Toen Augusta de Wit indertijd met haar boekje: ‘Orpheus in de dessa’ voor de dag kwam, hadden we alle reden te verwachten en aan te nemen, dat deze kleine, sublieme novelle de belofte in zich droeg van belangrijk en zuiver literair werk voor de toekomst.
Maar ik geloof, dat die belofte niet is vervuld geworden. Is het, omdat deze schrijfster, zoals meerdere kunstenaars van deze tijd, feitelijk gebleken is een beter literator dan schrijver te zijn?
Of komt het, omdat misschien de grote figuren en gebeurtenissen van het leven slechts te ver van haar verwijderd en in een dichte nevel, als vage schimmen door hun schaduw vergroot, maar verdoezeld, aan haar zijn voorbijgegaan?
Wij herinneren aan ‘De wake bij de brug’, waarvan de toon ons te gewichtig, te plechtstatig, te veel belovend voorkwam, na de betrekkelijk onbelangrijk-lege inhoud van het verhaal.
En hier staan wij voor een ander geval. ‘De drie vrouwen in het Heilige Woud’.
Het is de geschiedenis van twee jonge meisjes uit de kampong, die sprekend op elkander gelijkende in jeugd en schoonheid, op dezelfde dag in het huwelijk treden. Een jaar later sterft de ene, Inten, bij de geboorte van haar zoon, terwijl de ander, Samirah, die geen kind heeft gekregen, uitgehoond en veracht om haar onvruchtbaarheid, een vereenzaamd leven leidt.
De oude moeder van Inten, die haar kleinzoon groot brengt, heeft in een droom een gezicht gehad, dat haar dochter herrij-
zen zou uit de dood op het graf van een heilige kluizenaar, in het ‘Heilige Woud’.
Onderwijl heeft Samirah, verstoten door haar echtgenoot, het plan opgevat naar het Heilige graf te gaan en daar, als bruid getooid, de zegen der vruchtbaarheid af te smeken.
Zo in gebed verzonken vindt haar de moeder van Inten, en de zwakzinnige oude vrouw, gelovend, dat een wonder geschied is en haar dochter uit de dood is herrezen, duwt Samirah het kind van Inten in de armen en voert haar in triomf als haar weer gevonden dochter naar huis. Zo is dan het wonder geschied.
Maar de schrijfster heeft het wonder niet aangedurfd. Vaag aanvoelend de grootheid van dit onderwerp, heeft zij getracht er een novelle van te maken. Maar niet bekend genoeg met de wonderbaarlijkheid van het wonder, niet voldoende begrijpend het waaróm van de oude moeder en van Samirah, heeft zij de werkelijke diepte angstig ontweken en er zich afgemaakt met die laatste pagina, waar de resident er bij komt en lacht om de domheid van dat volk, dat in Samirah de wedergeboren Inten meende te zien.
Zo doet zij onrecht aan haar eigen onderwerp en figuren. En zo doet zij hun ook onrecht door haar stijl. Die enigszins plechtige quasi-verheven stijl van een schrijver, die zelf tegen zijn figuren opziet, zonder er naast te staan en als broer en zuster er mede om te gaan. Zij stelt zich aan de voeten van het beeld harer ideeën, in plaats van ze op te nemen in haar eigen leven en ze te kennen als zich zelf.
En het doet ons even denken aan de begrippen van kinderen, die menen dat een koning alleen maar pasteien en taarten eet en dat zijn kok nog minstens een baron is.