Naar mijn mening heeft Henriëtte Roland Holst met dit laatste werk voor het eerst iets geschreven in, laten we voorlopig zeggen, dramatische vorm, dat zich naast haar lyrisch werk waardig handhaaft. Dit is meer dan het dromende treurspel ‘Thomas More’, meer dan het fanatieke en harde ‘Opstandelingen’.
Haar vorige dramatische arbeid ging van een heel andere geesteshouding uit. Er was strijd en tendens, opstand en verbittering. Er was gebrokenheid en onrecht. Misschien dat dit vroeger werk in de meer conventionele zin meer dramatisch was, althans wat de primaire opzet betreft. Er waren scherp tegengestelde partijen met vijandige ideeën. Maar ideeën strijden niet.
Het conflict begint met de mens, die van zijn ideeën werkelijkheid maakt. En het was juist daarin, in deze verwerkelijking, dat haar vroeger werk te kort schoot. Haar figuren en mensen bleven onwerkelijk, ze bleven ideeën-dragers, zodat eerder de werkelijkheid tot een idee werd opgevoerd dan een idee in de werkelijkheid gebracht.
Het is nu het bijzondere van dit laatste werk ‘Het offer’, dat hier deze tekortkomingen zijn uitgesloten, omdat wat vroeger, in de conventioneel-dramatische vorm, een fout bleef, hier in dit merkwaardig werk juist een typerende kwaliteit werd. Want naar dramatisering is in het geheel niet gestreefd. Er is hier eigenlijk geen handeling, er is hier geen ‘spel’, er zijn geen persoonlijke figuren. Geen poging tot conflict, geen strijd, geen partijen. Als het stuk aanvangt zijn de problemen reeds uitgevochten, en een lied wordt aangeheven, een samenstelling van stemmen, die zich door zang en tegenzang tot bewuste zekerheid der zege opvoeren en tot innerlijker kracht ontroeren.
In de gewone zin is dit geen dramatisch gedicht te noemen, al heeft het daarvan de uitwendige vorm. Ik zou het een oratorisch gedicht willen noemen. Het is als een tekst van een groot oratorium. En dit oratorium wordt in de eerste plaats gevormd door een voortdurend-aangehouden geweldig koor waaruit, als uit een achtergrond van zang, de enkele stemmen der solisten soms opkomen, eenzaam en peinzende en zich beradende, om later weer, hun rijper wijsheid meedelend, in het koor terug te zinken. Deze enkele stemmen schijnen alleen aangebracht om met de inwendig-bevende kracht van hun opklinken de grote zang van het koor met dieper gloed te doordringen.
Het stuk speelt in Sovjet-Rusland tijdens de eerste winter der revolutie. Deze toneel-aanwijzing is mijns inziens van weinig belang. Het had ook in een ‘phalanstère’ van Fourier kunnen spelen, ook, enige jaren geleden, tussen Münchener studenten. Plaats en tijd zijn onverschillig. Wij zijn waar de nieuwe vrijheid aanvangt, op het doorbraakpunt der nieuwe gedachte, en de gehele handeling bestaat uit het ontwakend opstaan van dit
besef, uit de groeiende bewustwording, uit het ontstaan der behoefte om dit nieuwe als een evangelie te verkondigen, uit het argeloos tegemoettreden tegenover de nog blinde makkervijand, uit de glorie van het weerloos ondergaan.
Men zou op de naderende toneel-tentoonstelling, die midden januari te Amsterdam gehouden zal worden, van Hollandse zijde geen schoner daad kunnen doen, dan, als een proeve van modern toneel, het tweede bedrijf van ‘Het offer’ op te voeren. Het zien van ‘Vrijheid’ bevestigt daarvan de mogelijkheid. Ik zie als achtergrond een voortdurend geordend voortschrijdende menigte. Daaruit treden de leiders naar voren: Oestoichyw, Vera, Pawlow en Victor op het eerste plan, daarachter telkens de ‘stemmen’ uit het koor. Deze laatste gaan telkens weer terstond op in de aangehouden mars van het koor, later ook de mannen Oestoichyw, Victor en Pawlow, tot alleen de vrouwen, de moeder Vera en de bruid Ljoeba, op de voorgrond overblijven, terwijl het leger achter haar wegtrekt in afdelingen die elkaar telkens de strofen overgeven, een telkens opnieuw versterkte aanhef, canonisch opgebouwd, waartegen de lyrische stemmen een uiterste spanning bereiken.
Er is een geboorte.
Wie wordt geboren?
Een moeder van daden.
Wat zegt haar gezicht?
Broederlijke liefde.
Waar rijst haar gloren?
Tusschen de gesmaden.
Welkom in het licht!
Nu verdwijnt, nu verdwijnt in den nacht hun stoet.
O, zoo de fonkeling dier gouden harten naar buiten sloeg, welk een schoone gloed zou opslaan uit dit dal van duistre smarten!
Moeder! En zoo die ginder niet luisteren?
Sommigen van hen zullen zeker hooren.
Ik ken veel harten, nog doffe en duistere...
In bloed altijd werd de vrijheid geboren.