Twee moderne merkwaardigheden, twee ‘curiosité's esthétiques’, zonderling en bijzonder.
Men wordt zich weer bewust dat de taal, dat elk woord, een dubbele functie heeft. De eerste functie is van transmittoire aard: de taal is een brug, een verbindingsmiddel, de woorden brengen gedachten van mens tot mens. Hier is het woord ondergeschikt, niet meer dan een middel, kneedbaar, vloeibaar, een gehoorzaam instrument, onderhevig aan subjectieve accenten, hier maakt de toon de muziek. Aan de andere kant is de taal een zelfstandig ding, het woord is een apart materiaal waarin men als in elk ander materiaal, als marmer of klanken, psychische gesteldheden objectiveren kan. Het woord is een voorwerp, iets dat volgroeid is en vastgelegd, iets met een eigen be-
staan, langzaam zichzelf opbouwend uit duizend bestanddelen van eeuwenoude herinneringen, associaties en benamingen. De taal is een soort tweede natuur in onze wereld, een natuur van namen, schijnbaar als een formulering uit de natuur der werkelijkheid ontstaan. Maar deze natuur der namen, deze ‘tweede’ natuur, heeft een zo geheel eigen leven, is van zulk een volstrekte wetmatigheid, dat de menselijke geest de beheersing dezer natuur evenwaardig acht aan de beheersing der ‘eerste’ natuur, de natuur der werkelijkheid.
Maar meer nog. Evenals de mechanicus nieuwe werktuigen en krachten construeert volgens de aanwijzingen van de mathematicus die, door theoretische consequenties, verborgen wetten vond - evenals men met getallen en formules de vaart van onzichtbare sterren ontdekt en voorspelt - zo bestaat er in ons allen, misschien onbewust, het geloof dat wat niet in strijd is met de natuur van de taal ook in de natuur der werkelijkheid bestaan moet, al bleef het tot nu toe verborgen. Wie de wetten van het woord beheerst is een dichter, een trouvère, een ‘vinder’. Hieruit valt te verklaren het gezag van een gedicht. Wat men zó zeggen kan, moet ook waar zijn. En mocht soms de werkelijkheid de stoute en soepele sprongen van het woord niet kunnen nadoen, ja soms in tegenspraak zijn met de duizenderlei willekeurigheden en ‘gewaagdheden’, we zeggen met Hegel: ‘Schade um die Tatsachen’ en blijven aan deze tweede natuur, die de mens zelve gedistilleerd meent te hebben, de voorkeur hechten. Wat schaadt het of Hamlet en Don Quichotte niet bestonden? Wij kennen Pierrot en Faust beter dan mensen die we dagelijks ontmoeten.
Dit is de grootste en diepste taak van de dichter: niet het vertolken van zijn gevoel, hoe algemeen-menselijk dat ook wezen moge, waarbij dan altijd het woord slechts in wat ik als zijn eerste functie aanduidde, dus als middel, gebezigd wordt; niet het weergeven van de werkelijkheid, niet het beschrijven van wat reeds bestaat en wat wij allen reeds kenden; - de onafhankelijke en verantwoordelijke taak van de dichter is het hanteren van de
natuur der taal, zoals boven omschreven. Zijn beheersing en beeldvorming schept andere overzichten, nieuwe duidingen, die wij uit het leven en uit de werkelijkheid nog niet vermochten te ontraadselen. Juist dit buiten-werkelijke, dit onmenselijke en bovenmenselijke, geeft het ‘goddelijke’ dat aan het dichterschap wordt toegeschreven, het ‘vreemde’ dat alle kunst eigen is.
