‘Vondel vertegenwoordigt onder ons eene dier nobele vergissingen, waarop natiën eeuwen lang teren kunnen’, schreef Busken Huet in 1867 ter gelegenheid van de Vondel-viering. En die nobele vergissing bestaat in 't kort hierin: dat wij stil stonden bij onze welvaart, dat wij de zelfbewustheid en de rijkdom, die ons door de 80-jarige oorlog en de Indische reizen deelachtig werden, slechts tot een materieel breed leven aanwendden en geenszins tot een verdieping van onze geestelijke waarde. Van
deze stilstand werd Vondel de dichter, de grandioze virtuoos, Vondel, de Vlaming, met zijn rijke materiële retoriek, Vondel, de dichter uit het land waar Rubens schilder was. Hij was eigenlijk de laatste en verreweg de grootste der rederijkers. Hij bleef als zodanig een dienaar, een dienaar van zijn grote tijd. Zijn alexandrijnen waren de weelderige draperieën om de toen algemeen geaccepteerde gedachten. Van een zelfstandige bezieling is bij hem zelden sprake. Hij is de lofredenaar bij uitstek bij een of andere gebeurtenis, hij is de puntdichter onder de portretten zijner voorname en invloedrijke vrienden. Zo valt tevens te begrijpen waarom deze renaissancist nimmer ‘het keurslijf van het bastaard klassicisme’ heeft afgelegd. Om weder met Huet te spreken: ‘Elk oogenblik is het, of hij voor goed op eigen wieken zal gaan drijven; en, evenals de geboeide arenden in onze diergaarden, zit hij na een vleugelslag drie vier weder aan de oude plaats geketend. - Met dit onderscheid evenwel, dat zijne gevangenschap hem dierbaar is.’ Ik ben het echter met Huet volstrekt oneens, wanneer hij zegt, dat hierin de reden schuilt waarom reeds bij zijn leven zijne wegen en die der Nederlanders meer en meer uiteen zijn gaan lopen. Vondel is thans impopulair, maar hij was dit geenszins in zijn eigen tijd. Hij was iemand, waarmee men in Amsterdam rekening hield, en waarschijnlijk ernstiger dan met Cats. Eerst later is hij ten slotte voor het nageslacht onvruchtbaar gebleken. Vondel en zijn tijd hadden elkaar nodig, om het woord vlees te doen worden. Hij was het die ‘ten behoeve van de gemeenschap decoratieve ensembles schiep’ (Schmidt-Degener). Vondels voldane tijd zat, zoals zijn standbeeld zit, in zijn eigen park. Het was de tijd, die zonder begrip en liefde van zich afstiet wat nog rusteloos verder wilde; de tijd die een geestelijke voortgang loochende. Het was de tijd, die zijn grote zelfstandige geesten met zijn zwaarte neerdrukte en vernietigde, die in eigengerechtigheid Rembrandt, Spinoza, De Groot, De Witt uitdreef. Maar het was tevens de tijd waarin men gelukkig leven kon, als men maar wilde meeleven. Enerzijds had zich om Hooft heen een uitgelezen kring
van ‘beaux esprits’ in arcadische afzondering op 't Muiderslot verzameld, waar een ‘grandeur’ van stijlverfijning en eruditie werd bereikt die een spoedige décadence verborg. Anderzijds was de welvaart tot in de onderste lagen van het volk doorgezakt wat aanleiding gaf tot de meest specifiek-Hollandse kunst van Breero en Jan Steen.
Ik kan onmogelijk in dit bestek hier nader in treden, maar wil alleen aanduiden, dat er in die tijd twee dichters waren, die zowel de ene als de andere richting hebben omvat; ik bedoel Huygens en Vondel.
