terug  begin  verder

Een boek over liefde
Arthur van Schendel: ‘Der liefde bloesems’

Een roman van twee mensen die elkander lief hebben, is nog iets anders dan een boek over liefde. In de roman der twee mensen zijn het deze beiden, wier levens, wier groei, wier avonturen en idealen, wier opgang of ondergang, voor ons ontwikkeld wordt, en, indien zij elkander lief hebben, dan is deze liefde één der factoren die tot dit alles meewerken, dan is deze liefde een naar twee zijden werkende kracht, een heen en weer zich bewegende middelaar, waardoor de beide naturen worden beïnvloed

[p. 122]

en bewogen. Maar het blijft een roman van twee mensen, van twee hoofdpersonen, die, hoezeer inéén geschakeld of verbonden, toch elk in de grond een eigen leven voltooien; hun liefde blijft een voor ieder hunner zelfstandige neiging, in ieder hart apart geboren, en, hoe zeer ook een wederzijds beantwoorde vraag, deze liefde blijft tweevoudig, als een gesprek, als een verhouding.

Maar in een boek over liefde, is deze liefde de enige, de enkelvoudige hoofdpersoon. Het boek beschrijft deze liefde alleen. Niet de twee mensen, maar de kracht tussen hen, is zijn eigenlijk onderwerp. En deze kracht, ook al wordt hij niet gepersonifieerd in een god of in een demon, die rechtstreeks zijn macht en werking over de beide gelieven toont, deze kracht verkrijgt toch een eigen leven, als een sfeer, als een zelfstandige bovennatuurlijkheid van droom of doem, een eigen leven dat zichzelve voltrekt. Deze kracht schijnt niet meer geboren uit de gevoels-ontmoeting der beide mensen, hij is machtiger dan dit gevoel, hij dwingt de beide levens in zijn kring, en deze zijn daartegenover willoos en weerloos. Want hij is uit dieper grond opgestegen dan dat zij hem begrijpen kunnen, en zijn doel is verder dan hun leven.

In zulk een boek over liefde zijn dan de beide mensen slechts objecten, zou ik bijna zeggen, waarin deze kracht tot werkelijkheid wordt omgezet en zichtbaar wordt gemaakt. En de wederzijdse neiging, de persoonlijke liefde dezer mensen jegens elkaar, is daarin slechts aanwezig om deze buiten hen staande kracht te doen voelbaar zijn. Hier is iets bovenmenselijks in het menselijke weerspiegeld, omdat deze medusa niet rechtstreeks in het gelaat geschouwd kan worden.

Het is deze kracht, die Dante, in de vijfde zang van zijn Hel, beschrijft als een ‘wervelwind, die nooit rust, die de geesten medevoert met haar werveling’. En met zijn onvergelijkelijke zekerheid en meesterschap, heeft Dante de kracht van deze orkaan ons niet doen voelen in het weergeven van de smarten van een der historische en heroïsch-tragische figuren die hem, ‘in

[p. 123]

brede en volle zwerm’ voorbij worden gedragen, Semiramis, Dido, Cleopatra, Helena, Achilles, Paris, Tristan - (want dan was deze kracht meer als een persoonlijke, dan als een algemene getoond) - maar in de smart der nog beide in de dood bijeen-gebleven gelieven, die, hoezeer zonder enige persoonlijke grootheid, groot werden door de kracht aan hen voltrokken. Want Francesca en Paolo waren mensen als wij allen zijn, dagelijkse mensen (Francesca's neef, Guido Polenta, behoorde tot Dantes vriendenkring) en ze lazen ‘voor vermaak, van Lancelot, hoe hem de liefde omstrikte’ en zij ‘waren alleen en zonder enige argwaan’. Maar toen is tussen hen opeens dit onnoembare opgestegen, en toen zij lazen hoe Lancelot Ginevra kuste, kuste Paolo Francesca ‘gans sidderende de mond’, sidderend van de inwendige kracht die zij niet te beheersen vermochten. Maar zij begrijpen zelf niet wat in hen los brak, zij zijn het zich niet bewust geworden, zij beschuldigden het boek en hem die het schreef, en ‘lazen er niet verder in, die dag’.

