terug  begin  verder

[p. 22]

Aart van der Leeuw
‘Sint-Veit en andere vertellingen’

Aart van der Leeuw is een dichter met een zeer gaaf lyrisch talent, maar dat gevaar loopt, zich zuiverende, te verzwakken. Hij is een bucolisch dichter, misschien onze enige. De ernstige blijdschap van het landleven zingt krachtig en breed in de beste zijner verzen. Ik herinner me een gedicht van hem, dat enige tijd geleden in ‘De Beweging’ stond. Het heette ‘De dieren’ en beschreef de boer die, na zijn avondlijke rondgang in de stal, zijn handen boven de Bijbel vouwt en in vrome berusting beseft dat hij met al zijn dieren als in een ark over het water vaart. De klank van dit gedicht was eenvoudig en groot van ontroering. Sinds het beroemde ‘Dieuwertjen’ uit Potgieters ‘Liedekens van Bontekoe’ had ik iets dergelijks niet gelezen.

Maar nu heeft Aart van der Leeuw tevens een neiging tot allegorie. Men vindt dit steeds bij bucolische dichters, omdat zij een primitieve karakterisering zoeken. Het ligt voor de hand dat zij de hartstochten, die in hun elementaire landelijke mensen als 't ware zichtbaar en tastbaar zijn, willen verbeelden tot figuren. En gelijk Aart van der Leeuws gedichten als ‘De dieren’ aandoen als schilderijen van Millet, doen deze verzen van gretige faunen en weigerende nimfen denken aan Italiaanse barok. Want hij heeft een ‘heimwee naar het Zuiden’ waar tenslotte voor ieder bucolicus Arcadia eeuwig groen en schaduwrijk lacht onder de wolkeloze hemel. Maar in deze verzen dansen de metaforen ijler naarmate ze aan realiteit verliezen, en de dichter verdunt zijn eenvoudig en groot geluid, naarmate het zich zuivert, tot een ‘sluier van geruisch’. Als dichter moet Aart van der Leeuw zich Stefan George voor ogen houden.

Ik heb nu zijn proza-bundel ‘Sint-Veit en andere vertellingen’ gelezen. Dit is het proza van een dichter. Bij een geboren prozaschrijver vloeit een zin uit de vorige voort en richt zich tot de hem volgende, lost zich zodoende op in een golvend geheel. Bij een dichter echter is de zin die de strofe omspant zelve het

[p. 23]

geheel, waarin de woorden als onderdelen opgelost zijn. In dit boekje is elke zin een volledigheid, iets afs. Men voelt neiging nog eens te lezen of te pauzeren. En dit pauzeren is even vermoeiend als in lopende houding stilstaan.

Een twintigtal jaren geleden meende men een overgang tussen proza en poëzie gevonden te hebben in het zogenaamd ‘literair proza’, een poëtisch gestileerd proza dat angstwekkend in zwang kwam. Niets is zo banaal als aangewende poëtiek, en men kan hoogstens zeggen dat het prozaïsch was, maar het was geenszins proza. De schrijvers die het pleegden waren in hun hart verkapte medestanders van Jourdain, de onsterfelijke bourgeois-gentilhomme. De ‘durf’ was ontleend aan het z.g. ‘vers libre’ dat toentertijd, niet geheel toevallig, hoogtij vierde. Nu kan men van de beste der ‘verslibristen’ (van Jules Laforgue, die als de eerste en van Emile Verhaeren, die wel als de laatste beschouwd zal worden) nog zeggen, dat zij de ‘vrijheid’ slechts gebruikten om zichzelf ieder een eigen instrument te scheppen, maar dat zij aan de wetten daarvan des te nauwgezetter gehoorzaamden. Het merkwaardig verschijnsel deed zich voor, dat de uitvinder van een instrument, tevens de beste bespeler was. Ook in ons land is de enige vers-librist van betekenis de gewetensvolle Verwey. *

Het literair proza is uitgestorven, maar de geest waarvan het een uiting was, woekert voort. Het is een geest van gemakzucht, die zich met de voorlopige expressie van een nog niet gerealiseerd gevoel tevreden stelt. Dan meent men, door een inwendig gevoel van rust, gevonden te hebben, als men slechts opgehouden heeft te zoeken. En het enige wat een mens, die ophoudt te zoeken, nog overschiet te doen is zijn stijl te zuiveren.

