terug  begin  verder

Antoon Thiry en Alfons Jeurissen
Antoon Thiry: ‘Pauwke's vagevuur’
Alfons Jeurissen: ‘Op de vlakte’

De Vlamingen hebben langzamerhand vaste voet in onze Noordnederlandse letterkunde. Een groot deel der in Holland verschijnende boeken zijn in Vlaanderen geschreven, maar worden hier gelezen en gerecenseerd als bijna tot de eigen literatuur behorend.

Behoren zij echter tot onze literatuur, deze ‘ontwortelden’, dat wil zeggen, geven zij aan het Hollandse volk een kunstuiting, waaraan het behoefte heeft, en waarvoor het plaats inruimt omdat autochtone schrijvers dit element niet zo voortreffelijk in hun kunst weten uit te drukken? Of bestaat er een aparte Vlaamse letterkunde en hebben wij Hollanders, die toch al op literair gebied zo internationaal georiënteerd trachten te zijn, daarvoor een speciale belangstelling, b.v. vanwege taalgemeenschap en wederzijdse invloeden?

Hoe dit ook zij, de belangstelling is er, en zij kan voor Holland vruchtbaar zijn, want wat zuivere artisticiteit betreft kunnen wij van de Zuidnederlandse schrijvers veel leren, zonder verwachting echter hen in dit opzicht ooit te evenaren.

Want artiesten tot in hart en nieren zijn de Vlamingen ongetwijfeld. Een aangeboren instinct voor het visionaire, een als het ware tot natuur geworden intuïtie voor vorm, kleur en beeld, maakt hun werk van zo speciale waarde. Deze artistici-

[p. 168]

teit is een talent, een aanleg, een bijna lichamelijke voorbestemdheid tot het scheppen van kunst.

Wij, in Noord-Nederland, beseffen dat het niet deze voorbestemdheid alleen is, die de kunstenaar vormt. Wij beschouwen haar merendeels als werktuig, als middel slechts, misschien omdat zij in ons zoveel zwakker voelbaar is. Waar de Vlaming als het ware spelenderwijs en met geringe inspanning ieder klein gegeven in enkele bijna-intuïtief gevonden lijnen beeldend weet te typeren, ontbreekt de Hollander, wanneer hij langs intellectuele weg tot een of andere geestelijke visie is gekomen, meestal de vaardigheid tot het hanteren zijner gestelde problemen. Waar de Vlaming de weg der zintuigelijke waarneming en de Hollander die der intellectuele analyse bewandelt, zien wij, omdat kunst nu eenmaal noch een blote weergave der werkelijkheid noch een ontleding der uiterlijkheid is, maar een tot aardse gestalte geworden vorm ener geestelijke conceptie, hoe beide ‘literatuur-technieken’ zich naar weerszijden op een hellend vlak bevinden. Beiden lopen gevaar. Voor de Vlaming wordt het schrijven, dank zij gemakkelijk verworven effecten, dikwijls een ‘Spielerei’, terwijl de Hollander maar al te vaak onmachtig blijkt om uit zijn analyses weder een gestalte op te bouwen.

In aansluiting hiermee, wil ik bovengenoemde boeken van Antoon Thiry en Alfons Jeurissen nader bespreken.

‘Pauwke's Vagevuur’ beschrijft ons de geloofsstrijd van de houtsnijder Pauwke, die, wanneer zijn zoon de slechte weg opgaat, ofschoon hij zo vurig voor hem had gebeden, begint te twijfelen aan God, maar dan, wanneer de jongen ten slotte toch vroom sterft, hierin een bewijs der goddelijke barmhartigheid ziet, en weder tot de kerk terug keert.

Deze intrige, die erg gezocht en geforceerd aandoet, schijnt, als we aan het boekje terugdenken, eigenlijk alleen uitgedacht om een enigszins onsamenhangende aaneenschakeling der verschillende beeldjes mogelijk te maken. Want feitelijk is dit boekje niet anders dan een opeenvolging van kleine prentjes, die ontegenzeggelijk van vaste hand en geestig-artistieke kijk ge-

[p. 169]

tuigen, maar waarvan de waarde toch niet buiten de raakheid der vaardige omtrekken uitgaat. Er is geen beeldje dat men slecht of vals getekend zou kunnen noemen, maar er is er ook geen bij, dat iets meer is dan een knappe, maar volkomen oppervlakkige schets. Thiry geeft ons niet, in het figuurtje van Pauwke, de uitbeelding van een zielsconflict; hem was het niet de vorm voor een innerlijke, geestelijke constructie. Voor hem was Pauwke niet anders dan een klein-naïef silhouetje, dat even ontroert door het kinderlijk-bizarre van zijn uiterlijke verschijning. Hij geeft ons Pauwke in prentjes, waarin de bijkans karikaturale ‘simplicitas’ zijner ziel met een zweem van ironie aan de dag treedt.

