terug  begin  verder

Karel Wasch
‘Dialogen’

Indien er de laatste jaren een essentiële fout in onze literatuur is ingeslopen, waaraan wij grotendeels het tegenhoud tot het bereiken van een werkelijk kunstwerk kunnen wijten, dan is dat wel de bijna dolzinnige beoefening der psychologie door de meesten onzer moderne schrijvers.

Niet de beoefening der psychologie als zodanig, die voor mid-

[p. 78]

delmatige talenten, aan wie niet de zuivere instinctieve psychologische kijk het meest primaire beginsel van hun genie is, zoals dat feitelijk bij een schrijver behoort te zijn, zonder twijfel tot enig resultaat kan leiden. Maar wel die psychologie die tot gegeven een daad neemt en zich ten doel stelt deze zuiver te ontleden. En dit, en niet anders, doet Karel Wasch in zijn dialogen.

Maar wat kunnen ons schelen de redenen of overtuigingen waarom een couple van doodgewone, banale, ofschoon enigszins geëxalteerde gelieven, er toe komt een geestelijk huwelijk te sluiten? (Eerste dialoog).

Of wat gaan ons de redeneringen aan volgens welke een ‘leerling’ tot het plan van zijn ‘meester’ gestegen is? (Tweede dialoog).

Wij hebben de verborgenheden der techniek niet nodig. Zij horen niet thuis op het gebied van de kunst, en zouden, indien hun verwikkelingen gecompliceerder en pathologischer waren, beter in de medische wereld op hun plaats zijn.

Het zijn alle, deze vier dialogen van Karel Wasch, niet anders dan schetsen, en dan nog middelmatige, ongeniale, van de meest primitieve opzet van wat de schrijver bedoeld heeft te schrijven.

En de psychologie er van is nog niet eens, zoals dat bij een schrijver behoort te zijn, een voor hemzelf alreeds weer overwonnen, en tot instinct geworden, bewustheid gebleken.

Men behoeft onder een schilderij niet te schrijven van welke samenstellingen de verven zijn, om het te doen bewonderen en begrepen worden.

En het is een waan-idee te denken, dat men, door de wijze, waarop iets gemaakt wordt, te verklaren, zijn schoonheid zou kunnen bewijzen.

Ik zou de schrijver, die tevergeefs ons een beeld tracht te geven van de fijnere verwikkeling in de verhouding der sexen, willen verwijzen naar de ‘Einakter’ van Strindberg, die ons, evenals het leven zelf, wel leren, dat het niet de bewustheid van de figuren zelf is, die de grote noodlottige conflicten schept, maar de bewustheid van de schepper, die het doel niet uit het oog verliest.

[p. 79]

Het schrijven van deze dialogen is even dwaas, als de berekeningen van een bergbeklimmer, die, na nauwkeurig alle moeilijkheden te hebben nagevorst, rustig zitten gaat en menen zou, daardoor reeds op de top te zijn aangeland.

terug  begin  verder