terug  begin  verder

Jacob Israël de Haan
‘Jeruzalem’

Van een ander Nederlands letterkundige verscheen tegelijkertijd een bundel reisbrieven. Voor Borel is China een tuin, waarin hij zich verlustigt, ook al maakt deze verlustiging hogere werking der ziel in hem wakker; voor De Haan is Jeruzalem een vaderland, en zijn reis is een terugkeer. Hij aanvaardt zonder vergelijking en zonder voorbehoud.

We kenden deze brieven uit het ‘Handelsblad’. Bij het her-

[p. 166]

lezen treft weder de intimiteit, de vertrouwdheid van de dagelijkse dingen, de bewegelijkheid van de korte zinnetjes als de uitroepen van iemand die na lange afwezigheid dit alles terugziet, met de lichte verwondering, dat alles is zoals hij dacht dat het was, en die de eenvoudige goedheid daarvan kortweg in zichzelf bevestigt.

Het is een menselijk geluk zich in grote dingen te verliezen, maar dieper misschien is het geluk zich in kleine dingen te hervinden.

De Haan voelt de waarde van het woord, maar meer in de diepte dan in de breedte. Dat wil zeggen, hij voelt wat het afzonderlijk woord suggereert, be-tekent zoals een naam een mens be-tekent, hij voelt dus steeds de realiteit van het aangeduide ding onder het woord. Maar hij voelt niet dat de woorden in hun syntaxis een eigen wereld vormen, zoals de mensheid en de maatschappij andere dingen zijn dan de hoeveelheid mensen. Hij peilt dus steeds van het woord uit naar de diepte der realiteit, maar zoekt niet in bredere samenvoeging iets uit te drukken, hetgeen zich in losse woorden niet zeggen laat.

Dit bepaalt ook zijn stijl en waarom hij scherp geformuleerde beeldenreeksen als uitdrukkingsmiddel kiest, en daarbij het kleine de voorkeur geeft. Hoe kleiner het beeld, des te nauwkeuriger kan de gevoels-projectie in het woord zijn. Een enkel voorbeeld. Om de vreemde beklemming van eenzaamheid in een onbekende stad weer te geven, wanneer men 's nachts alleen in het stille hotel terugkomt, geeft hij ons even het beeld van een slapende kelner, op een stoel voor de deur.

‘Het is wel heel laat, wanneer wij scheiden. Donkere maan. Maar er is de goedgezinde Challad met de lantaarn, die mij naar het hotel brengt. In het hotel wel alles wreed en vreemd. Voor de deur ligt een van de kellners op een mail-stoel te slapen, bij wijze van deurwachter... Als ik in de kleine hotelkamer kom, moet ik mijn hand drukken op mijn hart, barstend van pijn. En ik moet tegen het dwaze, bonzend hart zeggen: “Dwaas hart, zoudt ge nu niet eens rustig willen zijn... ge zijt hier,

[p. 167]

waar ge altijd hebt willen zijn. En wie te Jeruzalem sterft, wordt daar ook begraven”.’

Hetzelfde in zijn gedichten: niet het brede zich verheffende ritme, maar een herhaling van de aanhef, telkens een moedwillige onderbreking, om de diepte van wat zich onder het enkele woord ging bewegen, in de ontroering nogmaals te peilen.

terug  begin  verder