Men zou zo oppervlakkig-weg kunnen denken: waarom zijn eigenlijk grote historische gebeurtenissen en grote historische personen zo belangrijk voor ons? Is eigenlijk niet ieder klein voorval van ons eigen dagelijks leven, is eigenlijk niet ieder mens die we ontmoeten, van meer directe betekenis voor ons dan helden uit een ver en verwijderd verleden als Garibaldi? Zeker, de verovering van Sicilië en Napels, dat waren indertijd geweldige gebeurtenissen, maar de acht-urige arbeidsdag en een rechtse Kamermeerderheid, zijn dat niet eigenlijk dingen van oneindig meer belang voor ons leven? Zou dus een kunst die zodanige onderwerpen behelsde, niet van veel meer betekenis voor ons zijn? En hieraan schakelen zich weer talloze overdenkingen vast, b.v.: ‘Is dan journalisme van meer belang dan “schone” kunst? Is dit de reden waarom in de tegenwoordige tijd met meer hartstocht de krant dan het boek gelezen wordt? Is er om zo te zeggen een conflict tussen krant en boek, tussen kunst en dagelijks leven?’
Indien er zulk een conflict bestaat, dan is dat zo gekomen omdat we niet meer weten wat kunst is, want wat het dagelijks leven is, dat weet iedereen. Er is een dwaas idee ontstaan, als zou ‘kunst niet voor een tijd, maar voor de eeuwigheid’ zijn. Maar kunst die niet eens voor zijn eigen tijd van belang is, hoe zal hij het voor volgende tijden zijn? Kunst ‘voor de eeuwigheid’ is onleesbaar en onbelangrijk. Wie de zes-en-twintig letters van het alfabet te gering acht voor de uitdrukking van zijn gevoel zal nooit een dichter zijn, en wie de zes-en-twintig feiten van het dagelijks leven niet kent, zal nooit als kunstenaar een wereld-aanschouwer kunnen zijn. En zoals de orde der letters een woord vormt, en weer de samenvoeging der woorden een zin, een zin die als gedicht of als ‘maxime’ de formulering zijn kan van een geheel leven, zo doet een overzicht der dagelijkse voor-
vallen daarin een wetmatigheid zien, en deze wetten weer vormen tezamen de ‘zin’ aller dingen, wier betekenis wijd als de wereld en diep als de geschiedenis is.
Op zulk een overzicht, op zulle een samenstellende orde is ten slotte alle geestelijke arbeidzaamheid der mensen gericht. En de kunst bekleedt daarin een functie die enig en daarom onmisbaar is, die ook geen enkel tijdperk heeft kunnen ontberen. Want terwijl wijsgerige, godsdienstige en wetenschappelijke wereldaanschouwingen hun wereldbeeld slechts kunnen uitdrukken in daarvan afgeleide, dus indirecte, begrippen en theorieën, zodat de mens om tot zulk een wereldaanschouwing te komen zich eerst de begrippen en theorieën moet eigen maken en dan pas later in de mogelijkheid gesteld wordt deze tot een wereld-omvattend geheel in zich te verenigen - terwijl dus zo doende alle wijsgerige, godsdienstige en wetenschappelijke geschriften als het ware nog maar inleidingen zijn tot een wereldbeschouwing, heeft de kunst als speciaal-onderscheidend element dat zij aanschouwt en tevens direct aanschouwen doet.
Dit beginsel aller kunst, nl. dat zij een onmiddellijk wereldbeeld tonen wil, maakt dat haar het dagelijks leven als een bijna onbruikbaar materiaal voorkomt. Want het dagelijks leven, met zijn geheimzinnige bewegelijkheid vlak om ons heen, is moeilijk te beheersen en tot één beeld samen te vatten. Vandaar dat kunst die dit zich desondanks ten doel stelt, meestal aan een der beide volgende tekortkomingen lijdt: óf ze ziet af van het geven van een wereld en beperkt zich, als z.g. kleinkunst, tot het geven van een naturalistisch detail-complex, en dan horen we in de beste voorbeelden, in de toon en in de stijl een bedwongen wereld-wijd gevoel, dat er de grootste betekenis aan geeft, en dat b.v. zeggen wil: ‘zo is nu de hele wereld’ en ‘herhaal dit detail, dan ziet ge alle mensen’, - óf ze ziet af van het onmiddellijkheidsbeginsel en construeert, als z.g. tendenskunst, uit het dagelijks leven één enkele gevolgtrekking die, als geconstrueerde hypothese, eerder een wijsgerige of wetenschappelijke ‘inleiding’, dan een onmiddellijke aanschouwing zijn kan.
