Men krijgt 191 bladzijden poëzie uit het werk onzer jongste en allerjongste dichters, voorafgegaan door een inleiding van 42 pagina's, die te beschouwen is als de eerste poging tot het geven van een samenvattend overzicht der geaardheid van dit uiteenlopend werk, der persoonlijkheden dezer dichters, der stromingen, inzichten en tijdsomstandigheden, die invloed op hen hebben geoefend, zowel hier als in Vlaanderen; een overzicht, ge-
schreven door de uitnemende stilist en essayist, die Coster (wij vergeten zijn Dostojewsky-studie niet, noch zijn ‘Nieuwe geest’ met de voortreffelijke passages o.a. over Hadewych, het Wilhelmus, Boutens en Henriëtte Roland Holst) hier wederom bewijst te zijn.
Er was behoefte aan zulk een bloemlezing (want onze dichtkunst is m.i. als één organiek geheel sinds 40 jaar de beste van West-Europa, beter dan die der grote landen zeker sedert de oorlog, hetgeen wij onvoldoende beseffen) - maar er was ook behoefte aan zulk een inleiding. Men kan omtrent de keuze der dichters en gedichten met de samensteller van mening verschillen, men kan principiële bezwaren maken tegen het algemeen-poëtisch inzicht, dat aan zijn inleiding ten grondslag ligt, men kan zowel richting als karakter van onze hedendaagse dichtkunst van geheel ander standpunt willen bezien dan hij daar doet, - dit alles neemt niet weg, dat voor ieder die in deze poëzie belang stelt, Costers inleiding een belangrijk feit moet genoemd worden, primo omdat ze voor het eerst een ontwikkelingsgang poogt aan te tonen van 12 jaar literaire arbeidzaamheid, nl. van Van Eyck naar Marsman, secundo omdat ze door de stelligheid van haar bezield en meeslepend betoog tot eigen bewustwording en oordeelvorming prikkelt. En moge dan dit oordeel zich afwijkend gaan gedragen, telkens bij het herlezen in verzet komen en tenslotte zich naar een tegengestelde richting formuleren, - het is slechts een direct gevolg van de stoutmoedigheid dezer, in meer dan één opzicht, persoonlijk-getinte inleiding, die men juist hiervoor dankbaar dient te zijn.
De wereld der poëzie blijft, hoezeer zij aandrift, motief en beeld daaraan moge ontlenen, een andere wereld dan die der werkelijkheid. Zij is zelfs geen directe weerkaatsing daarvan in de eeuwigheid. Zij is een geheel aparte wereld, die door een geheel aparte actie van de menselijke geest, hoezeer ook door het natuurlijk leven daartoe aangezet, wordt benaderd. Zoals een lichaam zich in zijn schaduw voortzet, zoals een figuur door mathematische constructie verlengd kan worden, heeft (om het
kort te zeggen) de nadering van leven naar poëzie plaats. Dit wordt mogelijk gemaakt door een andere functie in de mens: de mogelijkheid het leven in een gedachte te kunnen overzien en dan deze gedachte, in vorm gebracht, te kunnen continueren totdat zij, losgekomen, uit eigen activiteit een eigen verwezenlijking in haar woordvorm samenstelt.
Drieërlei daad dus: de levensdaad der gedachtevorming enerzijds, en anderzijds de poëtische daad der verwezenlijking daarvan, met, als schakel tussen beide, de zelfaangedreven beweging van de eenmaal opgeroepen woord-vorm.