[p. 24]

Deze perfectie koelt af tot verstarring, maar de geest vindt daarin nog voldoende occupatie en zo weert men zich met dit ‘schoon harnas der literatuur’ tevens invloeden van buiten af. Het voorbeeld hiervan zijn de ‘Verhalen’ van Van Schendel die zo leeg en geheimzinnig, zo afgesneden van het leven aandoen na zijn meesterwerk, ‘Een zwerver verdwaald’.

Zo zijn we door de dichterlijke zorgvuldigheid van het woord-proza te beschouwen, nader gekomen tot de keuze van het onderwerp, waartoe zich vertellingen als van Van Schendel en Van der Leeuw bepalen. Ik zei: ze stellen zich tevreden met de voorlopige expressie van een niet-gerealiseerd gevoel. En in plaats van het gevoel te realiseren, zal men de expressie trachten te zuiveren. Zulk een geest zal het onwezenlijke bekoren, omdat daarmee niet één werkelijkheid, maar talloze mogelijkheden worden aangeduid, verzacht, afgerond en als in een mist verenigd. Men zal een voorkeur voelen voor het verzoet verleden, voor de schemerige middeleeuwen, voor legenden. Maar de oude legenden zijn evenmin vaag en onwezenlijk als b.v. Dürer. Ze zijn donker en wonderlijk, argeloos en gecompliceerd. Ze hebben een naïeve vooropgezetheid die, juist door avontuurlijke verwarringen en omdolingen, ten slotte het doel des te helderder in het licht stelt. Men is weliswaar nimmer ongerust over de afloop, want alles is voorzien, maar men vertraagt verheugd de wandeling langs de kronkelende paden. Aart van der Leeuw is hierin, niet geslaagd. In zijn vertelling ‘De zichtbare God’ b.v. rijdt een jong edelman uit om Gods gestalte te zoeken. Hij had de Metamorfosen gelezen, hij: wist dat God op de Sinaï en aan Abraham, Izaäk en Jacob verschenen was. Het motief is prachtig: wat deden Faust, Don Juan en Ahasverus anders dan deze jonge edelman? Er is in hem iets van de hartstochten dezer drie grootste figuren der Europese overlevering. Hij ontmoet een meisje en de Don Juan in hem aarzelt, zoals de Faust al aarzelde bij zijn oude leermeester. Het motief is verslapt, maar wordt ten slotte reddeloos opgegeven als de zwerver een arme landloper ontmoet en, in zijn eigen deernis

[p. 25]

voor die gehavende kerel, de werkelijkheid van zijn God in mensenliefde geopenbaard ziet: een vruchteloze poging van iemand, die 't verleden inmijmert om verband met hedendaagse tijdstromingen te herstellen. - De beschrijving van de oude vader en de jonge moeder van de held is te doelloos en van geen betekenis voor de strekking, de ontmoetingen hebben wel het benauwde, maar niet het duidende van droomgestalten. Ware het b.v. niet zuiverder geweest, indien deze minnaar der heidense metamorfosen, indien deze zoeker naar de zichtbare God, ten slotte, evenals een jonge Goethe, de takken van het romantische woud, waarin hij dwaalde, op zij had gebogen om op een open plek, wit en blinkend, het marmer van de Griekse god te ontwaren? Ligt de tijd waarin 't verhaal speelt niet tussen middeleeuwen en renaissance?

Voor zijn proza-vertellingen moet Aart van der Leeuw de ‘Gesta Romanorum’ en Walter Paters ‘Imaginary Portraits’ herlezen.

*Het literair proza heeft niets gemeen met het z.g. ‘poème en prose’, dat een geheel eigen materie en wet heeft, waarover ik hier niet uitweiden zal. (Ter aanduiding: Bertrand en Rimbaud, de schrijvers van ‘Gaspard de la Nuit’ en ‘Une saison en enfer’ zijn hier de meesters. De poèmes en prose van Baudelaire, later ‘Spleen de Paris’ genaamd, acht ik even bedenkelijk als literair proza).

terug  begin  verder