terug  begin  verderprepost
[p. 79]

17. Het jaar 1623

Januari 1623

Op 1 januari 1623 besloot men dat de eerste stuurman, Jan Gerritsz. de Naeyer' met ongeveer zestig man van de haarlem bij ons aan boord zou komen. En onze tweede stuurman, Geleyn Cornelisz., is met een paar anderen weer overgeplaatst op de haarlem, om vervolgens naar Batavia en daarna naar het vaderland te gaan. De kooplieden waren in verband met een en ander bezig brieven te schrijven, één naar Batavia en één naar de Pescadores.

We zetten wel vierentachtig Chinezen over op de haarlem die op de 4e januari naar Batavia vertrok. 's Nachts haalden de Chinezen een jonk weg die dicht bij het schip lag, ofschoon wij het vuur openden; ze gingen er toch mee aan de haal en wij hadden geen sloep om ze te achtervolgen.

- Op 5 januari kwamen de Chinezen in onze nabijheid vissen. Ze schenen het te weten dat wij geen sloep hadden; onze timmerlui waren dagelijks bezig om er een te bouwen. We hadden een halfversleten zeil van de haarlem gekregen; daarvan maakten we voor de sloep en ons schip wat we nodig dachten te hebben. Hielden 's nachts zorgvuldig wacht; waren bang dat de Chinezen branders op ons af zouden sturen.

- Op 7 januari gingen we onder zeil om zee te kiezen, maar doordat de wind uit de verkeerde hoek kwam, moesten we weer terug. Liepen naar onze oude ligplaats; namen onderweg een jonk, waar we drie kabels en het touwwerk van afhaalden. De jonk staken we in brand. De bemanning was gevlucht; het touwwerk kwam ons heel goed van pas.

- Op 9 en 10 januari kregen we zeil, mast, zwaarden en de overige tuigage klaar voor onze sloep; bleven door de verkeerde wind nog steeds liggen.

- Op 11 januari zagen we tegen de avond twee jonken onder de kust. De koopman wilde dat we er met de sloep naar toe zouden varen, maar dat leek mij niet verstandig, omdat het tegen donker liep en heel slecht weer was. Het zag er naar uit dat het nog harder zou gaan waaien, want het was erg onweersachtig. Ook zei ik tegen hem, dat we de bemanning niet zomaar gevaar moesten laten lopen; dus lieten we het na. 't Begon 's nachts ook zo hard te waaien dat we blij waren dat de sloep aan boord was gebleven.

- De volgende dag zijn we 's morgens met de sloep naar een jonk toegevaren, die in de baai kruiste; maar voordat we hem bereikten, kwamen hem vier oorlogsjonken te hulp, die ons hevig onder vuur namen en omdat het dicht bij de wal was, waar zo te zien wel duizend gewapende mannen klaarstonden, moesten wij weer aan boord terug gaan.

- In de nacht van 14 op 15 januari, tijdens de eerste wacht, ben ik met de sloep naar een andere jonk gevaren, die zich verweerde. Ze schoten wel een

[p. 80]

uur lang op ons en omdat we te ver van het schip af raakten en er weinig kans leek de jonk te krijgen, zijn we, toen het dag werd, weer teruggegaan.

- Op 15 januari ging de stuurman met de sloep weer op een jonk af, die uit Taipong kwam; ze vielen deze heftig aan maar moesten hem laten gaan. Hadden drie gewonden, waaronder één dodelijk, want hij bleek door een giftig wapen getroffen.

- De 18e ben ik met de sloep op vijf jonken af gegaan; één nam de wijk en de andere vier sloten zich boord aan boord aaneen en verweerden zich met schilden, zwaarden, pijlen en licht geschut, want 't waren oorlogsjonken; daarom gingen we na een kleine schermutseling weer terug. De jonken achtervolgden ons. Onze bemanning, die dit zag gebeuren, was bang dat ze de sloep zouden aanvallen en maakte de twee achterstukken klaar om op ze te schieten, want ze waren dichtbij het schip; we waren er geen duizend passen vandaan. Wij gijden het zeil op en streken de fok en roeiden in de wind op.

Toen de bemanning van de jonken dit zag, lieten ze ons met rust. 's Avonds kwamen we weer aan boord en vertrokken nog dezelfde nacht; de wind was noordwestelijk.

- Op 19 januari waren we 's morgens ongeveer een mijl van het land af, of van de hoek van Taipong; hadden Pedro Branco zuidoost van ons op een mijl of vijf; welk eiland ligt op de hoogte van 22o20′ zeilden langs de kust. Die dag zetten we de bemanning op rantsoen: een kan water per dag. De 20e gingen we, omdat de wind weer in de verkeerde hoek zat, weer ten anker op een diepte van zeventien vadem, omtrent zes mijl van de kust van Kia-Tsjé, omdat we met zeilen niet verder kwamen. Hier brak onze ankertros; moesten daarom de zeilen weer bijzetten, maar gingen door slecht weer de volgende dag nogmaals voor anker, ongeveer acht mijl oostelijk van Taipong.

- De 22e januari stuurden we de sloep op verkenning uit, meer naar de kust toe, om te onderzoeken of daar geen betere ligplaats was; we zeilden op aanwijzing van de mannen in de sloep naar de wal toe tot op ongeveer een half kanonschot er vandaan, vonden daar een goede plek.

- Op 23 januari was de wind 's morgens nog steeds verkeerd, uit de noordoost; koud weer.

- Op de 24e stierf de man die drie dagen tevoren zo ernstig gewond was: Hendrik Bruys van Bremen.