Een juist begrip van het bovenstaande maakt het gemakkelijker de ‘poèmes en prose’ die Frederik Chasalle in de bundel ‘Lampions in den wind’ bijeengebracht heeft, naar waarde te schatten. Het zijn geen subjectieve gevoelsuitdrukkingen die, hoe zuiver dan ook, steeds begeleidingen van het leven blijven - het zijn objectieve beeldvormingen die, hoe bizar en eigendunkelijk ook, iets ‘afgekoelds’ hebben, het zijn als het ware ‘woord-voorwerpen’, en er is, bij alle verstandelijke exactheid van stijl en woordkeus, iets zo hards, zo onpersoonlijks in dit proza dat deze kunst de schijn heeft, uit psychische onbewustheden voort te komen. Het is een dierlijk-wreed spel van doelloze woorden, uit ongekende instincten losgebroken, en tot barbaarse stijlschoonheid en zwier aangezet of tot wilder steigering boosaardig neergezweept. Zoals soms bij schetsen en Japanse tekeningen de voorgestelde gestalte niet meer is dan een schijnbare, door zichzelf voortbewogen lijn, zo is ook in deze ‘Impromptu's’, in deze ‘Kleine doodenmarschen’ en ‘Romantische experimenten’ en vooral in het superbe ‘Dagboek van den danser Maitland’ een zekere zelfbeschikking van het woord te bespeuren, waarbij de dichter niet anders doet dan de eigenzinnige ontwikkeling van het woord vrijmaken, waardoor telkens geheimzinnige diepten bloot komen. Telkens een kort feest, een woeste weelde van even-gevierde krachten.
Dit zijn dan eindelijk in onze taal ‘poèmes en prose’, waarvan we in het Frans reeds voorbeelden hadden in ‘Gaspard de la nuit’ van Bertrand en in het proza van Rimbaud. Maar daar nu eenmaal voor de meesten onder ons de taal meer een mededelingsmiddel dan een naar eigen natuur te beheersen materie is, zal dit proza nimmer populair, nimmer gemeengoed wor-
den. Het blijft een ‘curiosité esthétique’ voor de enkelen, telkens weer, die het zullen ontdekken.
Afgewisseld door het proza van Chasalle, vinden we in de bundel ‘Lampions in den wind’ gedichten van C.J. Kelk, die tevens, onder de schuilnaam Thomas Beker, ons een ander werk deed toekomen, nl. een ‘arlequinade’ in drie bedrijven en een epiloog genaamd ‘De zonde van Pierrot’.
Kelk is onze jongste dichter. Er is een overmoed in zijn verzen, een overmoed die zwakte verbergt, zonder nochtans vals te zijn. En dan is er nog iets bijzonders in zijn werk, dat hem van de meeste jonge dichters onderscheidt: hij lacht. Niet een fijn lachje van een esthetisch opmerker, niet een ‘stille lach’. Kelk lacht luidkeels, onbedaarlijk, zodat hij zich soms in zijn verzen verslikt. Hij lacht als Chesterton. Niet om zijn eigen gevoel lacht hij (als Heine), maar omdat de wereld zelf een parodie is. Alles is niets en dit niets ontvlucht hij ‘in de paaltjes der verzinsels’. Als een vreemd-bespikkelde vlieger, zonder touw en zonder staart, buitelt hij even boven de werkelijkheid voort. Zijn verzen zijn substantieloos en dun als doorzichtig papier, en de wereld die hij daardoor ziet laat er niets dan een verwijderd kleurenspel van verschuivende tinten. (Ook de personen van zijn arlequinade worden met kleuren aangeduid). Hij hoort niet meer, hij ziet niet meer, hij tast niet meer - ‘De zinnen drijven verder’ -
Is hij de wereld en de werkelijkheid ontkomen en heeft hij daarvan niets willen meenemen naar de eenzaamheid tussen hemel en hel dan wat woorden? Ja, alleen maar wat woorden om zich de eeuwigheid te doden met daar doelloos wat mee te
jongleren. Jongleren, neen, het is een hazardspel, de laatste mogelijkheid voor een sterke geest, die genoodzaakt wordt in 't ledig te oefenen.
Dit verklaart veel van de kunstmatigheid in deze gedichten. Kunstmatigheid is dikwijls een geneesmiddel tegen vermoeidheid. Hier is een Pierrot die lacht over zonde en verdriet, maar die lachen blijft en lachen blijft, tot hij werkelijk lacht.
Ik schrijf een staaltje zijner poëzie voor u over: