Emmy van Lokhorst, de bekende schrijfster van de veelbesproken Phil, hief het hoofd op van 't papier en richtte haar glimlach naar het andere deel der schepping, waaruit Bart naar voren trad. En daarmee was deze jongeling tevens de Odysseus van amoureuze perikelen, en de hoofdpersoon van deze nieuwe roman.
Met een nauwkeurige beschrijving zijner eerste jeugdjaren, die door verschillende fijne trekjes feitelijk de best-geschreven en zeker de zuiverste bladzijden van het boek uitmaakt, vangt het levensverhaal van Bart Jörgen aan.
Wanneer Bart nog maar een kleine jongen is, sterft zijn moeder. Korte tijd daarna hertrouwt zijn vader, en in het veranderde huis, waar kilte en eenzaamheid de tedere jongensziel doen verkleumen en verschrompelen, moet hij de eerste moeilijke ontwikkelingsjaren doorworstelen.
Op het gymnasium al spoedig wegens zijn weerloze schuchterheid door de uitbundige klasgenoten in de hoek geduwd, gewent hij er zich van zijn prille jeugd af aan, zich terug te trekken binnen de kleine wereld van ontroeringen, die zijn zieleleven vormt.
Schuchter en dwepend, geneigd in iedere eerste de beste zijn meerdere te zien en te erkennen, leeft hij een zielig, verdrukt bestaan, waarin alleen de extatische perikelen van zijn amoureus hart een bron van troost vormen.
Eerst is het Lucie, later Carolientje, ten slotte Nora, wier rol in zijn leven van blijvender betekenis zal blijken te zijn, dan die der anderen.
Wanneer ook zij zijn tedere verwachtingen beschaamt, werpt deze teleurstelling hem in de armen van het proletariaat, waar hij, onder de vuile werkmansbuizen, al spoedig warme harten voelt kloppen. Wanneer dan bovendien de studie niet erg vlot, en hij plotseling tot een toestand van volslagen materieel verval
is geraakt (waarvan de schrijfster het niet nodig acht ons enige verklaring te geven) besluit hij geheel bij zijn proletarische vriend Hennings in te trekken.
(Dan evenwel weet de schrijfster geen maat meer te houden). Geldgebrek, nijpende honger, koude, tot zelfs wandluizen (een kosmopolitisch beeld) trachten hem het leven ondragelijk te maken. De misère stapelt zich op. Zijn vader, die aanvankelijk ons niet onsympathiek werd voorgesteld, acht het nodig zich plots van een verachtelijke kant te laten kennen. Hennings sterft aan tering. Bart, zoals te begrijpen valt, is ten einde raad.
Met dit exposé eindigt het tweede gedeelte van het boek. De volgende bladzijde echter doet ons de held, die wij zoëven in een treurige staat achterlieten, geheel verkwikt en opgemonterd in het wulps boudoir ener ‘grande coquette’ terugvinden. Met deze dame had hij reeds vroeger op zonderlinge wijze kennisgemaakt, nog op zijn armoedige studentenkamer, waar hij, op een avond laat thuiskomend, haar in een haveloze toestand op een der stoelen vond uitgestrekt. Men zou toen niet vermoed hebben, dat de fortuin haar nog eenmaal zo dienstig zou zijn, en dat zij nog eens tot de bovenbeschreven ‘grande coquette’ zou opklimmen. Deze lichtzinnige schoonheid, wier briljante vriendenkring Emmy van Lokhorst ons voortreffelijk meent te schilderen in de figuren van een praatgrage oude dame en een nog praatgrager oudere heer, Rongers genaamd, bedriegt de goede Bart al weldra op al te doorzichtige wijze met deze heer Rongers, en brengt hem aldus de genadeslag toe.
Het is evenwel deze genadeslag waar hij, om zo te zeggen, op wachtte om op het goede pad terug gebracht te worden, waar de fortuin dan zo vriendelijk is, hem zijn oude vriendinnetje Lucie te doen hervinden, met haar zusje Rose.
Nu, zonder enige overgang, verplaatst de schrijfster het zwaartepunt van haar roman naar dit, tot nu toe geheel onbekend milieu. Alle gebeurtenissen, waarover zij zich blijkbaar in de beide eerste delen zoveel zorgen maakte, blijken geheel doelloos geweest en de grillige wisseling waarmede zij hem aanvan-
kelijk van de ene sfeer naar de andere liet dolen, in een soort van verwarde vergissing geschreven te zijn.