Hebt gij opgemerkt, lezer, hoe in de woorden ‘zij waren alleen en zonder argwaan’ werd aangeduid dat de hen naderhand vernietigende kracht van dieper kwam dan hun bewust gevoel? En deed het u niet denken aan ‘zij waren naakt maar schaamden zich niet’ uit Genesis? Hadden zij argwaan of schaamte gekoesterd, zij waren niet weerloos geweest. Maar nu zijn ze zo tragisch en onverwacht overmeesterd, dat ze geen schuld vinden bij zichzelve, maar de Andere aanklagen, wiens werking ze zien in het boek of de slang. Deze Andere was sterker dan zij, hij is de hoofdfiguur in een boek over liefde.

Het is deze tragiek van het onverwachte, dit binnensluipen van de Andere in de argeloosheid der twee mensen, die D'Annunzio veronachtzaamt in zijn drama ‘Francesca da Rimini’, waarin hij het voorstelt als zou Francesca, van Paolo houdend, misleid zijn en aan diens broeder Gianciotto uitgehuwelijkt. Dan zijn zij nooit ‘alleen geweest en zonder argwaan’. En hoezeer dan ook in dit ‘gedicht van bloed en hartstocht’ de figuren worden vergroot tot gestalten van heroïsche kracht, het boven-

[p. 124]

menselijke dat in Dantes weinige verzen weerklinkt, wordt niet aan hen voltrokken; zij gaan aan hun eigen zonde, en niet door de Andere onder. Er is een trots en een vreugde in deze dood, en men geraakt niet, zoals Dante bij het zien van Francesca, ‘van erbarmen buiten zichzelve’, men is niet ‘van droefheid gans verward’.

Shakespeare, van wie men zeggen kan dat hij àlles geschreven heeft, kende ook deze ‘tragiek van het onverwachte’ in zijn boek over liefde, in ‘Romeo and Juliet’. Al loop ik gevaar in uitweidingen te verdwalen, alvorens Van Schendels boek te bereiken, ik wil hier nog op wijzen. Shakespeare legt zelfs nog meer de nadruk daarop. Bij Dante ziet men allereerst Francesca's verdoemenis, en later wordt het ‘ontstaan van deze rampen’ verhaald. Bij Shakespeare vergt de bouw van het drama, dat eerst het ‘ontstaan’ verhaald wordt en pas vier akten later het tragische slot. Vandaar dat Shakespeare, zoals ik al zei, deze ‘tragiek van het onverwachte’ bijna al te nadrukkelijk moest inlassen, om haar tot het einde te laten doorwerken.

‘Romeo and Juliet’ is Shakespeares boek van liefde. Ook hier is het de liefde, die de personen een belang verleent boven hun persoonlijkheid. Het gehele drama gaat om deze liefde, men voelt de personen als bijna willoze vertolkers van deze kracht. Maar hoezeer onbewust en onvoorbereid worden ze aangegrepen! Juliet, in de eerste akte, weigert niet om met Paris te trouwen, en Romeo, zuchtend opkomend, is verliefd op Rosalind, een nicht van Juliet. Maar op een feest, ter ere van Juliet en Paris, verschijnt Romeo, gemaskerd, en, al zijn de beide families onverzoenlijke vijanden, daar heeft plaats de ‘prodigious birth of love’, zoals Juliet onverhoeds uitroept, en, even later, als gekweld door iets waartegen men weerloos is, staat zij, voor het open raam van haar kamer, eenzaam sprekend, en gevoelt zich boven zichzelve wonderlijkerwijze uitgegroeid, en het is haar of zij, bij deze verandering, haar persoonlijkheid en haar naam prijs moet geven (De beroemde woorden: ‘What's in a name...’ enz.).

