terug  begin  verder

[p. 181]

J.W. de Boer
‘Solaes’

‘I'll dip my pen into my heart and write...’ Onder dit motto heeft J.W. de Boer, de schrijver van ‘De Gek’ en ‘De Kolk in de kreek’, zijn nieuwe roman ‘Solaes’ de wereld ingestuurd, en ons daarmee de niet gemakkelijke taak opgelegd, om over dit zeer-zonderlinge boek een mening uit te spreken.

Het eerste nl. wat de argeloze lezer overvalt, wanneer hij onvoorbereid de eerste hoofdstukken doorbladert, is een geweldige schrik en verbijstering.

Zonder enige inleiding namelijk, of een enkel verklarend woord vooraf, plaatst de schrijver ons met een paar forse duwen, die geen ontkomen meer laten, verbijsterd en met knipperende ogen, op een schelbelicht toneel met hemelhoog opsteigerende opera-decors, en waar meer-dan-mens-grote Tristans en Parcivals in geweldige kurassen, en horden van Walkuren ons onder hun formidabele halfgodenschreden dreigen te verpletteren.

Want voor wij nog maar een moment tijd gehad hebben, om ons te realiseren in wat voor sfeer de schrijver ons heeft meegesleept, fluiten reeds rechts en links de niet-altijd-geheel-duidelijke symbolen meedogenloos om onze ontzette oren.

‘Solaes’... ‘Kruisberg’... ‘Ballinghove’... ‘Lichtstad’... ‘Bloedberg’... ‘Turvers’... ‘Kleiers’... teveel om achter elkander op te noemen.

Dit is de introductie... Maar toch, naarmate we verder lezen, en deze dwaze namen, waaraan onze moderne oren niet meer gewend zijn, ons geleidelijk aan zijn bekend geworden en vertrouwd, ontpopt zich uit deze warboel inderdaad een niet-onverdienstelijke Wagneriaanse ‘Story of mankind’, die wij niet maar zo mogen voorbijgaan.

De hoofdpersoon van dit boek, in zoverre een van deze legendarische gestalten als ‘persoon’ kan worden beschouwd, is Solaes, de laatste spruit van het geslacht van ‘Hero de Bruut’.

[p. 182]

Solaes is een ‘dwaas’, maar als ik het wel heb begrepen, heeft de schrijver hiermee slechts willen uitdrukken, dat zijn ziel nog niet tot het eigenlijke leven gereed is, en nog niet de gehele ontwikkelingsfase doorlopen heeft, die tot zijn eigenlijke ‘geboorte’ leiden moet.

De schrijver stelt het ons voor, als leeft Solaes nog in de gestalten uit de voorgeschiedenis van zijn geslacht, en als moet als het ware de gehele lijdensgeschiedenis daarvan, vanaf Hero de Bruut en diens gemalin Vromonde, die zich voortzet en ontwikkelt in hun zoon Adel en diens kinderen Vrodemond, Joen en Roland, en Hero's bastaard-zoon Wigo, nog eenmaal tot in al zijn duisterste diepten in Solaes' ziel voltrokken worden, alvorens het zal dagen en hij het Licht zal kunnen aanvaarden.

Waarschijnlijk heeft de schrijver, bewust of onbewust, deze gedachte ontleend aan de Christelijke idee, dat de mens om tot het zuivere leven te komen, van de Zondeval tot aan Christus' Kruisdood toe, alle symbolen der lijdens- en bevrijdings-geschiedenis van dit aardse geslacht nog eenmaal in zichzelf heeft te doorleven.

Hij vangt zelfs aan met de verbanning van Hero de Bruut. Wij zouden ook kunnen zeggen, met de verdrijving van Adam uit het Paradijs.

Daarom is het ook dat ik zoëven sprak van een ‘Story of mankind’.

Want een voor een maken in het verwarde hoofd van de ‘bezeten’ Solaes de legenden van zijn geslacht zich los, vormen zich tot gestalten, die als dreigende stormen naderen en zijn zwakke ziel trachten te verpletteren, sleuren hem een wijle mede in het geweld van hun duistere krachten, om dan, eenmaal uitgewerkt, weg te ebben uit zijn geest, en zijn hoofd iets stiller, iets helderder achter te laten.

Niet in de daden van zijn eigen leven, tracht de schrijver deze bevrijdings-worsteling uit te beelden, maar in het wederom-gebeuren der lang gestorven legenden, met welker gestalten Solaes zich telkens vereenzelvigt.

[p. 183]

Zijn ziel glijdt als het ware over in die zijner voorvaderen en verricht alzo de symbolieke daden, die hem eenmaal de weg tot de bevrijding zullen worden.

Als al deze levens, langs dood en vernieling, ondergang en wederopstanding heen tot in uiterste consequentie in hem zijn uitgeleefd, is Solaes eindelijk gereed tot het eigen leven en worden zijn ogen ziende en zijn geest helder.

Dit alles werd door de schrijver in grote, ruwe trekken bijna driftig getekend.

Hij gunt zich de tijd niet zich deze, zeker niet onbelangrijke opzet, voldoende bewust te maken. En evenmin gunt hij zich de tijd groter daden en groter figuren te componeren tot uitbeelding zijner gedachten.

In een te kort bestek, struikelend over zijn eigen bedoelingen, beelden en verwikkelingen, komt hij bijna nergens boven een halfvoltooide, schetsmatige aanduiding uit.

Ondoordacht strooit hij de meest waardevolle overpeinzingen achteloos hier en daar tussen de regels door, zonder die tot groter mogelijkheid te verwerken. De perspectieven, die een zorgzamer compositie van het gegeven hem ongetwijfeld zou geboden hebben, gaat hij achteloos voorbij.

Met zijn driftige, korte zinnen, de hem eigen, merkwaardige stijl, die, met meer zorg bewerkt, van een zeer suggestieve kracht had kunnen zijn, geeft hij thans de lezer slechts de vermoeiende en verlammende sensatie van een stem die zich voortdurend overschreeuwt.

Het boek is een natuurgeluid en meer uit de impulsen van het bloed dan van de hersenen geschreven.

Ongetwijfeld behoort De Boer tot onze jonge talentvolle schrijvers, maar bij hem doet zich het merkwaardige voor, dat hij meer aanleg dan toekomst heeft, omdat deze aanleg eerder een fysieke gave, dan een geestelijke bewustzijns-macht is.

terug  begin  verder