terug  begin  verder

Johan de Meester zestig jaar
Een studie in perspectief

Heden wordt Johan de Meester zestig jaar. Zestig jaar is een ‘hele leeftijd’, maar zestig jaar is niet een heel leven. Daarom viert men om dubbele reden de zestigste verjaardag van een kunstenaar: om terug te zien in het verleden en zich rekenschap te geven van de waarde van het werk dat achter hem ligt, van zijn plaats en invloed ten opzichte der tijdgenoten, maar anderzijds om vooruit te zien in de toekomst en de richting te bepalen waarin zijn leven zich zal voortzetten.

En het is de persoonlijkheid zelve van de jubilaris, die onze keuze tussen de beide gezichts-richtingen bepaalt. Toen b.v. Kloos verleden jaar zestig jaar werd, keek iedereen onwillekeurig terug naar de ‘beweging van '80’. En terecht: Kloos is een statische figuur, die was omstreeks '80. Maar nu De Meester die leeftijd bereikt, zal, naar ik verwacht, iedereen vooruit zien en daarmee aan De Meester recht doen. Want hij is een dynamische persoonlijkheid die nog wordende is, in '20. Hij is iemand die, steeds onzeker van zichzelve, rusteloos is, die rusteloos zoekt, die

[p. 29]

zoekende omhooggroeit langs de muur waaraan wij allen ranken zijn. Hij is ouder maar niet oud geworden. Hij heeft nog evenveel verband met het leven als de vitaalste onder de jongeren. Eenvoudig omdat hij leeft. Men kan immers niet méér doen.

Men bezie van dit standpunt De Meesters leven tot op deze dag. Een onverbroken voortgang, die hier en daar in haar vaart een werk van betekenis afzet, en achterlaat. Ook in dit opzicht heeft hij de slordige rijkdom van een Parijs artist, die haastig een omnibus naloopt en ongemerkt een meesterwerk uit zijn zij-zak laat wegwaaien.

Men spreekt veel over De Meesters journalisme. Men zegt dat zijn journalisme werk en dat zijn werk journalisme is. Het wordt hoog tijd dat men het begrip journalisme corrigere. De man die in den treure de krant met erbarmelijk afzaagsel volstopt, mag niet meer journalist genoemd worden. Maar de man die de inhoud van zijn dag voelt als het résumé van al de vroegere tijdperken, waaruit weer naar alle richtingen de toekomst zal openbreken, de man die zijn dag als een geweldig knooppunt beschouwt en die zich ernstig en onpedant verantwoordelijk voelt om die knoop te ontwarren of door te slaan, dat is de man die schrijft wat iedereen denkt (of moest denken), dat is de journalist. Journalisme moet een kunst worden, een kunst van energieke voorbereiding. De privaat-docenten, de secretarissen van grote industriële ondernemingen, de jonge kunstenaars moeten als journalisten wegwijs worden in hun tijd, om weer hun tijd de weg te wijzen. En daar zijn ze in het buitenland: Maurice Barrès, Maurras, Shaw, Chesterton, Hofmannsthal, Bahr. Was Lessing anders dan een journalist? en Lasalle, en Disraëli? Zo is journalisme een kunst met een eigen materiaal, misschien het moeilijkst om makkelijk te hanteren.

In deze grote zin was De Meester de journalist die de nieuwe realistische romankunst dertig jaar geleden de weg wees naar Frankrijk, in die zin is hij de journalist die de nieuwe dramaturgie richt naar Strindberg. En in die grote zin zijn ook zijn romans journalisme. Want zoals, naar ik aanduidde, de journalist

[p. 30]

zijn dag voelt als een samengreep van alle dagen, zo voelde hij de realiteit als een gecompliceerdheid. We zien dit terstond in zijn stijl: is het niet of hij alles in eens wil zeggen? Is zijn zinsbouw meestal niet even abrupt maar tevens even intens als een geste? Kan men van een titel als ‘Het leed van den hartstocht’ of als ‘Gedenk te leven’ niet zeggen dat ze ‘volumes’ spreken?

