terug  begin  verder

[p. 57]

Madeleine Böhtlingk
‘Astrid’. Drama in vijf bedrijven, met een inleidend woord van Dirk Coster

Uit het voorwoord van Coster:

‘Het wezen van het dramatisch conflict, dat Madeleine Böhtlingk opbouwt: het is de levenskracht, die zich omhoog worstelt tot hoogere levensvormen. Het is met andere woorden juist als bij Dostojewski: de werking van het geweten. Maar hier is het geweten niet meer ‘de kleine heimelijke stem’, die het voor het Westersch bewustzijn was: het is de geweldige, sombere macht, die den mensch met schrikkelijke zekerheid omhoog dringt boven zichzelven, hoezeer hij ook worstelt om zich zelf te behouden. Hier in dit drama treedt de mensch niet meer geleidelijk omhoog tot zedelijke volmaking; een ziel ondergaat, met vertwijfelingen en woede, den onverbiddelijken doem om te stijgen.

Toch heeft dit drama niets ascetisch. Integendeel: de heerlijkheid der levenskracht, die overwonnen worden moet, verschijnt nergens verrukkender dan in de elementaire vrouwenfiguur, die dit drama beheerscht: ‘Astrid’, de natuurlijke koningsdochter. Door bedrog neemt zij de plaats in van de wettige koningsdochter, als gemalin van Olaf den Heilige van Noorwegen. Edelen hartstocht, levensvreugde en koningseer zoekt zij met dit bedrog, en tot levensvreugde en ‘prachtig bloeien’ is zij inderdaad geboren, - en toch vindt zij haar noodlot. Twee machten, wier bestaan haar natuurlijke vrouwelijkheid zelfs niet vermoeden kon, zetten zich door deze bittere wilsdaad als 't ware mechanisch aan het werk en verpletteren haar tenslotte en maken haar tot een armzalig en reddeloos schepsel. Twee machten: het geweten in haar binnenste, en de neerstraling van dat geweten in de werkelijkheid: de heiligheid van haar gemaal, de ziel, die het stille geweld zijner gelouterdheid neerstraalt in haar donkere natuur. Hoe haar roofdierlijk-schoone menschelijkheid door deze machten wordt vernietigd; hoe zij telkens weifelt en in doodsche ontzetting zich terugwerpt in haar eigen natuur, hoe

[p. 58]

zij zelfs den koning tracht te dooden om het stralende beeld, dat haar uit haar zelve trekt, te vernietigen; het drama zelf ontrolt dit in tal van hartstochtelijke scènes. Het zij aan den lezer zelven overgelaten hun loop, hun diepe verwikkeling en hun ontvouwing te volgen. -’

Ik kan niet beter de motieven en de daarin verwerkte problemen van dit drama weergeven, dan door deze lange passage uit Costers door de schrijfster als 't ware geautoriseerd, voorwoord over te schrijven. ‘Astrid’ is het eerste werk dat Madeleine Böhtlingk publiceert, maar ik aarzel niet te zeggen, dat het mijns inziens het beste dramatische werk is dat in ons land gedurende lange tijd, misschien wel tot Vondel, werd geschreven. Deze betekenis echter ontleent het werk bijna uitsluitend aan zijn grote opzet, aan de breedte van plan waarmee de figuur Astrid is ontworpen, aan de geweldige krachten die zijn aangeduid. Dat ook de schrijfster zelf haar opzet, haar plan, de aanduiding der krachten, als het belangrijkste van haar werk gevoelde, wordt uit het eenvoudige feit bewezen dat zij een inleiding, die dit alles aangeeft, blijkbaar noodzakelijk achtte en voorop liet gaan. Het gehele stuk, dat uit vijf bedrijven bestaat (een indeling in vier bedrijven met een voorspel ware zuiverder geweest), is eigenlijk een verteren van de basis. Als eenmaal de grondhandeling, Astrids bedrog, geschied is, wordt al het overige in de interne relatie der hoofdfiguren voltrokken. De daad van bedrog wordt tot berouw verinnerlijkt, maar deze innerlijke kracht wordt nimmer weer tot een daad veruitwendigd. Zo gebeurt de eigenlijke tragedie onzichtbaar binnen in het stuk. Alleen wordt zo nu en dan (b.v. in de scène van de bedelaar, het koek-eten, het vogelnestje, enz.) ons een indruk gegeven hoever reeds het proces, dat zich in Astrids ziel afwikkelt, is gevorderd. Zo zien we slechts hier en daar plotselinge reflexen van haar leven, maar nergens wordt, na het bedrog, een directe consequentie daarvan ten tonele gevoerd. Een grote daad schijnt Astrid, die toch eens de grote leugen beraamde en uitvoerde, niet aan te durven. Een grote daad, waarin de spanning

