de Kompenie (zie Kompenie); kazernekind.
Angker, magisch geladen, door geesten bewoond.
Anglo, ijzeren komfoor voor het stoken met hout of houtskool.
Aroe, zie Aru.
Aru, volkshoofd.
Asia Raya, Groot Azië, Japanse leuze.
Atap, gedroogde palmbladeren voor dakbedekking gebruikt.
Baadje, jak, jasje.
Baar, nieuw aangekomene (verbastering van ‘baru’ = nieuw).
Baboe, vrouwelijke huisbediende.
Badak, buffel, rhinoceros.
Bahu, oppervlaktemaat.
Bapak, vader; aanspreekvorm verkort tot ‘Pak’.
Baru, een nieuw aangekomene, een ‘groen’. In de Oostkust van Sumatra gebruikte men het Chinese woord ‘singkèh’.
B.B., Binnenlands Bestuur.
Bébé, lange, loshangende huisjurk.
Belanda, Hollander, Hollands.
Berita minggu, weekbericht.
Bersiap, letterlijk zich aangorden, zich gereed maken.
Besar, groot.
Besaran, groot (land-)huis.
Betul, werkelijk!
Bilik, gevlochten bambu.
Binnenkomen, in Indonesië komen.
Binnenplaats, plaats gelegen in de binnenlanden.
Blanda, zie belanda.
Blang, bergplateau (Atjehs).
Boedjang, zie budjang.
Boven gaan, naar, (met vakantie) naar de bergstreken gaan.
Bubuk, pulver van bambu veroorzaakt door de houtworm.
Budjang, ongehuwde man.
Buitengewesten, gebieden buiten Java.
Bung, Indische naam; betekent eigenlijk broer.
Contractanten, werkkrachten op contract-basis; op hen kon de poenale sanctie worden toegepast (zie poenale sanctie).
Daëng, adellijke titel.
Daerah, gewest, streek.
Dapur, keuken.
[p. 654]
Demang, ook wedana genoemd; zie aldaar.
Dèndèng, gedroogde en gekruide reepjes vlees die gebakken worden.
Dèsa, dorp, dorpsstreek.
Djaksa, politie-ambtenaar.
Djas tutup, letterlijk gesloten jas; hoog gesloten jas voor mannen, een typische tropendracht van het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw.
Djati, houtsoort.
Djeruk, soort citrusvrucht.
Djongos, mannelijke bediende.
Dongèng, half gezongen manier van vertellen.
Dukun, geneeskundige, medicijnmeester die vaak over magische krachten beschikt.
Gala asin, typisch Indisch kinderspel.
Gazan, voorzanger in de synagoge.
Gedèk, gevlochten bambu(wand).
Gendruwo, soort demon, een bos- of tuin-duivel die zich in allerlei gedaanten vertoont of zich onzichtbaar kan maken.
Guna-guna, zwarte kunst.
Hadji, iemand die de hadj, d.w.z. de bedevaart naar Mekka heeft gedaan.
Handschoentje, vrouw die met de handschoen getrouwd is, d.w.z. zonder dat de bruidegom erbij is; zulke handschoentjes reisden naar hun echtgenoot in Indië.
Hikajat perang Kompeni, verhaal van de oorlog tegen de ‘Kompeni’, d.i. het Nederlandse gouvernement.
Homber, kaartspel.
Iboe, zie ibu.
Ibu, moeder.
Ikat-doeken, doeken die op een bepaalde manier geweven zijn waarbij verschillende draadjes die hetzelfde gekleurd zullen worden, bijeengebonden worden; ikat = binden.
Indisch(e) jongen/meisje, aanduiding voor een man of vrouw die hetzij door geboorte, hetzij door opvoeding, hetzij door leefwijze tot de Indo-Europese groep behoort.
Indonesia Merdeka, Indonesië vrij of vrij Indonesië.
Inkomeling, iemand die pas later naar Indië is gekomen en daar dus niet geworteld is.
Irian Barat, Westelijk Nieuw-Guinea.
Kadosch, kort gebed ter nagedachtenis van ouders of kind.
Kajuputih, eucalyptus.
Kali, rivier.
Kampung, buurtschap.
