terug  begin  verderprepost
[p. 131]

bijlage 2
De Resolutie op St. Helena

(kopie)

 

Zoals opgemaakt ter rede van Sint Helena, op 5 augustus 1625

 

Toen wij heden, door Gods genade om ongeveer tien uur 's morgens bij het eiland Sint Helena ter rede van de waterplaats voor anker gingen, troffen we daar een Portugese kraak uit Goa aan, zodat we besloten ons eerst gereed te maken voor de strijd, het geschut in stelling te brengen, de houten kooien te verwijderen en vervolgens is de onderkoopman Leonard van der Dusse met een van onze matrozen, die Portugees kon spreken, met de sloep naar de kraak gezonden, met de opdracht daar niet aan boord te gaan, maar hen vanuit de sloep te praaien en te vragen wat voor schip dit was en of zij vijanden waren. En hen mededelen dat hun kapitein of iemand namens hem bij ons aan boord moest komen om met onze kapitein te spreken. Als ze weigerden om dat te doen zouden we de kraak, in naam van zijne Prinselijke Excellentie de Admiraal-Generaal, opeisen en werd hen hierbij aangezegd dat we hen van nu af aan met geweld zouden aanvallen tot er een van ons beiden overbleef.

Toen onze sloep halverwege de kraak genaderd was, roeiden de Portugezen met hun sloep, met aan boord een in het wit geklede pater, de onze tegemoet. Toen ze bij elkaar kwamen heeft, naar ons door signeur Van der Dusse bericht is, de pater eerst naar de onzen geroepen en gevraagd waar wij vandaan kwamen en wat we daar wilden. De onzen antwoordden dat het schip uit Amsterdam kwam en dat we hier wilden verversen omdat het een vrijplaats was, voor alle nationaliteiten toegankelijk, en verder zeiden ze dat de kapitein of iemand namens hem bij ons aan boord moest komen en toen dat geweigerd werd, eisten ze de kraak op. Zij antwoordden daar niets anders op dan: wij eisen uw schip op in naam van de koning van Spanje. Verder werd er gezegd dat ze, als wij ze zouden aanvallen, bij ons aan boord zouden komen en er werden een paar scheldwoorden aan toegevoegd (Vaij

[p. 132]

traijdores)* en bovendien zeiden ze dat we uit moesten kijken, want ze hadden aan wal twee forten of batterijen met geschut klaar staan in het dal en daar voegden ze nog bij, alsof ze kleine kinderen met de boeman dreigden, dat er nog twee andere schepen onderweg waren die de volgende dag aan zouden komen, maar wij geloofden dat niet. De batterijen konden we vanaf het schip zien, maar ze konden ons maar met één ervan bereiken.

 

Nadat de scheepsraad dit door signeur Van der Dusse vertelde verhaal aangehoord heeft, stelt de opperkoopman Cornelis Gerritsz. Verlooren-Arbeijt voor om deze zaak met wijsheid en voorzichtigheid aan te pakken, daar het ons geen eer zou verschaffen, noch van plichtsbesef zou getuigen, maar ons eerder te schande zou maken voor het oog van de wereld als wij nu onze gezworen vijand daar rustig zijn gang zouden laten gaan; hoewel wij er slecht aan toe zijn en het ons aan allerlei ontbreekt wat een schip nodig heeft om aan te vallen.

 

Vervolgens heeft de raad, weer bijeen zijnde, ook verschillende deskundige lieden en lagere scheepsofficieren erbij laten roepen; aan alle aanwezigen is duidelijk gemaakt dat de vijand die hier op de rede ligt als schip even sterk is als wij, maar dat door de twee batterijen aan wal die we zien kunnen, de verhouding drie tegen één in ons nadeel is. Waar nog bijkomt dat wij in het geheel de middelen niet hebben om bij schoten die schade aan de masten of het want toebrengen, een en ander behoorlijk te repareren, nog afgezien van de vele gewonden die er zullen vallen. Daarom hebben wij de raad aanbevolen ernstig te overwegen of we de kraak enteren, of dat we eerst proberen hem met ons geschut tot rede te brengen.

Dit alles zorgvuldig overwogen zijnde, komt men eenstemmig tot de vaststelling dat zij de kostbaarste goederen wel aan land in hun batterijen gebracht zullen hebben en de minder belangrijke aan boord gelaten en dat zij daarom, als wij de kraak enteren, er waarschijnlijk de brand in zullen laten steken door hun negerslaven, die ze gemakkelijk opofferen aan zoiets en die de bevelen van hun meesters moeten uitvoeren. Wij lopen dan de kans te vergaan en omdat zij een basis aan land hebben zitten we dan gevangen.

[p. 133]

Daarom zijn wij van mening, dat 't het beste is om hen met ons geschut te water en aan wal zoveel afbreuk te doen als mogelijk.