[p. 59]

van haar ziel zich zou kunnen bevrijden, een daad, waardoor wij zouden begrijpen dat haar leven voortging, voortging in verdere en heviger consequenties. (Ze had m.i. met Akke, de viking, moeten vluchten op de wrakke schepen, de dood tegemoet; schipbreuk of plotselinge landing; een onderkomen in de hut van Thore, de arme visser die het Moeder Godsbeeld stal; dood van Akke, vermoord door Thore; Astrid leeft als een waanzinnige op het eenzame kustland; Thore voelt zich machloos tegenover haar en vraagt hulp bij Olaf, die door Hjalte thans het bedrog van Astrid te weten is gekomen; laatste ontmoeting van Olaf en Astrid, beiden eindelijk rein, zonder bedrog, dat uitgeboet is, gelijkwaardig tegenover elkander. - Of, een geheel andere oplossing: Astrid vlucht, met Hjalte of Akke, naar Ingegerd, de echte koningsdochter, terug; ze weet Ingegerd tot Olaf te voeren; beslissing van deze tussen haar beiden). Zulk een grote daad, waarin de gespannen kracht van Astrids hartstochtelijk leven uitslaan zou, was zowel de karakter-uitwerking als de dramatisering van het stuk ten goede gekomen. Astrid lijkt, zoals het stuk nu is, voorzichtig en bewust. Zij mist, na het voorspel, de roekeloosheid en de grootmoedige daadkracht, waartoe ze tijdens het bedrijven van de leugen in staat bleek. Haar bekentenis, in het laatste bedrijf, is aarzelend en onvrijwillig, en wordt nog door Olaf haar afgedwongen en door hem geformuleerd. Zij was, denkt men, ten slotte iemand die haar enkele daad niet aanvaardde en de consequenties niet op zich nam. Consequenties zijn er eigenlijk niet. Er is één leugen, en het berouw daarvan, dat als een geweldige veer in haar binnenste kronkelend wordt samengedrongen, geen uiting vindt voor zijn werking, totdat het zich aan het eind plotseling in overspanning verslapt. Want in de laatste bedrijven zijn de (merendeels dan ook toevallige) gebeurtenissen geen daden van Astrid, maar enkel reflexen van haar zielsbewegingen, zoals ik al zeide. Vandaar ook het belang der uitgebreide toneel-aanduidingen, die zich niet bepalen tot feiten, maar tevens stemming en sfeer aangeven.

[p. 60]

Maar het prachtige en ontroerende van ook deze bedrijven is, dat, misschien juist door deze innerlijkheid, misschien door deze telkens weer verkropte daadkracht, een diepte van vertedering en een innige menselijkheid bereikt werden, die warm en levend zijn als bloed en ademhaling, warm en levend als het ritme van het proza waarin geschreven werd, als het inwendig ritme van de stijl van dit drama.

Omdat echter noch Astrid, noch Olaf, noch enige andere figuur, de uiterste consequenties van hun natuur metterdaad uitwendig beleven, lijkt mij, in tegenstelling met des inleiders mening, dit drama geenszins te noemen in verband met Dostojewsky. Men vergelijke het conflict tussen Astrid, Olaf, Akke en Ingegerd met de verhoudingen tussen Mysjkin, Natasja, Rogoschin en Aglaia uit ‘De idioot’ van deze schrijver. De richting der daar beschreven levens wordt in 't oneindige doorgezet en tot het laatste gevolg verscherpt en als 't ware daaroverheen nog voortgetrokken, terwijl de richting van Astrids leven in zichzelf dicht cirkelt. Veeleer zou nog, dunkt mij, een vergelijking te trekken zijn met Strindbergs grote koningsdrama's (ofschoon: - men stelle de daadloze Olaf, die nergens zijn gehele wezen verwerkelijkt, eens naast Erik XIV!) maar een vergelijking met het werk van Handel ligt, naar mijn mening, voor de hand. Dezelfde innerlijkheid der conflicten die tot een zekere lyrische dramatiek aanleiding geeft, dezelfde naar de diepte bewegende schakeringen. Er zou ook een belangwekkende studie te schrijven zijn over lady Macbeth, uit Shakespeares Macbeth, Astrid en Rebekka, uit Ibsens Rosmersholm. Wij zouden zien dat, eenmaal lady Macbeth en Rebekka door de lezer aangenomen, er geen verdere mogelijkheden uit deze figuren zouden te trekken zijn, dan reeds door de schrijver aangegeven en uitgewerkt. Wij zouden zien dat deze figuren volledig opgebouwd en omhoog gestoten zijn naar de breedte van haar basis. Terwijl Astrid, door de overwegende innerlijkheid der handeling, zichzelf verteert, en gedurende de loop van het stuk onevenredig versmalt.

Maar de grootste betekenis van dit drama, waardoor het wer-

[p. 61]

kelijk een zeldzame gebeurtenis is in onze toneel-litteratuur, zoals ik aan 't begin van dit opstel zei, is de basis, de opzet, die ik gelijkwaardig acht aan de gronden van bovengenoemde buitenlandse meesterwerken. Waarbij men bedenke, dat dit de eerste publikatie van de schrijfster is.

terug  begin  verder