terug  begin  verder

J. de Meester
‘Vertellingen van vroeger en later’

Bij De Meester heersen twee strijdende machten: een wil tot objectiviteit en een romantisch hart. Zo begrijpen we hoe bij hem het ontroerd sentiment zich verlegen in de satire terugtrekt, hoe soms zijn gebaren ruw zijn van het geweld van een bedwongen gevoel, hoe zijn woorden soms hard zijn van een verkropte tederheid. Men merkt dit al in zijn stijl. De zinnen dringen, draaien en breken af. Er is een voortdurend inwendig conflict tussen zijn objectiviteit die het sentiment wil verzwijgen, en zijn oprechtheid, die weer niet verzwijgen kan, tussen objectieve juistheden en subjectieve waarheid, zou men kunnen zeggen. Tussen een bewustheid die er haar kracht in stelt zich aan de natuur onderworpen te verklaren, en een hart dat onoverwinlijk blijft reageren, onoverwinlijk, juist omdat het ontkend wordt, omdat er geen rekening mee gehouden wordt, omdat het zich veilig voelt weggestopt in zijn eenzaamheid.

Het is dan ook opmerkelijk, dat de meeste dezer vertellingen, die men in deze nieuwe bundel bijeengebracht vindt, tot onderwerp hebben een, laat mij zeggen, verscholen gevoel. Een verscholen gevoel, dat diep in de harten der helden of heldinnen dezer verhalen heeft verborgen gezeten, dat zich dan langzaam loswoekert en loswringt. Soms een jeugdliefde, soms een zonde, soms een teleurstelling. Meestal is dan gedurende een geheel leven van wilskracht en doelbewustheid zulk een gevoel

[p. 77]

verdrongen of beheerst geworden. En het verhaal beschrijft dan de inwendige werking van deze vreemde planten in de harten der mensen. Het zijn verhalen van onbegrepen hartstochten, van onbestemd heimwee, van vage troosteloosheden, of plotselinge onstuimige bekentenissen. Het zijn verhalen van harten die terug hunkeren naar het leven waaruit ze weggedrongen zijn, van harten die ontkend zijn tot zij krompen en verkleumden, maar die dan soms in pijn en wanhoop een uitweg baanden.

Er is één verhaal in deze bundel, dat ver boven al de andere uitsteekt. In dit verhaal werd het hart erkend, volledig erkend; met opzet werd het uit zijn schuilhoek te voorschijn geroepen, om dan bewust vermorzeld, onderworpen, verbeten te worden. Het is een vertelling van diepe, van bodemloze gruwel. Het is van een gewelddadige meedogenloosheid, van een scherpe overrompelende ontzetting. Ik bedoel ‘De klompjes’. Een meisje, een kind nog, verdrinkt haar jonger weerloos broertje, omdat hun vader geleerd heeft dat men in de hemel gelukkig zal zijn. Het is de liefde van het meisje voor haar broertje, het is haar onwankelbaar geloof in hemel en geluk, dat haar de afschuwelijke daad doet verrichten. De realiteit van dit hart-verhaal is zo eenvoudig en bedwongen geschreven, dat ik niet aarzel ‘De klompjes’ een meesterwerk te noemen, dat men b.v. naast het beste van Tsjechof of De Maupassant zou kunnen stellen.

terug  begin  verder