Kandjeng, Heer, mijnheer; aanspreekvorm (Sundanees).
Karaëng, volkshoofd (Makassaars).
Kastiezen, afstammelingen van een Hollandse vader en een mestieze moeder.
Kètju, roof en moord.
Ketjubung, vergiftige plant.
Klambu, muskietennet.
Klèwang, korte sabel zoals deze in het Indische leger gebruikt werd.
Klimaat schieten, in het donker zitten, van de avondkoelte genieten, naar de sterren kijken en verder niets anders doen dan de avond op je laten inwerken.
K.N.I.L., Koninklijk Nederlands-Indische leger.
Kokki(e), kokkin.
Komedie stamboel, specifieke vorm van Indo-Europees toneel (zie blz. 302).
Kompenie, afgeleid van Compagnie; in dienst zijn van de Kompenie betekende in militaire staatsdienst zijn, bij het leger dienen.
K.P.M., Koninklijke Pakketvaart Maatschappij, scheepvaart-maatschappij.
Kraton, vorstelijke woning, paleis.
Kromo, Javaanse naam, het eenvoudige volk.
Krontjong, een specifieke vorm van Indo-Europese muziekcultuur (zie blz. 305).
Krossi(e) males, luierstoel, ligstoel.
Kuntianak, een duivelin die kinderen steelt; ze is van een bijzondere schoonheid met lange haren; van binnen hol en herkenbaar aan haar schrille lach als van een ‘sundel’, d.i. een prostituée.
Lain dulu, lain sekarang, lett. vroeger anders, nu anders; zoiets als andere tijden, andere zeden.
Lampu tèmplèk, een petroleum-muurlamp die vooral in de binnenlanden nog lange
[p. 655]
tijd dienst gedaan heeft.
Leestrommel, te vergelijken met de leesportefeuille; de tijdschriften werden echter in een trommel geëxpedieerd.
Liplap, aanduiding voor Indo-Europeaan; het woord heeft een pejoratieve betekenis.
Lurah, dorpshoofd op Java.
Malam Djumahat, de avond van donderdag op vrijdag; dan wordt er aan de geesten geofferd en wierook gebrand.
Mandor, opzichter.
Mangga, Indische vrucht.
Mangku Negoro, zie zelfbestuurders.
Martavaan, aardewerk vat, soms geglazuurd.
Melati, fijn geurende bloem.
Menjan, wierook.
Mestiezen, afstammelingen van een Hollandse vader en een ‘zwarte moeder’; ze worden volgens Nicolaus de Graaff ook mixturen genoemd of bonte adel of ongebleekte dongris.
Militair, gepasporteerd, een uit de krijgsdienst ontslagen militair.
Moesson, jaargetijde (natte en droge moesson).
Muntji, concubine.
Njai, huishoudster, concubine.
Njolong, jang, zij die stelen.
Nonna, Indische jonge dame of meisje; soms ook in denigrerende betekenis gebruikt.
Oppas, bediende, bewaker.
Orang pèndèk, dwergmensen, letterlijk korte mensen.
Oudgast, iemand die al lange tijd in Indië heeft gewoond.
Paal, lengtemaat (ong. 1500 meter).
Pajung, parasol.
Pak, afk. bapak (zie aldaar).
Paku Alam, zie zelfbestuurders.
Palang pintu, dwarsbalk om de deur af te grendelen.
Pangéran, hoge ambtelijke titel.
Pantjuran, geleide waterstraal die bijvoorbeeld uit een bron ontspringt en waaronder men zich baadt, een soort natuurdouche.
Pantun, vierregelig vers, vaak met toespelingen op liefde en de erotiek.
Pasanggrahan, logeerverblijf, logement.
Patih, Indonesische bestuursambtenaar; rang onder die van regent.
Pedati, kar voor vrachtvervoer met massieve houten wielen, getrokken door buffels.
Pelopor, baanbreker, pionier.
Perkara, zaak, twistpunt.
Petjo, Indisch-Nederlandse taal.
Pil nummer elf, iemand - geven, iemand vergiftigen. Naar men zegt waren in de militaire hospitalen tien officiële stand-aardpillen; een officieuze, ‘pil nummer elf’ bevatte een middel om de patiënt uit zijn lijden te verlossen.
