terug  begin  verder

[p. 184]

Is. Querido
‘Manus Peet’

Amsterdams epos! Is het in de eerste plaats de sterke en typisch-lokale sfeer dezer stad, die Querido's passieve gevoeligheid aangegrepen en ontroerd heeft, en die hij tot uiting trachtte te brengen in het leven en in de persoonlijkheden dezer romanfiguren? De stad overweegt in dit boek, de stad vervult en doordringt alles, en de mensen hebben een meer dan levensgroot en diep bewustzijn, dat niet geheel hun eigen bewustzijn is, maar waar als 't ware door ‘de stad’ aan toegevoegd wordt. Heeft Manus Peet een eigen weemoedig-mijmerende ziel, of is zijn ziel niet anders dan de melancholieke stemming van een regenachtige middag op het kerkhofje aan de Schinkel? Corrie Scheendert, met haar vlagen van smart en uitdagende vrolijkheid, met haar tingeltangel-modieusheid en innerlijke gejaagdheid, heeft zij een menselijke zie], of is in haar belichaamd de wonderlijke geest van die nauwe bochtende straat, waar de winkellichten in het natte asfalt smelten en waar van boven de weke zwarte nacht tussen de huizen omlaagzakt? Is zij niet in alles wat zich tussen de winderig-verlaten Dam en het geel-verlichte Rembrandtplein heen en weer spoedt? En Mooie Karel, is zijn brutaliteit niet schel en vals als het licht in de Nieuwendijk, als het ratelende draaiorgel achter het rode gordijn van een Zeedijk-kroegje? Er zijn mensen in dit boek, die de verveloze ziel hebben van de trapjes en de scheefhangende deurtjes der dwarsstraten, en er zijn er in wier hart nog het lied speelt van het carillon van de onzichtbare toren. Er zijn er die over de brugleuningen buigen tot de schepen voorbijgeschoven zijn en dan hun eigen gelaat wanstaltig-rimpelend en vergroot in de donkere deining volgen. De morsige vrolijkheid van Warmoesstraat of Waterlooplein is in de straatschenderijen van Bromtol en zijn kornuitjes. Onder de olielampen der kramen liggen de sinaasappels en de stukgelezen communistische verzenboeken - O oude stad, het rumoer van de vergaderingen is klankloos in uw

[p. 185]

grijze schemer. Hoeveel idealen hebt gij overleefd, voor gij ge-oeg hadt aan het beschouwen van uw eigen werkelijkheid? Leert gij de zoekende, zijn Diogenes-lantaarn te blussen om een mens te vinden... zichzelf?

Dit boek is als een ‘Amsterdamsch epos’ uitgewerkt, als een zang van dat organisch leven, dat zich links en rechts van Damrak en Rokin uitstrekt. Maar wat moet een schrijver doen die niet, zoals één schilder als Breitner deed, deze beelden ogenblikkelijk in één visie kan neerleggen? Hij moet figuren vinden die deze impressies belichamen, vasthouden en door hun eigen leven levend doen blijven. Hier is de zwakke plek: de figuren hebben weinig eigen beweging en verkeren, bij alle detail-levendigheid, in een soort psychische stilstand. Er is, bij al het tragische, te weinig dramatiek. Al schrijvende werd de schrijver, maar niet de figuren, telkens aangegrepen en overweldigd door de ‘stadsgeest’, welke emotie dan weder op hen overgebracht werd. Zodat zij zijn als overmatig bevrachte schepen, zeer vast van diepligging, maar zwaar en loom van voortgang. De psychische diepte dezer romanfiguren is onevenredig aan hun kracht en beweging (Dezelfde opmerking zou men ook naar aanleiding van Querido's ‘Perzische boeken’ kunnen maken).

