Te Genève is onder leiding van Robert de Traz een internationaal maandschrift opgericht: ‘La Revue de Genève’ genaamd. Zij stelt zich voor in haar bladzijden werk te verenigen, van grote schrijvers van alle landen. In de eerste twee afleveringen, van juli en augustus, vindt men bijdragen van de bekende Franse essayisten Suarès, Thibaudet en Mauclair, novellen van de grote Engelse schrijver Joseph Conrad, van Maxim Gorki, de Rus, van Per Hoellström, de Zweed; men vindt er een uiteenzetting van de opmars naar Parijs, door de Duitse generaal Von Kluck; Ferrero schrijft over Italiaanse politiek, Piérard over het Belgische talenvraagstuk. Medewerking werd o.a. toegezegd door mannen als Bernard Shaw en Prezzolini, Seillière en Aubry.
In het augustus-nummer trof mij een korte studie van Edmond Jaloux, over oorlog en literatuur. Het eerste wat hij vaststelt is, dat tot op de huidige dag de oorlog geen invloed op de literatuur heeft uitgeoefend. Men beweert dikwijls het tegengestelde. Men is dan schijnbaar vergeten, dat al wat wij thans zien ontbloeien, reeds in 1910 zichtbaar was. De drie meest kenmerkende richtingen acht hij het nationalisme, de avonturenroman en het z.g. dadaïsme. Maar de exaltatie van het nationaal sentiment vond men reeds vóór de oorlog bij schrijvers als Péguy, de avonturen-roman bij Gide en Fournier, en het dadaïsme vindt men reeds geheel in het literair kubisme van Apollinaire, Jacob, Cendrars. Alleen voor de revolutionaire schrijvers schijnt de oorlog, maar meer nog het Russische Bolsjewisme
van grote betekenis geweest te zijn. Enerzijds echter draagt hun werk meer een politiek dan een literair karakter, anderzijds zetten zij een traditie van intellectuele anarchie voort, die nergens ooit ontbroken heeft. De oorlog zal, evenals de Napoleontische oorlogen, waarschijnlijk eerst een tiental jaren na zijn afloop een dieper invloed gaan uitoefenen. Wij zullen in 1930 een nieuwe literatuur hebben.
Voorlopig is het grote belang van de oorlog gelegen in een versnelde bewustwording van de vragen die ons reeds bezig hielden. Een crisis is merkbaar ingetreden. Maar al zijn de problemen ons helder voor ogen gekomen, dit wil geenszins zeggen dat haar oplossing gemakkelijk zijn zal.
Tegelijkertijd zijn mij twee Hollandse oorlogsromans in handen gekomen. De twee schrijvers, Van Bruggen en Salomonson, vogels echter van geheel diverse pluimage, hebben ieder op hun eigen wijze de oorlog als een donkere achtergrond voor hun boeken aangewend. Het kan van belang zijn, contrasten te vergelijken.
Het boek van Van Bruggen brengt ons in een gebombardeerd dorpje. Een gedeelte der bevolking is in een onderaardse schuilplaats gevlucht. De meest typische vertegenwoordigers van deze kleine maatschappij zijn aanwezig: een priester, een schoolmeester, een veldwachter, een fabrikant, een burgemeester, daaromheen een donker gewoel van arbeiders, vrouwen, kinderen. De gemeenschappelijke nood, de angst, die hen tezamen dringt, het rantsoen dat onder hen gelijkelijk wordt uitgedeeld, alles drukt hen in de bekrompen ruimte nauwer bijéén. Ten slotte, als de uitgang door de instortende kerktoren versperd wordt, als zij met elkaar voorgoed van de buitenlucht zijn afgesneden, als binnen enkele uren een verstikking dreigt, dan is deze reddeloze menigte zo hecht in een laatste strijd op leven en dood verenigd, dat alle individuele verschillen die hen scheidden, wegvallen, dat zij aan elkander bekennen dat deze individuele verschilpunten fout en zondig geweest zijn, dat zij bijna juichend het plan maken om voor de enkele momenten die res-
ten, een nieuwe samenleving te stichten, van mensen onder gelijke mensen, zonder verheffingen van persoon en stand. Zij zijn samengedrongen als struikgewas, zij voelen de gemene wortel, terwijl iedere ademhaling het gemeenschappelijk quantum lucht vermindert, terwijl ieder leven dat van de anderen inkort.
