terug  begin  verder

[p. 161]

Willem de Mérode
‘Het kostbaar bloed’

In 't algemeen valt bij De Mérode, van wie ik nu zo ongeveer twaalf jaar hier en daar gedichten ontmoet die altijd jeugdverzen blijven, een tekort te constateren bijna tegengesteld aan dat van Martien Beversluis. Hier geen overdadige en onvoldoende verdiepte beschrijvingskunst, maar een overmatige en merendeels onbeheerst gebleven gevoeligheid. Een week hart, dat door alles overmachtig wordt aangegrepen, niet meer gehoorzaamt, en stuurloos wordt meegesleept, zoals hij zelf zegt van de ‘Orgelspeler’

 
Hij kent nog niet de harde tucht
 
Die ook de zuivere ziel moet stalen.

Nochtans valt op te merken, dat de vorm zijner gedichten onberispelijk glad is, bijna te vloeiend, te verglijdend. Maar deze vaardigheid is nimmer de zijne, is altijd een geleende. Het is of hij instrumenten van anderen bespeelt, van Gossaert, van Rilke, van A. Roland Holst, van Jacob Israël de Haan (in ‘De verjaardag’ bijna plagiaat) en nog anderen. Dit hangt met zijn over-weke gevoeligheid samen. Meestal heeft ieder gedicht enkele zeer goede regels, die de dichter argeloos invielen, maar die dan door hem onder de suggestie van zoëven-neergelegde lectuur, in een daardoor bepaalde toonaard werden uitgewerkt. Met de verzen van Groenevelt hebben deze verzen gemeen dat ze, behalve hun eigen waarde, nog een zekere betekenis hebben als bloemlezing, omdat hun gevoeligheid aangeeft wat thans in onze literatuur domineert.

terug  begin  verder