‘Jo de Wit, schrijfster van “Donker Geluk”’, staat op de titelpagina. ‘Donker geluk’, de eersteling van deze schrijfster, was een bundel schetsen, waarmede zij terstond, wat men zo noemt, naam gemaakt heeft.
‘Donker geluk’ was een bundel schetsen. ‘Je moet ze niet allemaal achter elkaar lezen’, zei een vriend, die me de lezing aanried, ‘want ze zijn een beetje hetzelfde.’ Maar hoe gaat zo iets: ik nam een avond voor ‘Donker geluk’ en las ze allemaal. En ik vond, dat ze niet allemaal een beetje hetzelfde waren, ik vond dat in al deze schetsen slechts één ding was uitgedrukt. En dat ene ding was een zekere stemming, een stemming van plotseling ontwaken uit de hartstochtloosheid der jeugd, een stemming van verward hunkeren, van losgeruktheid, van doelloos en smartelijk begeren, van teleurgestelde bevrediging. En ik begreep de titel Donker geluk. Daar was iets in van ‘Sturm und Drang’ en vooral van ‘Himmelhoch jauchzend, zum Tode be-
trübt’. Nu waren de personen, die in haar schetsen optraden, echter wel allemaal een beetje hetzelfde, d.w.z. volkomen onpersoonlijk. Het waren geen mensen, mensen zijn allemaal anders. De schrijfster had de schetsen geschreven voor die ene zekere stemming, die ik zoëven trachtte aan te duiden, en haar personen liet ze als 't ware dienst doen als paaltjes, waartussen zij die stemming uithing. Ik voor mij vind dit een averechtse wijze van schrijven. De stemming zelve bovendien verkreeg zodoende weinig diepte, weinig ‘atmosfeer’, werd wat vlak. En de verhalen verkregen de ‘onechtheid’ die nu eenmaal een stemming eigen is. Zo wordt van wie weinig heeft nog ontnomen wat hij heeft.
‘De branding’ is echter een ernstiger geval. In twee betekenissen. Ten eerste is dit niet langer een schets, maar een roman, en ten tweede is hier niet langer van een stemming sprake, maar van een daad. Ik heb ergens gelezen dat het wenselijk geweest ware, dat de schrijfster deze roman, tot een schets verkort, aan de bundel ‘Donker geluk’ had toegevoegd. Ik ben het daar volkomen mee eens. ‘In der Beschränkung...’ enz. Maar dit uiterlijke bezwaar loopt geheel parallel met het meer innerlijke bezwaar: dat hier niet langer sprake is van een stemming, maar van een daad. Een stemming is ten slotte voorbijgaand, onschuldig, ‘kan geen kwaad’, maar men kan van een schrijfster, die een daad beschrijft, vergen dat zij beseft, dat zulk een daad voor het leven beslist en dus ernstig is. Let wel, ik verg niet dat zij zulke diepe, hevig-ingrijpende daden vermijdt, ik verg dat men ze beseft. En dat zolang men ze niet beseft, men ze vermijdt of wel zich tot stemmingen bepaalt. ‘In der Beschränkung...’ enz.
Deze roman ‘De branding’ beschrijft een jong meisje, dat Hellen heet en denkt, dat ze schilderes is. Ik geloof, dat de schrijfster dit ook denkt, al geeft ze hier en daar, wanneer ze andere schilders beschrijft, blijk beter te weten wat een kunstenaar is. Deze Hellen heeft natuurlijk een minachting voor haar omgeving, een adoratie voor wat ook artiest is, wordt sentimenteel bij het zien van kinderen en bloemen, die zij schildert, en voelt
eigenlijk voor iedere man die zij ontmoet een vage verliefdheid, weer niet meer dan een stemming, maar die ze zo gewichtig voelt, dat het haar te zwaar wordt. Van liefde is bij haar eigenlijk nooit sprake, iedere verliefdheid kan echter als 't meeloopt tot iets als liefde groeien. Haar leven wacht eigenlijk op de man die geduld en energie genoeg heeft. Ze is dan ook niet van af het eerste moment in de macht van Ernst de Wale, de beroemde geniale schilder van wie zij les krijgt, en als het zover is, vindt hij geen zweem van weerstand, hoewel zij weet, dat hij getrouwd is, kinderen heeft en dat zij niet zijn eerste maîtresse is. De rest van de roman verhaalt hoe hun verhouding langzaam verloopt, Ernst gaat onverschillig aan 't werk, Hellen zet zich met enige inspanning over haar verdriet heen.