Ondanks dit, verkies ik toch Querido's boek boven het gedicht ‘Amsterdam’ van Adama van Scheltema, waarin de stad gepersonifieerd wordt in een (18de-eeuwse) stedemaagd Marianne, met wie de dichter in een beurtzang treedt. Vooral omdat bij Querido zoveel meer van de stad en zoveel minder van de schrijver zelf verteld wordt. Omdat bij Querido de mensen als 't ware poreus en weerstandloos zijn tegenover de stad, evenals de schrijver zelf, zodat zij doordrongen en doorspoeld zijn van het stadsleven, dat in ieder woord en in iedere gedachte weer door hen uitgeademd en uitgeleefd wordt. Maar men moet zich niet vergissen en denken dat, door het vele gebruik van lokaal dialect en bargoens, de psychologie van Querido naturalistisch is. Dit naturalisme is juist wat ik de ‘toevoeging van de

[p. 186]

stad’ noemde. In de kern is de psychologie dezer romanfiguren niet anders dan die van Dickens' personen: romantisch en met veel sentiment van des schrijvers zijde omkleed. En het naturalisme is een toevoegsel dat, hoezeer ook waardevoller dan de kern zelve, niet tot een organisch geheel met deze kern is samengesmolten. De schrijver stond er passief, sensitief-ontvangend, tegenover, met steeds heviger behoefte aan steeds precieser details. Hij moet een inwendige weerloze bewogenheid gekend hebben die, merkwaardigerwijze, zowel de scherpte van detail als de geestelijke zwakte van zijn romanfiguren ten gevolge had. Zijn houding is in laatste instantie eerder esthetisch dan artistiek, eerder beschouwend dan creatief, eerder kritisch dan filosofisch geweest, zodat Manus Peet en de anderen eerder objecten dan subjecten zijn in dit boek. Hebben zij een zelfstandig leven, en vooral: hebben zij meer leven dan hun door de schrijver toegeschreven wordt?

Het is opvallend, dat een schrijver als Van Looy, met een zoveel geringer gevoelsvermogen maar met meer vormingskracht, een fragment als ‘Hartjesdag’ (in zijn bundel ‘Feesten’) weet te schrijven, dat reeds de gecopieerde werkelijkheid te boven stijgt en, los en onafhankelijk daarvan, tot een apart levend kunstwerk wordt.

Querido, zou men kunnen zeggen, werd een dupe van de naturalistische school, omdat hij verder ging dan zijn meester, Zola. Omdat hij niet, zoals Zola, het realistisch waarnemen als een wetenschappelijk voorbereidende werkwijze, maar dit waarnemen reeds als een levensbeschouwing zelf aanvaardde.

Zola's einde was het formuleren van harde onvruchtbare wetten en ten slotte de apotheotische ‘Evangiles’, waarmede hij meende zijn scheppende taak te vervullen. Maar toen God schiep, schiep Hij geen wetten, Hij schiep materie, Hij schiep dingen. Dingen die een zelfstandig leven en een eigen vruchtbaar organisme hebben. Waarvan echter ons menselijk waarnemen de werkingen nimmer tegelijk kan bevatten, maar slechts uit een zekere herhaling kan opmaken, in een verstandelijke constructie

[p. 187]

van ‘wetten’. O tragisch zelfvertrouwen, te menen dat deze constructie een schepping is!

Maar tragischer nog, zij die menen dat reeds de waarneming der werkelijkheid een levensbeschouwing is. Leidt dit niet tot een meedogenloze versplintering van onze geestkracht? Want onze geestkracht, tegenover de werkelijkheid staande, gaat onder in eindeloze detaillering, en zoekt zodoende de destructie van het waargenomene. En ziet ten slotte, dat het atoom even onaanwijsbaar en even hypothetisch blijft als Dantes Paradijs.

En met dezelfde bovenmenselijke kracht waarmee deze dichter de gedachte van zijn tijd geformuleerd heeft tot levende voorstellingen, en deze visioenen door de dwang zijner vormende woorden voortdreef tot hun uiterste eigen werking (en zo zelfstandig van kracht zijn deze visioenen dat de dichter zelve tussen hen als een vreemde rondzwerft), met hetzelfde herculische arbeidsvermogen is Querido's geestkracht de werkelijkheid binnengedrongen, steeds detaillerend, de taal verbijzonderend tot een dialect, het woord verbijzonderend tot fonetische klankaanduidingen.

En wat wij tenslotte onder de opgestapelde werkelijkheidsmassa van dit boek ontdekken is een opzet van enige figuren, met veel innige tederheid en een warm hart bezien, echt begrepen en met een gevoel van broederschap aangevoeld, en een geweldig sterke werkelijkheidszin (bijna hard en als zodanig in strijd met het zachte begrijpende gevoel van de opzet), die in het leven doordrong en het openlegde, tot van alle kanten de ‘stadsgeest’ te voorschijn kwam en dit boek een ‘Amsterdamsch epos’ genoemd kon worden.

terug  begin  verder