En ook de laatste roman van Jo van Ammers-Küller die ‘Maskerade’ heet, doet haar titel geen recht. De gedachte is: de maatschappij is schoon van schijn maar van binnen zijn de mensen egoïste knoeiers, de straten zijn netjes geveegd maar daaronder zijn de riolen, een huisgezin dat gelukkig lijkt is in wezen een
geslaagde transactie. ‘Make the best of it’ is verachtelijk, wanneer we gaan vergeten wat dat ‘it’ eigenlijk is en leggen de nadruk op ‘best’. Want overal waar de maskers niet goed passen of doorzichtig en versleten worden, ontwaart men een vergroeid en gekneusd mens die zich nog het gelukkigst voelt in een staat van verdoving waarin hij zijn krimpend hart niet meer slaan voelt.
Deze schone schijn der maskerade waaronder inwendig een arm mens hunkert, is het thema van het boek. Maskerade was het, wat de schrijfster geven wilde. Dit is op zich zelf niet verkeerd, maar dan had ze moeten geven een carnaval minder tam dan een Leidse studenten-maskerade, dan had ze de gecomprimeerde beheersing moeten geven die het dragen der maskers vereist, de beheersing, die ondanks zich zelf in een vreemd en onverwacht gebaar de ziel verraadt van de gevangen mens die onder het masker de zich ingeprente danspassen uitvoert. Of ze had zich moeten bepalen tot het weergeven van de arme mens, de maskerade als een uitwendige bijzaak beschouwend. En dan had ze haar boek ‘armoede’ genoemd, zoals Ina Boudier-Bakker deed. Dan had ze met Ina Boudier begrepen dat het enige wat op deze wereld gaaf en zuiver is, de ‘candeur’ van een kind is. Dan had ze begrepen dat de opstandige mens juist van de maskerade der maatschappij zulk een afkeer heeft omdat hij zich griezelig voelt van de schmink, maar dat de waarlijk verheven mens niet anders dan een kind is, een ‘onnozele’ zoals b.v. Prins Mysjkin in Dostojewsky's boek ‘De idioot’. Dan had ze de diepe betekenis van Shakespeares mismaakte clowns en simpele narren begrepen, wier lichamen potsierlijk als maskers vergroeid zijn, zodat ze zichtbaar de hereditaire vloek als merk van onze samenleving dragen, maar wier argeloosheid de waarheid zegt, zonder het zelf te beseffen. Dan had ze Shakespeares koningen en grote heren begrepen die met eenzame trots en magnificentie de verwording overmantelen, en de kardinalen die zich zo hoog oprichten dat de zon de jammer in hun schaduw niet zien kan. En daar zijn Balzacs schurken die de poel nog
troebeler roeren om er gretiger in te vissen, zijn grote ‘strebers’ die de maatschappij hanteren om verder te komen, onder zich wegtrappen om hoger te staan, en zijn miserige mannetjes die als ouwelijke aapjes op hun kantoorkrukken hurken - want deze Maskerade had een ‘comédie humaine’ moeten zijn.
Maar wij Hollanders, interieur- en tegelschilders, schrijven geen grote boeken. Laten wij dan zuiver en gaaf schrijven. Laten wij niet de Maskerade, maar de arme mens schrijven. Jo van Ammers-Küllers talent voelt zuiver genoeg om deze ‘armoede’ te gaan schrijven. Want m.i., het beste uit haar boek is niet de vermaskerde liefde tussen Tine en Ter Berge, maar het is de ernstige glimlach van Arnold, de stille psychiater met zijn warrige grijze kop, die nadenkend zijn pijpje uitklopt.