 

Nadat aldus besloten was, werd er gebeden tot God Almachtig; daarna werd de bloedvlag gehesen en de hele middag tot 's avonds aan toe is er zeer heftig op elkaar geschoten. Ze brachten ons de meeste schade toe met de stukken aan wal waarmee ze ons voortdurend raakten, hoewel we Godzijdank niet meer dan één dode en twee gewonden hadden.

Toen de avond gevallen was is de voornoemde raad weer bijeen geroepen om te beslissen wat ons het beste te doen stond, aangezien wij ook een nogal kostbare lading hebben.

Als ze ons onder de waterlijn raken en we zinken, zullen onze meesters van alle goederen en winsten beroofd worden, alsmede van de inlichtingen betreffende de Oostindische gebieden die we hebben. Ook weten wij niet of de gouda in de laatste storm gebleven is, terwijl we de middelburg zwaar beschadigd achter hebben moeten laten; zodat wanneer - wat God verhoede - wij verongelukken, zij van niemand meer enig bericht kunnen ontvangen. Daarom kan naar mijn mening de beste overwinning behaald worden door te proberen - met Gods hulp - onze zieke bruid hollandia behouden in het vaderland te krijgen. Hoewel we ervan overtuigd zijn dat het niemand van ons, van de hoogsten tot de laagsten, aan moed ontbroken zou hebben om onze vijand aan te vallen indien we naar behoren toegerust waren geweest.

 

De konstabel, hier aanwezig, verklaart dat er vanmiddag tien vaten kruit verschoten zijn en dat we er niet meer dan vijfentwintig hebben, welke in één dag verschoten kunnen worden. Als de overwinning ons ontgaat en er geen kruit meer is en we op de zware reis die we nog voor de boeg hebben één of andere vijand tegenkomen, zullen we bij voorbaat verslagen zijn.

De oppertimmerman verklaart, dat er al het een en ander aan rondhout aan splinters is gegaan en dat er een kogel in de grote mast is geschoten en dat hij geen hout en geen spijkers heeft om de schade te herstellen.

De hoogbootsman verklaart, dat als het lopend of het staand want beschadigd raakt, hij geen middelen heeft om dat te repareren.

De opperbarbier verklaart dat hij, indien er veel gewonden vallen, geen medicamenten heeft om ze naar behoren, dat wil zeggen als men elkaar niet om hals wil brengen, te genezen.

[p. 134]

Bovendien is de raad ook van mening dat er niet veel eer aan deze vijand te behalen valt, tenzij we een wanhopig gevecht zouden willen leveren vanwege het gebrek aan drinkwater. Dat is veroorzaakt door het feit dat we Kaap de Goede Hoop niet hebben aangedaan en nu niet meer dan zes- à zevenentwintig vaten water hebben, waar we het drie maanden mee kunnen doen als we iedereen vier of vijf kopjes water per dag als rantsoen geven.

Nu de raad dit alles ernstig overwogen heeft, is de vraag wat we het beste doen kunnen: de kraak enteren in de hoop daar aan boord water te vinden of ons behelpen met het weinige dat we hebben, het anker lichten en onze reis voortzetten. Vervolgens wordt eenstemmig besloten dat het beter is om op rantsoen te gaan in het vertrouwen dat God ons in de buurt van de evenaar veel regen zal zenden, dat we onze ankers lichten en de reis naar het vaderland in Gods naam voortzetten.’

 

Actum a/b hollandia, datum ut supra.

 

Was getekend:

 

Cornelisz. Gerritsz. Verlooren-Arbeijt, opperkoopman
Willem IJsbrantsz. Bontekoe, schipper

 

François Lemmens

Cornelis van den Bergh

Adriaan Willemsz. Bruijn

 

passagiers en opperkooplieden

 

Abraham Strijcker, kapitein
Pieter Fransz., schipper

 

passagiers

 

Leonard van der Dusse, onderkoopman
Jan Hendriksz. van Hoorn, eerste stuurman
Sijbrand Hendriksz., tweede stuurman

 

Het merk van Cornelis Pietersz., hoogbootsman

[p. 135]

Jan Klaasz., stuurman
Adriaan Cornelisz., stuurman
Cornelis Jansz., stuurman

 

passagiers

 

Gerrit Harmensz., oppertimmerman
Jan Haijes, opperbarbier
Juriaan Pietersz., konstabel
Het merk X van Logier Cornelisz., schieman
Het merk x van Dirk Jacobsz., kwartiermeester
Abraham Arentsz., kwartiermeester

*Bontekoe laat de Portugezen Spaans spreken. Het moet zijn: ‘Vaya traidores’, (‘Donder op, verraders’!).
prepostterug  begin  verder