Nu moet iedereen weten wat hij van zo een ‘vrije liefde’ denkt, maar van de schrijver verg ik dat hij beseft, waarover hij schrijft. Vrije liefde moge evenals vrije verzen een gewaagdheid zijn, die soms groot is van een zekere bewuste roekeloosheid, men moet in 't oog houden dat een onnodig en klakkeloos wegsmijten van 't mooiste wat de mensheid heeft, niet anders dan ‘zonde’ kan genoemd worden. En 't mooiste wat de mensheid heeft vind ik nog steeds het meisje en de moeder. En wie daar niet ernstig bij stil staat, hem is het menselijke vreemd. Zeker, we kunnen spelen met het leven, als we dan maar beseffen dat wij ons hart in pand hebben gegeven, zoals Hélène Swarth zegt. Zulk een spel met zulk een onevenredige inzet mag men spelen. Maar als men niet weet dat het zonde is, proeft men nog niet eens de zoetheid van de verboden vrucht. En voor zulke jammerlijke verkwisters kan men alleen vergeving vragen, omdat ze niet weten wat ze doen.
‘De branding’ beschrijft ernstige dingen, maar ik hoorde nergens een toon van ernst. Zo gaat men langzamerhand denken dat het een boek van bedrog is. Ik weet wel dat de schrijfster hier en daar fris en fijn de natuur kan beschrijven: het plonzen van eendjes in het water, het kantelend vallen van een blad langs het venster, maar de beschrijvingen hebben niet meer be-
lang dan deze gebeurtenissen, zelf, al zijn ze ook vaardig met de stemming van de heldin verweefd. De beschrijving daarentegen van de vlinders die aan de lamp dood-schroeien is niet totaal mislukt, maar het verbaast ons, dat Hellen uit dit meer-gebezigde beeld niet eens de voor de hand liggende les leert en het ergert mij, dat ze gevoelloos en hoogmoedig het slotwoord van de roman uitspreekt: ‘De vlinders zijn dood, maar ik leef.’
Dit is erger dan de banaliteit van het beeld, want dit is bedrog.
Het bedrog en de zelf-verblinding uit zich ook in dit: dat een ploertig kunstenaar als De Wale excusabel wordt voorgesteld. Reeds in 1902 merkt Van Deyssel hetzelfde op naar aanleiding van ‘Annie de Boogh’ van Herman Robbers. ‘Een ietwat ploertige beursheer is niet een edel schepsel. Neen, neen; maar een ietwat ploertige orgeldraaier even-min. Ik geef de voorkeur aan een ietwat ploertigen beursheer -.’ Bedrog is ook de voorstelling dat Hellen het in de kring der normale familie van haar vader, moeder en zuster niet uk kan houden, omdat zij een ‘exceptioneel wezen van verfijnd mijmeringsleven is’ (v.D.). De schrijfster leze ook dienaangaande nog eens waar Van Deyssel hetzelfde in Annie de Boogh afkeurt (Zevende bundel, blz. 107-111). Hebben we dan sedert 1902 niets geleerd?
Waarom schrijft Jo de Wit? Ik geloof alleen omdat zij wat men noemt een vlotte pen heeft. Let wel: zij heeft geen stijl, maar zij heeft een gemakkelijkheid van schrijven. Hiermee hangt samen, dat haar gedachten niet eigen, maar zeer traditioneel zijn. Het schilders-atelier is een veranderd decor, het huiselijk milieu doet denken aan Robbers, de ‘vrienden’ aan De Meester, enz. Men behoeft niet eens de grenzen over om aanknopingspunten te zoeken. Nu is de jeugd doorgaans gehoorzaam, traditioneel. Eerst op rijpere leeftijd vindt men eigen gedachten en tendensen. De grootste verdienste der jeugd is meestal zuiver te kiezen. Jo de Wit heeft echter verkeerd gekozen. Voor haar genre had ze ‘De koele meren des doods’ moeten herlezen en ‘Eline Vere’, om weer in het binnenland te blijven. Ik ben bang dat ze hopeloos met haar tijd in de war zal komen, als ze blijft
voortleven. Ik ben bang dat ze b.v. professor Bernhardi en Shaw gelijk zal geven, dat ze Romain Rolland mooi vindt en Pallieter niet, dat ze van Toorop houdt, maar nooit de Bijbel herleest. Natuurlijk, wij zijn allemaal traditioneel. Maar daarom dragen we toch ook niet de mode van 1902?