begin  verderprepost
[p. 2]


illustratie
De titelpagina van het oorspronkelijke ‘Journaal’.

[p. 6]

Inleiding

De verzuchting ‘Als dat maar geen reis van Bontekoe wordt!’ was honderd jaar geleden heel normaal in het spraakgebruik. Nu wordt de naam Bontekoe alleen met de ‘Scheepsjongens’ in verband gebracht; bijna heel Nederland schijnt ooit dat boek gelezen te hebben. De toeristen in Hoorn kunnen het niet laten om elkaar te fotograferen met de in brons vereeuwigde figuren van Johan Fabricius, op het muurtje bij de Hoofdtoren. Nog maar weinigen weten dat aan het charmante jongensboek een werkelijkheid ten grondslag ligt en dat het ‘Journaal van Bontekoe’ twee eeuwen lang het meest verkochte boek van Nederland was.

De meeste 17e-eeuwse schrijvers worden alleen nog maar gelezen door mensen die daarvoor betaald worden. De naar onze smaak langdradige, onnodig versierde stijl en de talloze, uit hun verband gerukte citaten uit de klassieke literatuur mogen dan zeer modieus geweest zijn in de tijd zelf, ons zegt het niets. Op een paar uitzonderingen na en één van die uitzonderingen is Bontekoe met zijn ‘Journaal’.

Het bijhouden van een scheepsjournaal was geen bijzonderheid; het was zelfs verplicht, zoals het voor grote schepen nóg verplicht is. Interessante lectuur levert dat zelden op.

Schipper Bontekoe maakte geen uitzonderlijke reis of ging op een of andere manier de geschiedenis in als pionier of als zeeheld. Hij moet een geboren verteller zijn geweest; de mensen moeten aan zijn lippen hebben gehangen. Hij schrijft voor zijn tijd zeer rechtstreeks en zonder de verplichte citaten uit de ‘klassieken’ erbij te slepen of iets mooier te willen maken. De uitgever voelde zich toentertijd zelfs verplicht om in een voorwoord zijn verontschuldigingen aan te bieden voor de ietwat onbeholpen stijl van de schipper. Het overweldigende succes van het boek heeft bewezen dat de lezers er in de loop der jaren anders over dachten. Zoals aangetoond in de uitstekende studie die de taalkundige dr. G.J. Hoogewerff vóór de oorlog aan het ‘Journaal’ wijdde, heeft Bontekoe hoogstwaarschijnlijk zijn verhaal gedicteerd. Wat het eerste deel, de reis naar Indië, betreft moest dat ook wel. Aangezien Bontekoe's schip met man en muis verging waren er geen aantekeningen. Zijn diensttijd in de Oost en de terugreis hebben wel handschriften opgeleverd. Deze zijn op veel punten afwijkend van het gedrukte boek. Een verklaring is dat het ‘Journaal’ ook diende om de ‘Heren Zeventien’ te bewijzen dat er zo naarstig mogelijk was geprobeerd er alles uit te slepen wat maar mogelijk was. Voor de twintig jaar later verschenen gedrukte versie heeft de schipper blijkbaar allerlei verzwegen details toegevoegd.

[p. 7]

Het Nederlands van Bontekoe is eenvoudig, soms met Westfriese trekjes, altijd helder en dichtbij de werkelijkheid. De schrijver bedient zich bijna niet van de verschrikkelijke ‘Franse’ modewoorden die we tot zelfs in het ‘Wilhelmus’ tegenkomen.

Natuurlijk is de spelling in onze ogen een ramp. De taal is nogal veranderd en zijn allerlei woorden iets anders gaan betekenen. Ik heb getracht om Bontekoe's tolk te zijn, zonder hem te willen verbeteren of te moderniseren. Waar nodig, is met noten aangegeven wat misschien echt onduidelijk is.

De schrijfwijze van de Chinese namen is zo ingewikkeld dat sommige niet eens met zekerheid zijn te herkennen ... In de noten is de ANP-schrijfwijze gehanteerd, gebaseerd op de moderne spelling van Chinese namen. De eigennamen in het Nederlands heb ik intact gelaten.

 

Vroegere generaties hebben nogal eens gesuggereerd dat Bontekoe te zachtaardig geweest zou zijn voor ‘het volk’ en er niet voldoende de wind onder had. Een 19e-eeuwse ‘jongens van Jan de Witt’-mentaliteit die hem vreemd was. Vaderlandse sentimenten komen we niet tegen bij Bontekoe. Hij is Hollander in dienst van de V.O.C. en gebruikt zelfs het woord ‘Nederland’ nooit. Evenmin komen we ooit racistische trekken tegen. Bontekoe beschrijft wat hij waarneemt, dat die mensen in warme landen zwart zijn en naakt lopen. Maar het blijven mensen voor hem, zonder twijfel.

Net zo verhelderend is het te ontdekken dat er geen sprake is van een almachtige ‘schipper naast God’ al noemt hij zich wel zo. In de praktijk vond er voortdurend overleg plaats en werd er heel wat vergaderd in de scheepsraad; bij gewichtige beslissingen werd alles op papier gezet en door iedereen ondertekend.

Ongetwijfeld ook om de verantwoordelijkheid te spreiden tegenover de ‘Heren Zeventien’, de almachtige directie van de V.O.C.

 

Haarlem, najaar 1989

 

Lennaert Nijgh

 

Met dank aan Leon Klein Schiphorst, Els Wiegant,

Piet Boon en ‘Haarlems Dagblad’

[p. 8]

Wat voor prachtige landen, kusten en koninkrijken men te zien krijgt, wat voor rijkdommen er te verdienen zijn, wat voor avonturen te beleven, het zou allemaal maar een straf zijn als we niet de hoop koesterden het eens in het vaderland te kunnen navertellen. Want vanwege die hoop noemen we het ‘reizen’, wat we doen. Anders zou tussen een reis zonder hoop op thuiskomst en een ballingschap niet veel verschil zijn.

 

Willem IJsbrantsz. Bontekoe



illustratie

[p. 9]


illustratie

prepost  begin  verder