Beversluis is een natuurdichter, niet in de zin waarin b.v. Wordsworth een natuurdichter was, voor wie de grootste en diepste krachten der natuur aanvingen waar ze onzichtbaar werden, - neen, voor hem is de natuur een bloeiende oppervlakte, een uiterlijkheid die hem doet instemmen. De wereld is schoon, en het hart is een zingende vogel. Maar waartoe hebben wij mensen een geest gekregen, en waarvoor dient ons verstand? Om van al dit zien een genot te maken, om het dan te ‘encadreren’, en met een titel er onder aan de wand te hangen.
zegt hij van de zwaan, ‘den stilgeworden drijver over zijne eigen waan’, in een overigens zeer vaardig geschreven gedicht waarin hij deze vogel beschrijft:
Al deze gedichten zijn in 't algemeen zeer knap en met voldoende uitwendige aanwending van techniek vervaardigd, maar ze getuigen meer van oog dan van hart. Het doet me telkens weer denken aan illustratiekunst, aan poëtische parafrase. Er is daar zelfs een zeker procédé in te bespeuren; eerst een beschrijving, in een meestal zeer rechthoekig couplet, en daarna, geheel onderaan, als het opschrift op een schilderij-lijst, de aanduiding van wat beschreven werd. Zo al terstond het eerste gedicht: ‘De brem’:
Geheel op dezelfde wijze zien we een berk, een prunusboom, een zwaan, een wilg, een zeemeeuw, alle met opmerkelijk talent waargenomen en geparafraseerd, maar eigenlijk telkens iets te lang en wat de toon der verzen betreft veel te luidruchtig. Er
zijn hier en daar duidelijk invloeden van Adama van Scheltema, Bastiaanse en Winkler Prins.
Wij zouden gaarne meer inhoud zien. Of de natuur ooit door het oog heen het dieper-liggend hart zal treffen, is een vraag van de ontwikkeling van het leven van deze jonge dichter, wiens eersteling deze bundel is. Zijn vlotheid en slagvaardigheid van techniek mogen daarbij gerust wat inboeten. Verdubbelde uitroeptekens, ‘cier’ met een c, en een zo ‘verwaaide’ sonnetvorm, als op pagina 9, hopen wij in het vervolg niet meer te ontmoeten.
Als staaltje van zijn inderdaad merkwaardige vlotheid van schets en knappe strofencompositie schrijf ik nog zijn kortste en meestgeslaagde proeve voor u over, een beschrijving van een ‘Wei met koeien’, waarlijk een schilder der z.g. Haagse School, De Bock of Weissenbruch, waardig: