terug  begin  verder

Fenna de Meyier
‘Zondaresje’

Wat moet ik van het boek van Fenna de Meyier zeggen? Als roman heeft het niet de kwaliteiten die een uitvoerige bespreking lonen. De compositie is van weinig betekenis, de figuren zijn niet groot van opzet, de actie is alledaags, en de milieus, met hoeveel goede bedoeling van veelsoortigheid en afwisseling ook gekozen, blijven decors, zonder aan de realiteit van dit leven te doen geloven.

En toch is er iets in dit kleine boek waar men een woordje aan moet wijden, en dat dan ruimschoots de moeite loont er even bij stil gestaan te hebben.

Dat is de pretentieloze eenvoud waarmee de figuur van het zondaresje zelf gegeven is.

Kennen wij haar niet? Het mooie kind, deels onschuld, deels verderf? De nauw-ontloken zich ontplooiende kinderziel, rijk en overmoedig, levend half in dromende fantasieën, half in bittere realiteiten, in deze overgangsperiode van heftige en overgevoelige sensualiteit?

Weet ze dat ze onschuldig is? Weet ze dat haar zonden zonden zijn?

Meegesleept door het overmachtig instinct, van nature van een volslagen immoraliteit, behouden haar grote blauwe ogen de verbaasde opslag van een kind.

[p. 95]

Wat is zonde? Is het mogelijk van zonde te spreken waar deze zich zelf niet kent?

En wat begrijpt Paulientje van het leven? Wat beseft zij anders daarvan dan de lichte duizelende bedwelming, die het woord ‘leven’ op haar maakt? Beseft ze dat het leven niet slechts willoos geleefd, maar gewild en gedacht kan worden, dat daartoe het bewustzijn dient, dat iedere daad, iedere realiteit slechts scherp en pijnlijk is om ons daartoe te prikkelen?

Maar voor haar is het leven doelloze momenten: een lach, een traan, een extase, een ontgoocheling. - Weet zij dat een mens deze reeks van stijgingen en dalingen zelf kan bepalen?

Zij leeft, leeft met de heftige, egoïste, roekeloze spontaniteit van zielen, die altijd kinderen blijven zonder angst van tevoren, zonder berouw naderhand. Als onafwendbare consequenties van wat zij ‘het leven’ noemt, aanvaardt zij vreugden en verdriet. Wegens de oorlog uit Parijs gevlucht, alleen en arm in Holland, wetend dat over een paar maanden een kind geboren zal worden, klaagt zij niet, verwijt zij niets de man, die, ruw en zonder te beseffen welk een kostbaar kleinood aan hem was toevertrouwd, haar jong leven heeft vernield. Ze gaat in betrekking om voor haar en het kind de kost te verdienen. En als zij een vriend uit Parijs ontmoet, heeft zij weer de kracht niet haar leven op de rechte baan te dwingen, waarvan ze toch het nut niet inziet. In kleine schommelingen van deugd en zonde gaan de dagen voorbij - en het is eerst als zij de vriend uit haar jeugd ontmoet, de ernstige veel-oudere dokter, dat zij (omdat ze niets van deze liefde bewust wordt?) tot inkeer komt en haar leven tot in de grondslag verandert.

Dit is mijns inziens de zwakste passage in het boek. Men wordt niet wedergeboren, men wordt niet ontheven. Er is een jeugd vernietigd.

Ziehier het ‘Zondaresje’ - Paulientje met de grote blauwe ogen en het helle rosgouden haar.

Heeft Hamlet niet reeds gezegd, dat de schoonheid de deugd eerder tot zonde voert, dan de deugd de schoonheid tot de deugd?

terug  begin  verder