Dit aangenomen, is de gang der scheppende poëzie in de 19de eeuw in het kort als volgt te schetsen: een enorme bewustwording van de schakel-daad, zoals ik dit trachtte aan te duiden, een bewuste wil naar de zelf-aangedreven beweging van de woordvorm. De levensdaad (een gedachte-overzicht van het aards leven) was belangrijk verzwakt. Men kan hier wijzen op de invloed der Romantiek, de ontdekking der historie, het verijlen van actief religieus en filosofisch levensbesef naar kennis-theorie, individueel eenzaamheids-pessimisme, milieu-leer, enz., - hoe het zij, tegen het midden der eeuw, toen Baudelaire, de laatste dichter die terugblikte, ophield te schrijven, was wat men ‘het leven dezer wereld’ noemt voorgoed uit de belangstelling der poëzie weggevallen. Haar wereldse functie, haar levensdaad, was toen trouwens allang overgenomen door de roman die, in dit verband te begrijpen, zijn waarde zocht en zijn waardering vond in karakterconceptie en realistische beschrijving en hiermede voortaan een eigen kunst-theoretische plaats heeft weten te handhaven. De poëzie stond ‘ontwereld’, zonder enig ander doel of waarheid dan het woord, waaruit zij haar werkelijkheid zou scheppen, en de autonomie van de woordvorm, haar eigen wetgeving. We krijgen dan, in het laatste kwart der eeuw, de geweldige krachtsinspanning der zich ‘poètes maudits’ wetende dichters, het formuleren van wat ik de derde daad noemde, het letterlijk scheppend verwezenlijken en ontdekken en benaderen van de ‘andere’ wereld. Hier moet ik, zoals zoëven Bau-
delaire, de naam van Mallarmé noemen, de Pool-reiziger naar het poëtisch-absolute, de naam van Keats, de eerste Robinson Crusoë op het eiland van dit volstrekt buiten-wereldlijk geluk, van Rimbaud, de alchimist van het woord, die voorgoed adieu zeide en niet meer omzag. Heeft de poëzie een functie als van een nieuwe religie (hoeveel kluizenaars en martelaars reeds?) dan heeft deze religie niets uit te staan met godsdienst, met dagelijkse goedheid, met ‘drang naar eerste menselijkheid’, maar is een door haar met tekens in dit leven verstaanbaar maken van een voortdurend wezenlijke vreugde die het leven te boven gaat. Horen wij dit niet in onze eigen grote poëzie sedert tachtig? Horen wij niet de heidense lach van een goddelijk rover in Gorter, horen wij niet het overmachtig bezonken geluk van zelfinzicht in Leopolds ‘Cheops’, de arcadische stilte in Kloos' ‘Okeanos’, het wijde besef opgenomen te zijn in een onnoembaar vreugderijk verband in Boutens ‘Ode aan Sappho’, de eindeloze teug geluk van zijn ‘ Morgennachtegaal’, het verlangend opstijgen naar meer-dan-levensgroot-mens-zijn in Henriëtte Roland Holsts brede schrijfwijze? Ik moet mij met omschrijvingen behelpen, maar waar is het zo direct en eenvoudig uitgesproken, als in ‘Het gebed van de harpspeler’ van A. Roland Holst, neen, in bijna ieder gedicht van deze vormrijke dichter, tot in de titel ‘Voorbij de wegen’ van zijn bundel toe?
De gehele geschiedenis der Nederlandse dichtkunst, dit is een verplichting door de poëzie van tachtig en wat daarop volgde, opgelegd, dient beschreven te worden. Zij moet de geschiedenis zijn der bewustwording van deze zuivere, aan het leven telkens ontstijgende, drang naar eigen dimensies. Zij moet in dit puur licht geschreven worden. Alle religieuze, sociale, kunsttheoretische invloeden moeten als steun-punten voor kenschetsing vervallen, omdat zij slechts als aanleidingen, voorwendsels, hulpbruggen, als levensoverzichten, fungeerden. Dan vervalt goddank tevens de dwaze standen-indeling der Middeleeuwse poëzie, de dwaze overschatting der ‘gouden eeuw’, die, om maar één ding hier even te noemen, een boei van alexandrijnen om
ons dichterlijk lichaam hamerde waarvan nog in 1850 de schakels om Potgieters pols, wat zeg ik, nog omstreeks 1910 om Gossaerts keel geroest zaten (lees zijn ‘Verloren zoon’ eens over!). Dan vervallen tevens principiëler misvattingen: de poëzie als uiting van levensgenot en levendige tekening (Prinsen), de poëzie als teder zwichten naar ontroeringen en andere zwakheden van onze wereldlijke en vleselijke aard (Coster). Wij houden niet van de werkelijkheidsbeschrijving, wij houden, na Van Deyssel, van het proza. Wij houden niet van de ‘menselijke belijdenis’, wij houden van de poëzie, die de ouden niet ten onrechte als goddelijk beschouwden. Van het naakte geheim, ‘waar de goden zelf in schrijden’. Wij willen haar niet meer verward en aangeduid zien met haar aanleidingen, haar voorwendsels, haar hulpbruggen. Zij is in de eerste plaats aan te duiden en na te gaan in haar eigen wetten, in de ontwikkeling van haar eigen vormen, in haar eigen scheppingsmogelijkheden en -vermogen en de benadering daarvan.