Als staaltje de volgende beschrijving van Pauwke in de werkplaats waar hij aan ‘het altaarken van 't Heilig Hart’ arbeidt.

‘Een goede tevreden glimlach kwam in zijn witten St. Jozefsbaard hangen. Hij duwde voetelings het stoelken uit den weg, wreef met den tip van zijn diemiten schort het stof van den bril en slofte toen nogmaals naar 't gewone plekje in den hoek onder het Spaansche Lievevrouwken, om zijn werk een laatsten keer van op een afstand te monsteren.’

Even later tijgt hij met zijn beide vrienden, Van Loo en Ziderken, op weg naar Scherpenheuvel om bij Ons-Lievrouwken een brandende kaars te halen, opdat zijn zoon Sander, die loten moet, een hoog nummer trekken moge. Met Van Loo haalt hij Ziderken af.

‘'t Ventje stond gemanteld en met den linnen reiszak op den rug, in zijn deur naar hen te wachten, en verblijd met zijn paraplu omhoog, vervoegde hij hun.’

Als zij in het kapelletje de brandende kaars hebben veroverd, begeven zij zich op de terugweg.

‘Pauwke hing zijn kofferken op den rug, Ziderken lei zijn paraplu lijk een geweer over den schouder, Van Loo sloeg zijn caban om, en achter een karrens trokken zij op.’

In deze trant gaat het boekje verder, met zijn primitiefachtige zwart-op-witjes, en het komt mij telkens voor, dat de omtrek-

[p. 170]

ken wel wat heel erg opzettelijk met de naïeve tederheid ener onvaste kinderhand werden getrokken. Een opzettelijk knutselen, alsof de ernstige mens zichzelf en zijn menselijk doel uit het oog verloor bij de speelse charme der vlotte schetsjes.

 

Enigszins hetzelfde zou men ook Alfons Jeurissen kunnen verwijten die in elk zijner drie novellen: ‘Op de grens’, ‘In zee’ en ‘De oude Bil’, door Em. de Bom in de Vlaamse reeks der Wereldbibliotheek verenigd uitgegeven, eveneens schipbreuk lijdt door de overmatigheid der beschrijvings-vaardigheid. Bij hem is een ongebreidelde weelderigheid het gevaar.

‘Op de grens’ is zonder twijfel een knap stuk arbeid, dat nog belangrijk aan waarde zou gewonnen hebben, als de schrijver desnoods met iets minder uiterlijke gaafheid wat meer zorg en aandacht aan de interne constructie besteed had. Van intrige in de hogere zin des woords, van compositie, is hier geen sprake. De novelle is een nacht-beschrijving, vijf-en-vijftig blz. lang, maar tenslotte geheel om het picturaal effect geschreven en helaas niet, zoals de scherpe en betekenisvolle karakteraanduiding van de ‘brigadier’ en zijn mannen in de aanvang deed vermoeden, tot de climax van een wrang conflict gekomen.

Met de vangst der smokkelaars eindigt het verhaal, zonder hoogtepunt, en bloedt als het ware dood in een volslagen banale tweederangs overpeinzing van de schrijver aan het slot, terwijl toch de opzet een spanning teweegbracht, die een dieper gegeven deed vermoeden, een uitwerking eiste, maar thans een gevoel van leegte achter laat. Ik zou de schrijver willen opmerkzaam maken op Poesjkins meesterlijke novelle ‘Het schot’. Met welk een suggestieve kracht zijn hier duister-sterke figuren, door de veelkleurige schakeringen der beschrijvingen heen, langs een vaste lijn naar een vast doel gestuurd.

Bij Alfons Jeurissen geeft geen der novellen een gevoel van af-heid. Zij zijn niet opgetrokken volgens een vooraf bepaald schema. Zij dwalen, doelloos, nu weer deze dan gene richting

[p. 171]

uit. Waar de beschrijvingen niet als middel gebruikt zijn om een hogere bedoeling te verduidelijken, en de figuren niet als doel, maar eenvoudig als een onpersoonlijk en toevallig detail van de woelende nacht optreden, vervallen aanvang en einde, en krijgen wij zodoende het gevoel met een fragment inplaats van met een in zijn beknoptheid volgroeid kunstwerk te doen te hebben.

terug  begin  verder