terug  begin  verder

Frits Hopman
‘Nachtwaken’

Gaat ook de tijd sneller, nu wij sneller gaan? Helpt het ons niet dat wij ons haasten? In vorige eeuwen werd de zandloper om de zes uur omgekeerd, thans tikken de horloges iedere seconde. Goethe reisde weken en weken per diligence van Weimar naar Rome, wij reizen daar heen in twee dagen. Maar wat helpt ons deze haast? De tijd, wiens ironie ons intellect overtreft, heeft eenvoudig zijn tempo versneld. En wij blijven kleine Duimpjes in onze zevenmijls laarzen.

Ook de schrijver Frits Hopman heeft de tijd deze parten gespeeld. De telkens versneld voortjagende mensheid leest geen dikke romans meer. Die waren goed in de eeuwen dat men zich zoals Goethe in de diligence, of, zoals de Engelse aristocratie, aan het haardvuur een winter lang verveelde. De twintigste eeuw echter vraagt lectuur voor het ogenblik dat men zich in de tram verveelt, voor de autorit op weg naar het kantoor, voor het wachten in een file, voor de underground, voor de lift. Want hierin bestaat de tragische ironie van de tijd: in de eeuwen dat men zich niet haastte kon men zich een hele winter lang in zijn bibliotheek terugtrekken, maar in deze moderne eeuw, waarin men zich overijlt om tijd te sparen, houdt men slechts enkele seconden voor zijn genoegen over. En men eist dus lectuur voor seconden.

De theaters, meer van het publiek afhankelijk dan de schrijvers, gaven dan ook terstond korte stukken, één-akters, cabaret. Men kan te laat komen, men kan ieder kwartier weer weglopen. De onafhankelijke schrijvers echter vervreemdden zich

[p. 41]

met hun zware literaire boeken van het publiek, vormden hoe langer hoe meer een heimelijk geïsoleerde en tevens iet-wat verwaande kaste van willens-en-wetens onmaatschappelijken. Zij schreven hun romans voor elkaar, voor een paar dilettanten, voor enige vrouwen die nog niet iets te doen hadden. Het publiek behandelde hen alsof ze al dood, in 't gunstigste geval alsof ze klassiek waren.

Wie wat lezen wilde in zijn vrije minuut, greep naar een krant. En als er een onbevredigde behoefte, na het feuilleton, nog in de ziel van de lezer hunkerde, nam hij in godsnaam een dik boek ter hand, verslond de eerste twintig bladzijden en bevond zich juist behagelijk in een vreemde wereld van stemmingen en gedachten ingelijfd, als de onverbiddelijke seconden-wijzer van zijn pols-horloge het minuutje bijna had omgetikt. Dan sloeg hij wanhopig de bladen bij tientallen om, tot hij zich van 't verloop en het besluit der intrige had meester gemaakt, klapte 't boek voldaan dicht en vluchtte.

De Amerikanen hebben toen de z.g. ‘short story’ uitgevonden. In een bestek van een paar honderd woorden moet de behoefte bevredigd worden van de hunkerende ziel van een feuilleton-lezer. Dit eist een eigen techniek, de techniek van de spannende beperking. Juist door haar kortheid, moet de intrige worden toegespitst, juist omdat de stemming ons slechts even frôleert, kan ze zonder hinder bizar en apart zijn. Dit zijn de twee elementen van de ‘short story’: de bijzondere grillige stemming en de natuurlijke enigszins anekdotische intrige. De stemming fantastisch, desnoods barbaars, maar fantastisch, want ze moet de lezer even uit zijn levenshaast verlossen. De intrige reëel, levens-echt, in een kort tijdsverloop zich afspelend, want de lezer moet blijven hopen dat ook in zijn overhaast leven zo iets als het gelezene mogelijk is. En dat alles in een paar honderd woorden! Dit eist een merkwaardige virtuositeit. Men zal zeggen, dit is als een schilderij in een vooraf-vastgestelde lijst schilderen; men geeft een lijst en vraagt daar een schilderij in. Maar ik zou daarop kunnen antwoorden: wat is een muur-schilde-

[p. 42]

ring anders? En gebrand glaswerk in een kerkvenster? Is ten slotte niet alle kunst een overwinnen van eisen? Is het niet voor de kunstenaar een groter taak de wetten en beperkingen door de mensheid gesteld te beheersen dan de zelfgestelde?

Frits Hopman deelt in een voor-woordje mede, dat zijn dag bezet is door een bedrijvig leven, dat hij daarom alleen de nachturen overhoudt voor zijn pretentie-loos werk. Vandaar de titel ‘nacht-waken’ waaronder hij een twintigtal korte verhalen bundelt. Hij is, voor zover ik weet, de enige schrijver in ons land die een ‘short story’ schrijven kan. Maar laat ik er terstond aan toevoegen dat er geen één dezer kleine vertellingen smetteloos is. Meestal slaagt hij voortreffelijk in het weergeven van het eerst door mij aangeduide element: de fantastische stemming. Elk dezer verhalen heeft een geheel eigen en een geheel aparte sfeer. In het tweede verhaal, dat ‘Travestie’ heet, beschrijft hij b.v. uitstekend het interieur van een Engels bisschoppelijk paleis. In een ander voert hij u naar een bal in Moskou, naar een oorlogsschip, tussen Italiaanse oplichters, in de oerwouden van Brazilië waar vlees-etende planten zulke reusachtige afmetingen hebben dat ze mensen kunnen vastzuigen. Dan weer zijn we aan de Afrikaanse goudkust, in een vredig Engels heuvellandschap, in een Duits dorpje, in een opiumkit. En telkens is de beschrijving van de bijzondere sfeer weergaloos knap en beknopt. Ieder woord dat te veel was werd geschrapt. Maar ieder woord dat is blijven staan, roept de merkwaardige stemming waarin het verhaal zich afspeelt op. We zouden ons hier en daar kunnen stoten aan een iet wat hinderlijk-vrijmoedig, studentikoze toon. Maar is zulk een toon geheel te vermijden in verhalen als deze die zo geheel van uit een soort intellectuele ironie geschreven worden?