Wat onze eigen moderne jonge dichters betreft, een andere houding tegenover poëzie en leven is niet te bespeuren. Tenminste niet volstrekt. Wel misschien betrekkelijk, en dan is het dit.
Zij nemen als uitgangspunt een volkomen zekerheid van hun interieur dichterschap, een volkomen zekerheid van de wezenlijkheid, ik zou willen zeggen, de werkelijkheid van het creatieve vermogen der poëzie. Dit is bijna een soort natuurlijke karaktertrek geworden. En nu zijn ze op zoek naar verrijkingen van het woord en naar een sterker werking van de vorm. Voor deze woord-verrijking doen zij uitvallen en plunderen zij, als het ware, de wereld wier levenswerkelijkheid geen vat meer op hen heeft, en voor de besten onder hen geen hinderlaag meer is. Vandaar het lichtzinnig staccato van hun waarnemingen en gewaarwordingen, het voorbij-ijlend noemen van beelden, het scheren langs raakpunten van het levensoppervlak.
Poging tot sterker werking van de vorm zien we b.v. in de regeneratie der ballade (Hendrik de Vries), van het verhalend
gedicht (Slauerhoff), in verhevigd accent en woord-plastiek (Marsman), in het hernieuwde besef van een macrocosmos (Besnard, en heel zwak en aan Adwaita te zeer ontleend: Van de Voorde).
Maar de bloemlezing behelst 31 dichters. Ik hoop hier slechts enigszins mijn algemeen standpunt tegenover de inleiding uiteengezet, althans gesuggereerd, te hebben, en zal, mijn mening aan die van de samensteller telkens toetsend, een volgende maal meer gedetailleerd over deze belangrijke uitgave schrijven.
Het voornemen om deze bundel samen te stellen is, zoals de inleiding zegt, ontstaan gedurende het doorbladeren van de bloemlezing uit nieuwe Duitse lyriek, die ‘Menschheitsdammerung’ heet, en ‘waarin een breed en compleet overzicht gegeven wordt van wat er in Duitsland aan nieuwe lyriek is ontstaan’. En onwillekeurig denken we, hoe anders deze bundel ‘Nieuwe geluiden’ ineen gezet zou zijn, indien Coster de ‘Poètes d'aujourd'hui’ door Van Bever en Léautaud in handen had gehad, naar welk voorbeeld ook de Italiaanse bundel ‘Poeti d'oggi’ door Papini en Pancrazi is samengesteld: een korte algemeen-gehouden inleiding en daarna, in alfabetische volgorde, de dichters met, de keuze uit hun gedichten voorafgaand, telkens een beknopte aanduiding van hun karakter en richting, een ‘notice biographique’ en een ‘essai de bibliographie’.
