terug  begin  verder

Marie Schmitz
‘Weifeling’

Ze zoeken al schrijvend, zou men van het merendeel onzer jonge schrijfsters kunnen zeggen, wier enorme produktie ons verbazen doet. Men kan ook, en misschien juister, zeggen: ze schrijven veel en werken weinig. Beethoven moet in de tijdruimte tussen twee symfonieën harder gewerkt hebben en met meer inspanning dan hem het schrijven zelf van de volgende symfonie kostte. Al Goethes grotere geschriften dragen het stempel van de arbeid die er aan vooraf ging en waarvan zij het resultaat zijn, en men kan zodoende zeggen dat hij nog oneindig meer gewerkt dan geschreven heeft. Bij Dostojewsky is iets merkwaardigs in dit opzicht op te merken. Gedurende de tijdperken van zijn leven dat hij ‘werkte’ aan de grote romans, terwijl dus de plannen en denkbeelden van zijn meesterwerken hem geheel moeten vervuld hebben, was hij door omstandigheden gedwongen voortdurend publicerende te blijven. En zo hebben wij talrijke romans van hem als 't ware als extra-tjes uit de werk-perioden die hem voor de grote boeken voorbereidden. Deze ‘extra-tjes’ (‘Het dodenhuis’, ‘De speler’, enz.) zijn dus

[p. 179]

te vergelijken met wat bij Goethe dagboeken, autobiografieën en reisbeschrijvingen zijn: ze geven ook het best een indruk van de mens Dostojewsky en zijn bijna als mémoires te beschouwen (Een dezer boeken heet dan ook ‘Het dagboek van een schrijver’). Terwijl de ‘grote boeken’ als boven de persoonlijkheid van de-schrijver uitstijgend mogen gekenmerkt worden, zijn deze ‘interludiën’ geheel een uiting daarvan, en zijn voor de bestudeerder vooral van belang omdat zij Dostojewsky's temperament aangeven waarmee hij in de tussenperioden werkte, d.w.z. zich tot een volgend groot werk omhoog hief.

Men zal mij nu misschien beter begrijpen, wanneer ik herhaal dat het merendeel onzer jonge schrijfsters ‘zoekt al schrijvend’ en dat zij ‘veel schrijven en weinig werken’. Het vermoede en ten halve bewuste resultaat wordt reeds uitgewerkt en loopt gevaar nimmer rijp te worden. Maar zij die geloven, haasten niet, en een waarschuwend woord, van Dostojewsky alweer, aan een jong schrijver was: ‘laat een werkelijk groot plan vijf jaar broeien’.

Marie Schmitz heeft, binnen zeer korte tijd, eerst een tweedelige roman gepubliceerd, een mislukking waarover ik maar liever zwijg. Vervolgens verscheen van haar in de Wereldbibliotheek het boekje ‘Marietje’ dat tot zelfs het autobiografische kenmerk van een ‘tussenwerk’ had. De novelle ‘Weifeling’, die nu in Querido's kleine reeks verschenen is, is het type van een half-resultaat, zelfs tot in zijn uiterlijke vorm, zoals ik u bij een nadere bespreking zal trachten duidelijk te maken.

Een weduwnaar heeft zijn nog zeer jong dochtertje in huis gedaan bij zijn schoonmoeder. De eerste 74 blz. zijn uitsluitend gewijd aan de beschrijving van het jonge kind dat in de ernstige sfeer van het grootmoederlijke huis een rust vindt en een intimiteit welke haar broze jeugd behoeft. Het meisje speelt in de tuin en de oude vrouw zit buiten in haar diepe stoel. ‘En nooit ging Emmy ver van haar weg. Ze zat soms langen tijd bij haar te lezen of met haar poppen te spelen en wanneer ze achter in den tuin was, dan gebeurde het wel, dat de oude vrouw ineens

[p. 180]

het grint hoorde kraken onder de vlugge voetjes en Emmy zich tegen haar aanknuffelen kwam en haar kussen met een onuitgesproken teederheid, die haar wonderlijk ontroerde.’ Dit gedeelte van het boekje is nog geheel in de mentaliteit van ‘Marietje’ geschreven, en wordt opeens verdrongen als op blz. 74 het eigenlijke verhaal begint. De weduwnaar is hertrouwd met een wuft en mondain meisje, heeft de kleine Emmy onder de zorgen gesteld van haar nieuwe moeder, maar beseft met steeds groeiende bitterheid de onvoldaanheid van dit tweede huwelijk, als het kind hem meer en meer aan zijn eerste vrouw gaat herinneren. Opeens is dus de man, wiens sentimenten en karakter in het eerste gedeelte vrijwel ‘à l'ombre’ zijn gebleven, het middelpunt en de hoofdpersoon geworden, de gehele introductie schijnt tot een ander boek te behoren en het meisje zelf heeft in beide delen een zo geheel andere functie dat ook zij onmogelijk als trait d'union mag gelden.

Al schrijvende werd een ander thema gevonden. O heilige wetten der compositie, gij die geeft aan wie reeds heeft, waarom ontneemt gij hem die niet heeft, nog wat hij heeft? Waarom moet uw kracht, die de goddelijke steun is voor hem die het menselijke ontstijgt, zo wreed en verbrijzelend zijn voor wie zichzelf genoeg is? Want zie toch, er is in dit boekje op blz. 80 en vlg. zulk een gevoelige en ontroerende beschrijving van het meisje, dat bij het kleine gele lampje piano speelt terwijl haar vader, in de vensterbank zittend, de herfst en de schemer en zijn verdriet als een grijze as op zijn hart voelt sneeuwen, wier weke ondoordringbaarheid hem voor altijd zal beletten zich in licht en geluk te verwarmen. Ontroert u dit dan niet? Wordt dit weggevaagd door u, raadselachtige verwoester, die eist dat wij niet bouwen, aleer wij de top van Babels toren in de verscheurde hemel hebben waargenomen?

terug  begin  verder