[p. 125]

En Romeo? Waarom zou deze liefde voor Juliet sterker zijn dan die voor Rosalind, die hij vergeten is? Ontzegt niet het onverwacht einde der eerste aan de tweede liefde iedere ernst? Heeft Shakespeare hier, door het verzaken der eerste, het tragisch slot der tweede liefde onbegrijpelijk gemaakt? - Neen, ook hij is door iets, dat meer is dan zijn persoonlijkheid, aangegrepen, ook hem drijft de Andere onwederstaanbaar (‘Can I go forward...’). En onder het raam, waar hij Juliets alleenspraak beluisterde, voelt ook hij zichzelf op vreemde wijze veranderd, een kracht in zich, sterker dan zijn eigen levenskracht, en hij geeft zichzelf prijs:

 
Call me but love, and I'll be new baptiz'd;
 
Henceforth I never will be Romeo.

Arthur van Schendel, de schrijver van de meesterlijke boekjes ‘Een zwerver verliefd’ en ‘Een zwerver verdwaald’, heeft ons in zijn laatste boek ‘Der liefde bloesems’, naar ik meen, een boek over liefde willen geven, in de betekenis zoals ik hierboven aanduidde. Ook hier zijn de personen zelf van weinig eigen belang, maar hun leven wordt omhoog geheven door een liefde die, zoals men wel eens zegt, ‘door alles heengaat’. De figuur van Landro, de kunstenaar, wiens ziel, tot het abstract-geestelijke geneigd, voortdurend tot de wereld herboren wordt door deze liefde, en daartegenover de vrouw Dianora, in wier ziel, voorbij alle natuurlijke bevredigingen, ‘het verlangen murmelt om de hemelsche waarheid te zien’. Zo hervinden zij elkander, aan het eind van het boek, nadat zij in talloze avonturen en afdwalingen uit elkaar gingen, zo hervinden zij elkaar uit een hogere noodzaak. Dan eerst is hun vereniging hun bewust geworden.

Het boek vangt aan met sterke Shakespeare-reminiscenties, en deze romantische verwikkeling blijkt voor de eigenlijke inhoud van weinig belang. Het zinkt alles weg, als iets onwerkelijks, zoals ook het kind (hoe weinig reëel is dit getekend!)

[p. 126]

sterft. Dan blijft er alleen in dit boek over: het essentiële, de liefde. En deze heeft ieder woord van dit proza welluidend gemaakt.

Ja, de melodieuze stroom van deze taal, de droom van deze liefde, dat is de eigenlijke inhoud. Al de figuren, al de gebeurtenissen zijn te zoet, te verdoezeld, te ver, te zeer in een weke mist.

Er is nog iets. Wie, als Tristan, als Paolo, als Romeo, door een liefde beheerst wordt, die ‘sterker dan de persoonlijkheid en het leven is’, staat reeds in een verband met de dood. Zelfs deze grote ernst ontbreekt niet in het boek van Van Schendel. Ook in de beschrijving van deze liefde is iets eeuwigs, alsof zij niet aan het leven der minnende mensen gebonden is, alsof zij ‘sterker dan de dood’, ook voorbij hun dood zou kunnen voortduren.

En ik denk aan het aangrijpende Japanse toneelspel, waarin dit gegeven als vanzelfsprekend is behandeld. Twee gelieven komen, honderd jaar na hun beider dood, als altijd weer naar elkander gedreven geesten op. Het gebed van een priester heft hun rusteloosheid omhoog, tot de hoogste zaligheden. En ik denk aan Paolo en Francesca, die ook, verder dan hun leven, tezamen bleven.

De liefde is geenszins aan de levensduur gebonden, en het doet er weinig toe, of zij in dit leven geluk brengt of niet.

terug  begin  verder