Terwijl deze langzaam tezamensnoerende natuurwet zich onder de grond voltrekt (‘a touch of nature makes all world akin’) worden we boven de grond telkens in een militair veld-hospitaal gebracht, waar door gelijke pijn en doodsangst soldaten van alle natiën zich verbroederen. De hoofdstukken voeren ons om beurten onder en boven de grond. Terwijl de burgers in de kelder een gemeenschap vinden door het opheffen van ongelijkheid, vallen tussen de soldaten de onderscheidingen van sentiment en temperament weg, doordat zij allen ten slotte kinderen zijn gebleven, doordat bij hen allen een eender-gestemde kindheidherinnering over blijft nu de pijn hun leven vernietigd heeft. Zij leren gezamenlijk het vergeten ‘Onze Vader’ weer bidden voor het sterven, ze troosten elkaar met heilslegerliedjes.
Dit had alles zeer groot en ontroerend kunnen zijn, zeer groot deze gemeenschapsziel, ontstaan uit de samensmelting der opgeloste persoonlijkheden, zeer ontroerend, deze primaire liefde en offermoed. In 1912, dus vóór de oorlog, publiceerde Jules Romains zijn drama: ‘L'Armee dans la ville’, waarin geen persoonlijkheden, maar slechts vertegenwoordigers van groepen optraden. Romains had opgemerkt dat een menigte een eigen ziel heeft, die gehéél anders is dan de som der haar samenstellende delen. Een schouwburg, een kazerne, een volksoploop spreekt andere oordelen uit en ageert anders dan elk der individuen afzonderlijk zou gedaan hebben. Hij formuleerde dit door van de ‘vie unanime’ van een menigte te spreken. In zijn stuk ‘L' Armée dans la ville’ treden geen eigenlijke persoonlijkheden op, maar de woordvoerders zijn als 't ware stemmen die de ziel der groep, welke zij vertegenwoordigen, uitspreken. Maar we voelen dan ook achter iedere stem de donkere stuwing van dui-
zenden. Een vijandelijk leger is de stad binnengerukt, leeft op haar kosten en vernedert de burgers. Er ontstaan in de kroegen vechtpartijen tussen de hooghartige soldaten en de verarmende burgers. Er wordt ten slotte een opstand beraamd. De vrouwen der stad zullen de vijandelijke officieren, met wie ze heimelijk omgang hebben, in één afgesproken nacht tot zich lokken en allen ombrengen, terwijl de mannen het aldus kaderloze leger zullen overvallen en verdrijven. Deze daad welke alleen mogelijkheid heeft bij een volkomen wegcijfering van persoonlijke gevoelens, wordt gerechtvaardigd door het gemeenschapsbelang en is in dit stuk waarin slechts menigten optreden volkomen op zijn plaats. Het conflict tussen stad en leger wordt dan uitgevochten rassen de burgemeestersvrouw en de generaal, die zij voor haar rekening heeft genomen.
Van Bruggen heeft getracht ons zulk een ‘vie unanime’ te geven, maar daarin is hij slechts gedeeltelijk geslaagd. Want hij is niet positief, gelijk Romains, die een menigte verpersoonlijkt, hij is veeleer destructief; hij ontneemt de individuen hun eigenheid, en laat wat dan van hen overblijft tot een conglomeraat samenstorten, waarin nog wel leven trilt, maar zo ontredderd, zo ziekelijk en zo wanhopig en tevens idealistisch, dat de ironie van de dood een verlossing is. Daarom wekt dit boek niet de grote ontroering die de kracht en de passie van een unanieme menigte geven, het wekt weerzin en medelijden over de onttakeling der individuen. Deze onttakeling is eigenlijk het onderwerp van het boek, en daarom zijn tevens in hoogste instantie voor Van Bruggen toch de persoonlijkheden van het meeste belang geweest. In het geven van deze persoonlijkheden nu is hij allerminst geslaagd. De burgemeester, de schoolmeester, de priester enz. zijn meer kwaliteiten dan personen. Ze hebben ten slotte geen eigen leven gehad, ze hadden een betrekking. En als ze hun tekortkomingen bekennen, prediken ze de doelloosheid van hun ambten. Zo krijgt dit boek een and-maatschappelijke tendens, die geenszins verruimend werkt. Bovendien is hij klein genoeg om de groepen, die hij haat toedraagt, te personifiëren
in belachelijke figuren, zoals de fabrikant, de minister, de burgemeester, of in onmenselijke roofdieren, zoals de correcte batterij-commandant die met een zeker glimlachend genot al de ellende over dit dorp brengt. Ik behoef niet te zeggen dat deze figuren hun eigenheid handhaven, dat hun persoonlijkheid niet zo heilzaam gebroken wordt, als met de anderen het geval is, dat zij tot een algemeen menselijk leven dus niet in staat blijken te zijn. Ze handhaven zich, en werden, als mens, reeds daarom door de schrijver blijkbaar veroordeeld.