Had ik van dit boek niet anders te zien gekregen, dan de roman zelf, dan zou mijn oordeel daarover kort en bondig geweest zijn: een geestige persiflage, met hier en daar een serieus ondertoontje.
Nu evenwel kreeg ik de commentaar van de heer Ernst Groenevelt in handen: ‘De geestelijke, artistieke en sociale beteekenis van E. D'Oliveira's roman, “ Grenzen”’, en ik moet zeggen, dat dit geschrift mij alleronaangenaamst aan het wankelen gebracht heeft.
Overigens zou ik willen opmerken, dat, alleen reeds naar de zwaarwichtige titel ervan te oordelen, dit boekje de schrijver van ‘Grenzen’ wel meer kwaad dan goed zal hebben gedaan.
Maar laat ik met een kort resumé van de inhoud aanvangen.
Leo de Kemp, een door de stromingen van zijn onderbewuste, zieke geestesleven stuurloos heen en weer geslingerde ‘immoralist’, hervindt, na veel vergeefse dolingen over de ‘gren-
zen’ van het tastbare leven heen, tenslotte het moreel evenwicht in de kracht van een Christelijke liefde.
Dit op zichzelf, zou zeer serieus kunnen worden opgevat, indien niet de stijl, de karikaturale bijfiguren, en de zonderlinge intrige tot de overtuiging dwongen, dat dit boek niet als doel, maar als kritiek moet zijn geschreven. Leo de Kemp, deze tastende zoeker, voor wie in deze maatschappij nog niet gebouwd is, behoort tot de ‘ongeborenen’, zoals zijn vriend Daniël Hikketik, de niet onverdienstelijke schildersfiguur, in bittere ironie, zichzelf en de leden van hun kring betitelt.
‘Wij zijn nog niet’, zegt hij. ‘Wij leven onder de wereld. Soms gaat het valluik open. Wij heffen de handen op naar het licht, maar we wagen de sprong niet. Het luik valt toe, en we blijven in de duisternis. We zijn nog niet geboren.’
Tot deze ‘ongeborenen’ behoort ook Marcus de Puf (men lette op de namen dezer helden), met het nachtuilengezicht, die nu eens lispelend betoogt, dat ‘de mens niet voor arbeid is geschapen’ en dan weer, als kelner in een leeg café, verveeld diabolo speelt.
Ook Davidje Peereboom, het slimme joodje, hoort daartoe, die, de bakens verzettend met het getij, altijd aanvoerder is van de schreeuwers. En ten slotte de blinde Rapschinsky, die, listiger dan de anderen, als aanvoerder zijn voordeel trekt, van hunne zwakheden.
Zij komen bijeen op Daniëls atelier, waar ieder bezoeker een ‘penningsken’ offeren moet voor de ‘petroleum en de apenootjes’. De ‘nufjes en snobjes’ ontbreken niet.
Daar worden de grootse plannen tot omverwerping van staat en kunst gesmeed en bouwen zij hunne luchtkastelen op voor de nieuwe wereld, die de hunne zijn zal.
Later op de avond, als het slotwoord ‘Nitschjewo’, deze uiting van normloze onverschilligheid, en leven verachtende ontzenuwing, waarmede immer het vurig enthousiasme van hun ongeboren wereld besloten wordt, is uitgesproken, begeeft het gezelschap zich naar het café ‘Atlantis’, ‘waar bij eindeloo-
ze kopjes koffie, de roeping van het proletariaat verder uitgesponnen wordt’.
Onwillekeurig denken wij hierbij even aan een café in onze hoofdstad dat ook zo een verzamelplaats van ongeborenen is geworden met der tijd. Leo doet aan dit alles mee, maar vergeet niet, dat dit slechts een voorspel zijn moet tot het eigenlijke leven. Hij accepteert deze parodie, en speelt er zijn eigen karikaturale rol, zonder ook maar een poging te doen, zijn sjofele parasietenfiguur te redden.
Grove realiteit en machteloos idealisme weven zich in zijn zwakke geest dooreen.
En zeer knap heeft de heer D'Oliveira ons deze, tussen werkelijkheid en geestelijkheid zwevende, leegte van onbewustheden binnengevoerd, waaromheen inderdaad de grenzen wonderlijk zijn weggevallen.
Door deze duisternissen van de ongeboren wereld, vindt ten slotte Leo's ziel vorm in een zichzelf verwerpende overgave aan het leven, die hem eindelijk het mystisch verband tussen geest en realiteit openbaart.
Aldus het einde.
Ik zou hier nog een opmerking aan willen toevoegen: Is inderdaad dit boek niet anders bedoeld, dan een geestige persiflage op dit grote heirleger van ongeborenen dat onze moderne maatschappij met duizenden bevolkt, en daarin Leo de Kemp niet anders als een hoofdfiguur, die ofschoon mislukt, toch niet onsympathiek is, dan heb ik alle waardering voor deze roman.
Maar het boekje van de heer Ernst Groenevelt doet mij eraan twijfelen en vrezen, dat toch in de hoofdfiguur Leo een richtsnoer voor de mogelijke redding is gegeven...
En in dat geval... Maar laten wij dat niet hopen.