- Op 25 januari kregen onze timmerlui de sloep grotendeels klaar.

- De 27e is onze koopman Nieuwenroode met de sloep en de boot naar de wal gevaren om te zien of we geen drinkwater konden krijgen, maar tevergeefs. Zagen een paar jonken op de rivier liggen waarop we 's middags een aanval met musketten uitvoerden, maar ze schoten met licht geschut terug en gingen onder zeil, zodat we zonder resultaat weer terug moesten.

- Op 28 januari nam onze stuurman een klein jonkje dat met gedroogde en gezouten vis was geladen, met acht Chinezen die hun verzet meteen staak-

[p. 81]

ten. Zijn met de sloep en de boot op zoek gegaan naar drinkwater, maar konden het op zee niet bolwerken door de harde wind, zodat we gedwongen waren weer terug te gaan.

- Op 29 en 30 januari zijn we op verscheidene jonken en vissers afgegaan, maar kregen niets in handen dan een visser met vijf man aan boord en we hebben naar water gezocht, dat ik op de 31e vond; het was heel goed en makkelijk te halen.

- De volgende dagen tot de 7e februari haalden we water; was al die dagen lelijk en wisselvallig weer en de wind nog steeds niet goed om de reis voort te zetten.

Februari 1623

- Op 8 februari voeren we met de boot en de sloep naar de wal met zevenentwintig musketiers voor een expeditie landinwaarts. Kwamen bij een dorp, waarvan de bevolking gevlucht was; marcheerden een eindje verder het land in; ontdekten daar een kudde buffels, waarvan we er zeventien stuks aan boord brachten met nog vier varkens en een paar kippen. 't Was voortdurend slecht weer.

- Op 10 februari is de koopman Nieuwenroode met de sloep en de boot weer aan land gegaan met vijfentwintig musketiers. Ze trokken landinwaarts; kwamen twee dorpen tegen waarvan de bewoners gevlucht waren, staken die in brand en kwamen weer terug.

- Op de 11e is ons ene jonkje omgeslagen en gezonken; maar de mast, die veertien palm dik en negenenvijftig voet lang was, kregen we er nog uit. Onze boot voer weer naar de wal om stro voor de buffels te halen.

- De 12e hielden we weer een strooptocht met vijftig gewapende mannen. Verwoestten twee dorpen, zagen een paar buffels maar konden die niet vangen; maakten een paar zakken knoflook en uien buit en kwamen, na wel twee mijl landinwaarts te zijn geweest, weer aan boord.

- Op 15 februari is onze eerste stuurman in de boeien gezet omdat er brand in zijn hut geweest was, maar 's avonds werd hij weer vrijgelaten. Onze timmerlui zetten een wang op de grote mast.

- 18 februari zetten we een man overboord, die 's nachts gestorven was. We maakten iedere dag jacht op vissers en jonken, zowel met ons jonkje als met de sloep en de boot, maar kregen er geen van te pakken. De meeste dagen was het weer koud en lelijk.

- Op 20 februari nemen we een jonk met veertien Chinezen. Vertelden ons, dat ze van de rivier de Tsjang-Tsjoe kwamen en ook dat heer commandeur Cornelis Reyers een verdrag met die van de Tsjang-Tsjoe gesloten had; namen hem evenwel toch mee en losten zijn waren in ons schip. Verstelden met wangen en andere middelen onze masten en boegspriet.

[p. 82]

Maart 1623

- Tot 10 maart maakten we iedere dag met goed weer een tocht om water te halen. Op deze dag werd vanaf ons schip een vogel uit de lucht geschoten.

- De 14e voeren we met bijna alle bemanningsleden naar de wal, haalden onze boot op het strand om hem op te kalefateren en schoon te maken; kwamen 's avonds weer terug.

- De 17e stierf een van de matrozen, genaamd Klaas Cornelisz. uit Middelburg.

- De 18e februari was het onbestendig weer, met donker, bliksem en regen. 's Nachts stierf de tweede stuurman, Jan Gerritsz. Brouwer uit Haarlem; hij was ongeveer vijfenhalve week tevoren tweede stuurman geworden.

- Op de 20e sprongen er 's nachts drie Chinezen overboord; ze dachten er met de boot vandoor te gaan, maar de wacht merkte het en toen kregen we er één weer te pakken, maar de andere twee verdronken.

- Op 26 maart werden er met de sloep twee vissers tegen de wal gejaagd; kregen een mooi zootje verse vis in handen.

- De 28e werd een prauw buitgemaakt, die zich te dicht bij ons schip had gewaagd; had vijf man aan boord.

- Op 29 maart namen wij nog een paar vissers en kregen nog een hoeveelheid vis in handen.

- De 30e maakten we twee jonken buit en nog een visser; we hadden in het geheel zevenentwintig man aan boord.

April 1623

- Op 2 april zetten wij twee Chinezen aan wal, die ons als losprijs beloofden verversing te brengen; de ene was gewond en de andere heel oud.

- De 5e zagen we twee Chinezen in onze jonk met hout staan, die riepen dat we ze aan boord moesten halen. Zonden onze sampan erheen; ontdekten dat een van de Chinezen er een van het tweetal was dat we op de 2e aan land hadden gezet. Ze waren 's nachts door andere Chinezen op onze houtjonk afgezet; hadden kippen meegebracht, eieren, een varken, citroenen, appels, suikerriet en tabak, van alles wat, als bewijs van dank voor hun vrijheid. Het getuigt van een houding die vele Christenen beschaamd doet staan, die immers vaak niet meer aan hun beloften denken als ze eenmaal uit de knip zijn.

prepostterug  begin  verder