In de Bart Jörgen, die hier tussen de beide meisjes Lucie en Rose zijn hart een beetje laat heen en weer balanceren, hervinden wij geen spoor meer van de jonge man die, eens tot vertwijfelens toe ontmoedigd, heul en troost zocht temidden van het ploeterend proletariaat -, geen druppel bloed meer van hem die, even later, ziek van verlangen naar een eindelijke vervulling van zijn tedere liefdesdromen, zich plots willoos overgeeft aan de roes, welke een korte relatie met Mary hem geeft.
Al deze perioden, die aanwijzingen hadden moeten zijn naar het einddoel dat de schrijfster zich voor haar figuur voor ogen had gesteld, verzinken, verdoezelen elkaar en doen elkaar volslagen vergeten. Bij een nieuwe periode had een nieuw boek kunnen beginnen, een nieuwe novelle, maar door deze aaneen te rijgen verkrijgt men nog geen roman. Hier stuiten wij op de zwakke plek van bijna alle Nederlandse romans van deze tijd: de compositie. De technische uitwerking van figuur en gegeven brengt de fouten.
Er bestaat bij het schrijven van een roman een derde factor, buiten opzet en stijl, en deze derde factor, de meest essentiële misschien en die eerst de roman roman maakt, maar die de Hollandse auteur al te veel buiten rekening schijnt te willen laten, is de compositie. Dit is niet een met zekere vaardigheid bijeen rapen van bonte gebeurtenissen, elkaar met smaak afwisselend. Maar, in de engste zin van het woord, is het de samenstelling en ordening van het materiaal waaruit de hoofdfiguur, en eventueel de bijfiguren, moeten worden gevormd. Deze rangschikking laat niet de minste willekeur toe, niet de geringste slordigheid.
Er zijn, om hier even bij stil te staan, twee manieren waarop wij een figuur kunnen uitdrukken. Ten eerste, door een vage onvolkomen karakteropzet te geven, en deze dan door met zorg daaromheen gegroepeerde ervaringen en ondervindingen, langzaam tot 'n volkomen duidelijkheid te laten aangroeien.
Ten tweede, door een scherp-voltooide figuur opeens te doen optreden en hem dan, in de omgeving die hem omringt, telkens als 't ware spiegelend sterker te belichten. Bij de eerste werkwijze moet ieder accident ten nauwste verbonden zijn met de eventuele evolutie-mogelijkheden van het aangegeven karakter, en is dus de aard en het aantal dezer accidenten geheel bepaald door het eenmaal aangenomen zielsproces, waarbij elk afwijken schadelijk is. Bij de andere methode kunnen wij uitsluitend en alleen die enkele uiterlijkheden gebruiken, waardoor een der details van het gegeven karakter in zijn zuiverste en meest markante vorm aan het licht treedt.
Emmy van Lokhorst verwaarloost deze wetten en natuurlijk slechts ten eigen nadele. Zij heeft een onvolgroeide figuur geplaatst tegen een achtergrond, die geen lijn houdt met het karakter, waardoor de compositie van haar boek machteloos derailleert.
Het is onnodig de talrijke buitenlandse romans op te sommen, die wij hierbij als voorbeeld zouden kunnen aanhalen. Maar even wil ik wijzen op een Hollandse roman, in 1920 uitgekomen: ‘De kolk in de kreek’ van J.W. de Boer. Een vergelijkbare hoofdpersoon, en hier en daar overeenkomstige gebeurtenissen, maar hoeveel zuiverder, ondanks de tekortkomingen, is hier een poging gedaan tot een compositie die verscherpt en verder voert.
Wat de laatste periode betreft, waarmee het boek afsluit, nl. de twijfel van Bart Jörgen welke der beide zusters hij zal kiezen, daarvoor zou ik de schrijfster willen verwijzen naar het kleine maar volmaakte werkje van André Gide, ‘La porte étroite’. De figuren der beide zusters zijn in beide boeken min of meer analoog. Maar hoe banaal en zonder diepte, hoe gemakkelijk eigenlijk en grof, worden de beide meisjes van Emmy van Lokhorst naast een Juliette en een Alissa.
Het is niet gemakkelijk een goed boek te schrijven, maar beter te zwijgen dan iets anders te doen.