terug  begin  verder

Martien Beversluis
‘Verzen’

Beversluis is een natuurdichter, niet in de zin waarin b.v. Wordsworth een natuurdichter was, voor wie de grootste en diepste krachten der natuur aanvingen waar ze onzichtbaar werden, - neen, voor hem is de natuur een bloeiende oppervlakte, een uiterlijkheid die hem doet instemmen. De wereld is schoon, en het hart is een zingende vogel. Maar waartoe hebben wij mensen een geest gekregen, en waarvoor dient ons verstand? Om van al dit zien een genot te maken, om het dan te ‘encadreren’, en met een titel er onder aan de wand te hangen.

 
Zonder ziel en zonder streven,
 
tot een zelfverliefd verbond,
 
in een wonderlijk schoon leven
 
- zonder grond -,
[p. 159]

zegt hij van de zwaan, ‘den stilgeworden drijver over zijne eigen waan’, in een overigens zeer vaardig geschreven gedicht waarin hij deze vogel beschrijft:

 
wereloos en uitgewiegeld,
 
wit en onbewust,
 
roerloos, weerszij van den spiegel,
 
als een beeld van rust.

Al deze gedichten zijn in 't algemeen zeer knap en met voldoende uitwendige aanwending van techniek vervaardigd, maar ze getuigen meer van oog dan van hart. Het doet me telkens weer denken aan illustratiekunst, aan poëtische parafrase. Er is daar zelfs een zeker procédé in te bespeuren; eerst een beschrijving, in een meestal zeer rechthoekig couplet, en daarna, geheel onderaan, als het opschrift op een schilderij-lijst, de aanduiding van wat beschreven werd. Zo al terstond het eerste gedicht: ‘De brem’:

 
Als uit de aarde opgespoten
 
maar voor te neigen, een fontein,
 
wier stralen bloemen zijn en loten
 
terhalverhoogte star zou zijn,
 
en zoo in flonker uitgeborsten,
 
tot wilder vreugd, tot hooger dorsten,
 
ten hemel uitzendt hare stem, -
 
staat aan de wegen fel geteekend,
 
zoo tusschen allen bloei uitstekend,
 
als een spontaan en openbrekend geluk: de brem.

Geheel op dezelfde wijze zien we een berk, een prunusboom, een zwaan, een wilg, een zeemeeuw, alle met opmerkelijk talent waargenomen en geparafraseerd, maar eigenlijk telkens iets te lang en wat de toon der verzen betreft veel te luidruchtig. Er

[p. 160]

zijn hier en daar duidelijk invloeden van Adama van Scheltema, Bastiaanse en Winkler Prins.

Wij zouden gaarne meer inhoud zien. Of de natuur ooit door het oog heen het dieper-liggend hart zal treffen, is een vraag van de ontwikkeling van het leven van deze jonge dichter, wiens eersteling deze bundel is. Zijn vlotheid en slagvaardigheid van techniek mogen daarbij gerust wat inboeten. Verdubbelde uitroeptekens, ‘cier’ met een c, en een zo ‘verwaaide’ sonnetvorm, als op pagina 9, hopen wij in het vervolg niet meer te ontmoeten.

Als staaltje van zijn inderdaad merkwaardige vlotheid van schets en knappe strofencompositie schrijf ik nog zijn kortste en meestgeslaagde proeve voor u over, een beschrijving van een ‘Wei met koeien’, waarlijk een schilder der z.g. Haagse School, De Bock of Weissenbruch, waardig:

 
Aan den wegkant van de weide,
 
waar de wilgen koelte spreiden,
 
en beweegbre schaduwvlakken
 
neerslaan van hun bladertakken -
 
staan de koeien, loomgebogen,
 
met hun pooten, halverkwijt,
 
in de als duizend gouden oogen
 
boterbloemen weligheid.
 
 
 
Zoo gezien, is 't of hun lompe
 
zwarte en rosgeblâarde rompen,
 
dwars en door elkander heenge-
 
steld en plekkenzon-beschenen,
 
kladden zijn, geschilderd onder
 
't huivend groen der wilgenrij,
 
voor den gelen achtergrond der
 
veelgestipte zomerwei.

terug  begin  verder