Huygens, de ‘even geleerde als galante’ Huygens, zoals Mevr. Laman Trip zegt, de vriend van Frederik Hendrik, Huygens die geheel Europa kende, droeg het hart der stoutmoedige matrozen en kaapvaarders onder zijn kraag van sierlijke kant. Hij was een wereldburger en een stedeling. Hij leerde als Hooft van de Italianen de zuivere plastiek, van de Fransen de geest van het intellect. Maar hij hield zijn Hollands hart warm en ontroerd. Hij had de ronde deugd van een eenvoud en moed die ons volk kenmerkt sedert mannen als Marnix en Willem de Zwijger. Hij was met zijn ‘Voorhout’ en zijn ‘Scheepspraat’ de Hollandse dichter van zijn tijd. Ik heb deze beide gedichten vaker en met meer werkelijke gemoedsbeweging herlezen dan welk gedicht van Vondel ook. En ik geef u slechts het recht dit, als zijnde een persoonlijk oordeel, te verwerpen, wanneer u eerst ze nogmaals hebt ter hand genomen.
Vondel echter beschikte over oneindig veel meer wat de Engelsen noemen ‘poetical power’. Ende zware welvaart van zijn tijd gaf aan zijn verzen die grote zwaai, waardoor ze boven het werk van bijna alle Hollandse dichters uitmunten. Huet haalt, om de betekenis en het nut van Vondel voor ons aan te duiden, de anekdote aan van de Franse docent in de oude talen, wie men vroeg waartoe het Grieks diende, en die aanstonds gereed was met het antwoord: om het te onderwijzen. Dit heeft, volgens Huet, dieper zin dan men bij de eerste oogopslag gelooft. ‘Zoo ligt ook in de schijnbaar paradoxale stelling dat
Vondel allereerst dient om les in te geven, een kostelijke waarheid. Groot en weldadig is de paedagogische kracht die van Vondel uitgaat.’
Ook Van Deyssel, in zijn inleiding tot het boekje van Mevr. Laman Trip, is van deze mening. ‘Al ziet dus menig mensch tusschen het vijftiende en vijf en twintigste jaar slechts het uiterlijk van een groot dichter, toch kan het niet opvoedkundig heeten, hem buiten aanraking met dit voorwerp van beoefening te laten.’ Ik voor mij echter, al ben ik de gewraakte leeftijd voorbij, gevoel nog steeds de meeste belangstelling en waardering voor de uiterlijke hoedanigheden van Vondel, en ze worden levendiger, naarmate ik meer met ‘dit voorwerp’ in aanraking kom. Ik meen ook door de oppervlakte allengs tot in de kern te zijn genaderd. Maar het uiterlijk heeft mijn grootste bewondering en gevoel behouden. En ik denk dat Vondel evenzo dacht. Ik denk dat hij zijn ontwikkeling vooral wilde zien in de ontwikkeling van zijn techniek, telkens getoetst aan zijn geliefde meesters, Vergilius en Ovidius, ik denk dat ook zijn bekering tot de Katholieke Kerk vooral voortsproot uit zijn behoefte naar rijkdom van symbolische uiterlijkheid. Hij heeft niet, als Rembrandt en Spinoza, een steeds voortgaand geestelijk leven, dat aanvaardt en verder gaat in onverbiddelijke wereld-diepe consequenties. Hij heeft geen lichting, en vandaar weinig gevoel voor noodlot en ondergang (wat aan de meeste van zijn drama's schaadt). Hij is groot en uitgegroeid en het is rustig binnen in hem. Zoals Mevr. Laman Trip zegt: ‘Hij wil niets. Vondel heeft nooit iets gewild: zoo doelbewust is hij nimmer geweest.’
Er gaat van zulk een mens een grote kracht uit, een pedagogische kracht. Mevr. Laman Trip heeft ons de figuur van deze sterke mens uitstekend gegeven. Ook juist de beschrijving van Vondels omgeving, Utrecht eerst, Amsterdam later, die van zoveel invloed moet geweest zijn op een natuur als de zijne, is levendig en pittig aangegeven. Met een bekorend gevoel van menselijkheid zijn deze bladzijden geschreven. Een vlot essay
waarin echter, zoals waar de schrijfster de Jephta bespreekt, een innige ernst eenvoudig tot uiting komt.
Dat ik het hier en daar met schrijfsters denkbeelden niet eens ben, kan uit het bovenstaande blijken. Ik verwijs lezers die belang stellen in een mening over Vondel die meer met de mijne overeenstemt, naar het prachtige artikel van Schmidt-Degener in de ‘Gids’ van februari 1919, getiteld ‘Rembrandt en Vondel’. Ik erken gaarne daaraan veel te danken te hebben.