Dit gevoel voor overzicht, samengreep, groepering, hangt nauw samen met zijn gevoel voor kringen en standen in de maatschappij. Hij is democraat. Maar er zijn twee soorten democraten. Er zijn er die de gelijkheid aller mensen aantonen door te doen zien dat alle gelijkelijk verheven zijn: zij doen zien dat een stervende makelaar waardig en koninklijk kan zijn als een koning, dat een acrobaat, dat een jordaan-type bitter en subliem zijn kunnen als miskende bastaards, als vermaskerde prinsen. Laat ik hen noemen romantische democraten. Het zijn classici als Walter Scott, het zijn realisten als Querido. Maar er is een andere groep democraten die de gelijkwaardigheid der mensen aanneemt juist omdat ieder mens maar een mens en gelijkelijk observatie en liefde waard is. Juist de grote variëteit der mensen geeft hun, van boven bezien, gelijk belang. Tot dezulken behoort De Meester. Maar de journalist in De Meester, dagelijks niet buiten maar tussen de mensen staand, aanvaardt nog te veel de gelijkwaardigheid dezer variëteiten binnen een standskring, ondervindt misschien pijnlijk de kloof die de standen scheidt, een kloof die men vergeten of overvliegen kan, maar bezwaarlijk overschrijden. En zo wordt zijn democratie tevens strijdbaar, en meestal meer bitter dan robuust.

Ik kom nu te spreken over wat ik het meest in De Meester bewonder. Dit is niet zijn Frans gevoel voor maatschappelijke verhoudingen, voor financiële intrige. Ten slotte heeft hij nooit een Rastignac of een Mercadet gemaakt. Maar De Meester is waarlijk groot, waar hij als Hollander, en dan als realist, schildert. Maar ook hier komt de journalist als impressionist voor de dag. Hij laat niet een compositie zich voltrekken, hij sluit nimmer de ogen om in zichzelf te verzinken, maar terwijl hij schildert blijft

[p. 31]

hij met open ogen zien. En het zijn woeste studies die hij maakt, met scherpe accentuering. Vochtig en slordig doemen de stadsgedeelten van Rotterdam met bruggen en bouwterreinen onduidelijk in de bruine nevel op (als in ‘Geertje’). Hij is de beste stadsschilder in Holland en vergelijkbaar met Breitner. Hij heeft dezelfde zware en donkere kleuren. En de mensen die midden in deze stad leven, als het ware uit dezelfde kleuren bestaande, dat zijn de diepe gestalten waaromheen de stad schaduwend wijkt. Ik denk hier natuurlijk terstond aan Kees Maandag (uit ‘Geertje’), aan Kees Maandag met zijn groot nadenkend dwergenhoofd in zijn brede schouders weggedrongen. Kees Maandag met zijn berusting, met zijn peinzende glimlach, met zijn aanvaarding. In de karakter-tekening van Kees Maandag komt tevens een eigenschap in De Meester naar voren die zeer bewonderenswaardig in hem is en die hem kenmerkt. Ik meen zijn zin voor satire, die in zijn ‘goede’ personen de fouten aandikt. Dit doet hij bij het geven van zijn patriciërs en aristocraten gemakkelijk, en misschien met wat veel heftige haat, door de geestes-armoede van hun rijkdom naar voren te brengen, door hen het meest verachtelijk en het meest egoïst te tonen wanneer zij vrijgevend en opofferend de stumperende burgerman tegemoet willen komen. Maar een zin voor groter satire openbaart hij als hij aan zijn goede Kees Maandag al de belachelijkheden van een bulte-naartje geeft. Hierin benadert De Meester niemand minder dan Dickens.

Ik kan niet duidelijker de richting aangeven waarin ik vermoed dat De Meesters romans zich zullen voortzetten, dan door een lijn te trekken tussen Kees Maandag en Huibert Willerns (uit ‘Gedenk te leven’), en deze lijn te verlengen. Ook in Huibert Willems, de reus met de Luther-kop, zien wij dit goeds-moeds levensaanvaarden, maar hier reeds is het niet meer de schrijver die doet zien, maar de figuur zelve die de satire uitspreekt: ‘ik heet Huibert Willems, handelsreiziger, oud-kapelaan, huisvader, lid van de S.D.A.P., turner, teekenaar en vriend van dominee Brouwer’. Dit is een reus-achtige groteske, alleen

[p. 32]

een reus torst zo veel op zijn schouders, die niet ineenkrimpen als de schouders van Maandag.

En als wij vragen: hoe heeft deze ontwikkeling zich in hem voltrokken (Scharten noemt het een kentering van pessimisme naar optimisme) dan kan ik weer niet duidelijker doen dan u de titel van een zijner beste korte verhalen te noemen: Terug ‘in den lieven eenvoud’. Want daarin horen wij zijn ontroerd sentiment dat zich een weinig verlegen in een satire terugtrekt. En dit is eigenlijk de grond van al De Meesters later werk. Een verscholen tederheid die zich uit in een gebaar, dat soms ruw en plotseling is van bedwongen gevoel. En dit is het diepe en grote menselijke in zijn werk. En dit leest iedereen daarin tussen de regels en zinnen door, die dringen en draaien en afbreken, omdat ze van alles niets zeggen willen.

terug  begin  verder