Pisang, banaan.
Plantenleven, Indische uitdrukking voor een eentonig leven zonder veel afwisseling.
Poenale sanctie, strafbedreiging tegen inbreuk op de werkovereenkomst, alleen van toepassing voor de Oostkust van Sumatra.
Presentkaasje, iemand die op goed geluk naar Indië is gegaan met een aanbevelingsbriefje voor familie of kennissen die zich over hem dienen te ontfermen.
Prijaji, Javaanse ambtsadel.
Rampok(ken), plunderen; plundering.
Rawa, moeras.
Regent, hoogste Indonesische bestuursambtenaar; op hem volgde in rang de patih, daarop de wedana, ook wel demang geheten.
Ronggèng, danseres, soort hetaere.
Ronzebons, (straat-)orkest met Europese instrumenten.
Rotan trekken, een soort sport waarbij gezongen wordt, in de Molukken.
Rumah angker, bezeten huis, door geesten bewoond en daarom onheil brengend als men het zou betreden of bewonen.
Sampiran, staande kapstok door een klambu omgeven die tegelijk als scherm gegebruikt kon worden.
Sarung-kabaja, Indische klederdracht voor vrouwen, ook voor Europese vrouwen.
Sawah, rijstveld, bevloeid.
Sedekah, offerfeest, vooral voor de afgestorvenen.
[p. 656]
Sedep malem, sterk geurende nachtbloem.
Selamat, heil, zegen.
Selamatan, offermaaltijd, offerfeest.
Sepulker, grafmonument.
Si-Badak, zie badak.
Si-Tikus, bijnaam: zie tikus.
Sial, onheil aanbrengend.
Sinjo, Indische jonge man of jongen; soms ook in denigrerende betekenis gebruikt voor Indo-Europeaan.
Singkèh, zie baru.
Sirih, betel, ‘piper bettle’.
Slaapbroek, niet specifiek een slaapbroek; négligé.
Slamat, zie selamat.
Soos, afkorting van sociëteit.
Stamboel, zie Komedie stamboel.
Stilletje, kamergemak, een onontbeerlijk meubelstuk, aangezien de badkamer en wc.'s in de oudere Indische huizen zich in de ‘bijgebouwen’ bevonden.
Supercarga, opzichter bij de lading.
Tali api, letterlijk vuurtouw.
Tambal, ge-, een lap erop gezet.
Tandu, draagstoel.
Tawar, bieden en loven.
Tempo dulu, lett. de tijd van vroeger; een flexibel begrip, elk heden heeft zijn eigen tempo dulu.
Teuku, adellijke titel, Atjehs.
Tikus, muis.
Tjap, merkteken.
Tjelana monjet, hansop.
Tjemara, casuarinaboom.
Tjempaka, soort boom met geurende bloesems.
Tjinta manis, van zoetigheid houden.
Tjoba, ‘stel eens dat...’
Tjor, steile bergrug, bergtop (Atjehs).
T.N.I., Tentara Nasional Indonesia, het Nationale Indonesische leger.
Toko, winkel.
Totok, volbloed Europeaan.
Tournee, (tourneren) inspectiereis (maken).
T.R.I., Tentara Republik Indonesia, het leger van de Indonesische Republiek.
Tuan, heer, mijnheer.
Uitkomen, naar Indië komen vanuit Holland. Een handschoentje komt uit, een employé komt uit enz.
Vorstenlanden, de zogenaamde zelfbesturende gebieden op Java; zie zelfbestuurders.
Waringin, grote boom met luchtwortels.
Wedono, ook wedana, districtshoofd (zie regent).
Wéwé, duivelin die kinderen steelt, ze heeft de gedaante van een afzichtelijke oude vrouw met borsten die tot op de grond hangen.
Zelfbestuurders, er bestonden op Java vier zelfbesturende gebieden; twee in Surakarta (het Sunanaat en de Mangkunegaran); twee in Jogjakarta (het Sultanaat en de Pakualaman). Aan het hoofd stonden vorstelijke personen: de Sunan, de Mangkunegoro, de Sultan en de Paku Alam.