Wat het tweede element der ‘short story’, de intrige, betreft, daarin is de schrijver in geen dezer verhalen geslaagd. De anekdote mist hier doorgaans wat men noemt ‘pointe’. De laatste bladzij van iedere story is meestal de slechtste. Dit is soms bijzonder onaangenaam als b.v. in het overigens zo voor-

[p. 43]

treffelijke ‘Travestie’. Nog erger is dit gemis voelbaar in 't nog voortreffelijker ‘Clairvoyance’. Hoe beter een verhaal, wat sfeer en opzet betreft, is, des te kwalijker verdragen wij het wegblijven van de passende ‘pointe’.

De schrijver geeft ergens de raad: de lezer moet van dit verhaaltje maken, wat hij kan. De lezer echter zal daartoe niet altijd geneigd zijn als hij bemerkt dat ook de schrijver van het verhaaltje niet er van gemaakt heeft wat de schrijver kan. Laat ik een voorbeeld geven. In een novelle van vier bladzijden, getiteld ‘Waar Oost en West elkaar ontmoeten’, beschrijft Hopman een Engelse society-dame die voor het eerst een Japans aristocraat bij zich ontvangt. Hij komt theedrinken. Nu verbiedt de Europese convenance dat de gastvrouw zegt, dat het bezoek lang genoeg geduurd heeft, wat de Japanner niet weet: terwijl daarentegen de Japanse vormen eisen dat een gast niet eerder heengaat, alvorens verlof te hebben tot vertrekken, wat de Engelse dame niet weet. De gastvrouw moet dus, ofschoon met verwondering en tegenzin, de hoge gast, omdat deze niet vanzelf afscheid neemt, uitnodigen om te dineren, wat de Japanner, ofschoon met verwondering en tegenzin, moet accepteren. Om dezelfde reden en met dezelfde gevoelens moet de Engelse de Japanner verzoeken om van de logeerkamer gebruik te maken, als hij de gehele avond blijft ‘hangen’. Zij zijn zo beiden martelaars van hun etiquette. De Japanse baron blijft logeren, blijft ontbijten. Ze zijn beiden radeloos, maar blijven natuurlijk correct en spelen virtuoos ‘de klucht van benarde hoffelijkheid’. Dit had zo nog dagen, weken kunnen voortduren. Dan was men onder het streng vasthouden aan verschillende etiquetten inderdaad het geheim duel gaan voelen tussen Oost en West. Dan was deze ‘klucht’ niet ‘vlinderteer’ en niet belachelijk geweest te midden van ‘het brute, vergruizelende leven van de Londenpoel’. Maar - en nu verkleint Hopman het gehele gegeven door de zelfbewustheid van de Engelse gastvrouw te verkleinen - na het ontbijt belt mrs. Stodhart een huisvriend op, die haar de Japanse etiquette uitlegt. Zij laat terstond de Euro-

[p. 44]

pese vorm varen en geeft de Japanner verlof tot vertrek, die binnen vijf minuten op straat staat.

Mijn opvatting van het verloop van dit betekenisvolle gegeven is in 't kort de volgende. De gastvrouw, ofschoon door de huisvriend op de hoogte gebracht van de Japanse gewoonte, had haar Engelse conventie daarvoor niet moeten verloochenen en prijsgeven. De Japanner, van zijn kant, wordt door een huisknecht onberispelijk-discreet op de hoogte gebracht van het Engels gebruik dat een gast de zelfoverwinning moet hebben om afscheid te kunnen nemen, maar blijft desniettemin der Japans conventie getrouw. De partijen kennen nu elkanders wapen, hebben die aan elkaar gemeten, en het duel begint. Hooghartig en hardnekkig, maar soepel en elegant, pareren ze elkanders bedachtzame aanval. De strijd wordt verwoeder maar omzichtiger naarmate de tegenstanders elkaar in hun kwaliteiten van gast en gastvrouw overtreffen. Een kring van oogknippende bekenden en giechelend personeel zijn de zwijgende getuigen van dit oost-contra-west. Want nu eerst zijn beide werelddelen vertegenwoordigd in het tweegevecht der waardige gewoonten.

En de afloop? zult ge vragen. Hoe wordt dit ‘combat de convenance’ beslist? Er is meer dan één mogelijkheid.

Het is nl. mogelijk dat een der partijen tenslotte verliest, waarop de ander met stille triomf congé neemt of geeft. Maar ik verwerp deze mogelijkheid als in strijd met de opzet en als tendentieus partij-kiezend voor oost of west. Een tweede: de Japanner pleegt harakiri (na natuurlijk buiten het huis van zijn gastvrouw gevlucht te zijn om haar onaangenaamheden te besparen). Een derde: ze hebben elkaar begrepen. In hun onderbewustzijn wilden ze eigenlijk niet uiteen gaan. Ze ‘krijgen elkaar’.

Maar ik geef deze bevredigende apotheose voor beter. Want ik ben lang zulk een voortreffelijk ‘short-story-teller’ niet als Frits Hopman.

terug  begin  verder