Juist bibliografische aantekeningen hadden we ook in deze bundel gaarne gezien. Zeer terecht schrijft de inleider: ‘deze poëzie van na 1918 ligt verspreid in tijdschriften, in dikwijls obscure bundeltjes, in uitgaven en uitgaafjes “niet in de handel” soms. Een geregelde kroniek dier poëzie wordt door bijna geen tijdschrift gegeven’, en ‘wij hebben reeds dikwijls vermoed, dat vele zonderlinge meningen over onze nieuwe poëzie ontstaan waren door dit absoluut gemis van overzicht dat de lezer heeft.’ Zeer juist; en daar deze bundel ons in de eerste plaats ver-
rast met bloemlezingen uit de moderne Vlaamse en de nieuwe katholieke dichtkunst, twee groepen die ongeveer nooit in onze grote algemene tijdschriften (als we ‘De Stem’ uitzonderen) publiceren, maar het belangrijkste deel in ieder geval van hun beschouwende en funderende opstellen laten drukken in groeps-organen en moedwillig particulariserende periodieken die het liefst maar ten Zuiden van onze grote rivieren schijnen gelezen te willen worden; daar past wel een korte bibliografie, niet alleen van de publikaties der dichters zelve, maar ook van de studies hunner essayisten. Neen, een ‘à consulter’ had niet mogen ontbreken. Ik herinner me b.v. dat ik, de enkele maal dat mij de ‘Nieuwe Eeuw’ ter inzage bereikte, daar opstellen van althans ernstige letterkundige arbeidzaamheid aantrof van Van der Meer of Bruning, dat ik éénmaal van Paul van Ostaijen een artikel te lezen kreeg, in ‘Roeping’, ‘Pogen’ of hoe het geheten hebben moge, dat van een merkwaardige blik ook op Noord-nederlandse dichters getuigde. Wij vinden nu alleen, in de inhoudsopgave, een vermelding uit welke bundel of uit welk tijdschrift het in de bloemlezing voorkomend gedicht is genomen, maar we hadden gaarne ook de bronnen van inleiding en bloemlezing vermeld gezien en vooral aanwijzingen tot verdere studie willen aantreffen. ‘Wij dringen de lezer onze mening niet op, hij vorme zich de zijne.’ Maar daartoe is in de eerste plaats literatuuropgave vereist. Ik persoonlijk maakte door dit boek voor het eerst kennis met belangwekkende verschijningen als Mussche, Gijsen, Kuyle, Bruning en Schreurs, maar waar vind ik opstellen, door hen en over hen? Hebben zij reeds bundels uitgegeven? Hòe kan ik mij een mening vormen? Moet ik mij dus toch die van de inleider laten opdringen, die niet alleen pionier maar monopolist wil blijven?
Dit over de bibliografie. Thans over de biografie. De gehele inleiding dankt haar waarde aan dit element: de hoge toonaard waarin telkens in enkele pagina's, voortreffelijk gestijld en doelbewust, het persoonlijk karakter en de levens-richting van een dichter, voor zover die kenmerkend en merkwaardig zijn voor
de gedichten die de inleider opnam, worden duidelijk gemaakt. Ook hier behoeft men zich natuurlijk nimmer een mening te laten opdringen, maar men kan niet anders dan toegeven, dat Coster in deze ‘meningen’ dikwijls, zoals hij dat ook vroeger deed, bij Boutens en Henriëtte Roland Holst, een soort kernbeschrijving weet op te stellen, waarin des dichters persoonlijkheid en de aard zijner poëzie worden samengetrokken. Het best gelukt hem dit dan weer in die gevallen, waarin de poëzie van een dichter schijnbaar voortkomt uit zijn leven en om zo te zeggen een verhoogde gebeurtenis is. De prachtige bladzijden over Werumeus Bunings ‘In memoriam’ zullen wel voor altijd de beste weg tot zijn poëzie blijven, en behoren bovendien voortaan in iedere bloemlezing van Nederlands proza.
Waren nu echter deze karakteristieken niet aaneengevoegd tot één inleiding, maar telkens afzonderlijk boven de opgenomen poëzie van de dichter geplaatst, zoals dat in de ‘Poètes d'aujourd'hui’ het geval is, dan had weliswaar deze inleiding veel van haar meeslepende betoogtrant verloren, maar tweeërlei voordeel was daarmee gewonnen. Ten eerste voor de lezer, die telkens onmiddellijk de inleiding zou kunnen toetsen aan de onderstaande gedichten, ten tweede voor de schrijver, die de tekortkomingen van deze karakteristieken, die nu, in algemeen verband, zich verontschuldigen opofferingen te zijn aan de overzichtelijkheid, maar die, afzonderlijk geplaatst, blijkbaar onjuistheden zouden geweest zijn, dan gemakkelijker had kunnen corrigeren.