Alleen al om de eenvoudige reden, dat wij van het dagelijks leven noch gevolg noch einde zien, is het voor de kunst een zo moeilijk - om niet te zeggen onmogelijk - materiaal. En alleen al daarom zal de kunstenaar naar het verleden, naar de geschiedenis grijpen om enig beeld te kunnen samenvatten, ook als hij een beeld wil geven van zijn eigen tijd. Want van de geschiedkundige feiten zijn hem oorzaak en gevolg bekend, en dit maakt een orde en een overzicht mogelijk. Meer nog: de geschiedkundige feiten en personen zijn als afgekoelde vormen van hun geestelijke betekenis. Een historische figuur stelt zijn betekenis voorop, we zien het eerst zijn einde. Terwijl dus in z.g. tendens-kunst de strekking een constructie blijft, is hier de uitkomst direct aanschouwelijk. De kunstenaar heeft slechts aan te duiden, en een symbool, zelf weer van duidende kracht, staat tegenover ons.
Dit doel bezielde de geschiedschrijving van Garibaldi's leven, dat het onderwerp uitmaakt van Henriëtte Roland Holsts laatste werk: ‘De held en de schare’. In haar voorrede zet de schrijfster de bijna pedagogische betekenis uiteen die zij hoopt, dat deze figuur voor het dagelijks leven van haar partijgenoten verkrijgen gaat door haar boek. Geen ander doel heeft waarschijnlijk eens Plutarchus bewogen tot het schrijven van zijn grote Levens. ‘Het was in dit werk mijn pogen, om aan de toekomstige strijders voor het Heil der Menschheid een spiegel voor te houden, waaruit de geest van onverschrokken revolutionnaire daadkracht, onverbrekelijk verbonden aan dien van grootmoedige menschelijkheid, hun heerlijk-vlammend tegenstraalt...’
Blijkt hieruit niet reeds, dat volgens de opvatting van de schrijfster haar geschiedbeschrijving, deze ‘spiegel’ van Garibaldi, eigenlijk een ding, een symbool is; een ding evenals een vaandel, evenals een helden- of heiligenbeeld, dat de kunstenaar aan zijn volk voorhoudt als een richting-duider en als een verwezenlijkt ideaal tevens? En wie zo de grote eenheid van zijn idealen verwerkelijkt voor zich ziet, hem zal het overeenkomstig ideaal
van zijn eigen leven mogelijker en bereikbaarder lijken, waardoor hij aan kracht en bezieling wint.
In hoeverre Henriëtte Roland Holst in een zekere historische objectiviteit moedwillig te kort geschoten is, in hoeverre zij het beeld van Garibaldi enigszins van háár zijde alleen belicht heeft, in hoever zij b.v. zijn onverschilligheid voor een monarchistische dan wel republikeinse staatsregeling in zijn, hoe dan ook, onafhankelijk en één geworden vaderland, naar haar wil heeft geïnterpreteerd, - dat zijn vragen van, voor haar doel, secondair belang, maar zij doen de grote eenvoud van dit doel duidelijker blijken. Toch maakt dit, zoals ook de overstelpende minutieuze historische details, haar held meer tot een personificatie dan een persoon. En zo loopt haar boek het gevaar, dat de jonge communist, wie zij deze ‘spiegel’ voorhoudt, daarin eerder zichzelf vergroot ziet dan het beeld van Garibaldi. En misschien zal hij dan onwillekeurig vergeten zijn, of de mensen een god maken naar hun beeld, of dat God de mens gemaakt heeft naar het zijne.