Onjuistheden van verschillende aard. Overschatting, in het geval van De Mérode, Beversluis, Wies Moens; verkeerd inzicht, ten opzichte van Thomson, Bles, Van Dillen, Van de Voorde; onderschatting, bij Van den Bergh, Besnard, Marsman. Het was hem dan zeker ook opgevallen, hoe vreemd het is dat aan de gehele ‘Getij-groep’ (Van den Bergh, Kelk, De Vries, Theunisz, Slauerhoff, Marsman, even aangenomen dat dit een groep en déze groep de ‘Getij-groep’ is) slechts twee bladzijden worden besteed, tegen drie à vier maal zoveel aan
de Vlaamse en Katholieke groepen, terwijl het dan eenvoudig dwaas wordt, gehele bladzijden te wijden aan Beversluis en Van Schagen (al is dat interessant), en Besnard slechts als ‘bijloper’ van de veel minder oorspronkelijke Van de Voorde te behandelen. Bij de biografie van Herman van den Bergh b.v., had de inleider dan niet kunnen nalaten, terloops van diens belangrijke ‘Studiën’, in het ‘Getij’ verschenen, gebruik te maken, en hij had van dezelfde dichter, daar dit een bloemlezing is van poëzie tussen 1918 en 1923, niet slechts verzen uit ‘De boog’ dat in 1917 verscheen, maar o.a. ook zijn ‘Blinde karner’ opgenomen. Of hij had hem, met Werumeus Buning, van wie hij slechts gedichten opneemt, waarbij de dichter uitdrukkelijk vermeldt: ‘geschreven in 1915’, in de ‘Ingang’ geplaatst.
Hier raak ik, na mijn bezwaren omtrent bibliografie en biografie, aan de moeilijkheid der volgorde, die de Fransen m.i. juister oplosten, door een alfabetische en dus toevallige schikking te verkiezen boven een opzettelijke en dus partij-kiezende. Coster plaatste vóór de eigenlijke bloemlezing, die aan de jongste dichtkunst 1918-1923 gewijd is, een kleine ‘Ingang’, d.w.z. ‘enkele dichters, die voor het tijdvak 1910-1918 representatief waren, opdat de lezer een geleidelijke overgang hebbe en zelf kan constateren, op welke wijze sommige veranderingen in vorm en leven plaatsgrepen.’ Zijn keus daartoe is gevallen op Van Eyck, Gossaert, Bloem, A. Roland Holst en Nijhoff. Hij zelf geeft toe dat, naast de gekozenen, J.I. de Haan, Mr. Keuls en Aart van der Leeuw ‘ternauwernood minder waarde’ hebben. En inderdaad, zowel De Haan als Van der Leeuw hadden in de ‘Ingang’ niet mogen ontbreken, maar Mr. Keuls, wiens ‘In den stroom’ in 1920 is verschenen, had niet in de ‘Ingang’, maar bij de jongste poëzie zelf, een plaats kunnen innemen. Terwijl Werumeus Buning en Van den Bergh, zoals ik boven reeds chronologisch aantoonde, niet tot de jongste poëzie, maar tot de ‘Ingang’ behoren.
Dit indelen in groepen is een hachelijke onderneming en
heeft, daar niemand in ons land beter de persoonlijkheden van dichters kan schetsen dan Coster, in een bloemlezing, waarin hij op de persoonlijkheid telkens de bijzonder gerechtvaardigde nadruk legt, toch weinig dieper belang. Alleen komen nu dichters van grote betekenis dikwijls in de knel, zoals b.v. Werumeus Buning tussen De Mérode en Beversluis, en Besnard tussen de katholieken en de Getijers. Coster schijnt iets dergelijks gevreesd te hebben voor enige dichters die hij, in zijn indeling van de op de ‘Ingang’ volgende ‘jongste poëzie’, bijzonder begunstigt en daarom ook maar voorop laat gaan en tot een zonderlinge groep samenstelt: ‘De afzonderlijken’. Wie daarin meent Nine van der Schaaf, Marie Cremers, Van Geus, Van Elro, Scholte of Chasalle aan te treffen, vergist zich. De inleider had zijn ‘afzonderlijken’ beter aangeduid met de ‘Stemgroep’, hetgeen even juist ware geweest als de formatie der ‘Getij-groep’, en zeker in alle opzichten duidelijker, want het zijn: Van Dillen, Marie van K. en Van Schagen, die alleen dit ‘afzonderlijke’ hebben, dat zij het algemeenst menselijke en natuurlijke, zonder veel omhaal van poëzie, trachten te uiten (waarin Van Schagen dikwijls slaagt) en zodoende inderdaad meer stem dan dichter zijn!
Zo zijn er meer vreemdheden en, werkelijk, onjuistheden en onrechtvaardigheden, ook in de keuze der gedichten en in de ruimte die aan onbelangrijke, ten koste soms van belangrijker figuren, wordt toegemeten. Maar dit is een kwestie van smaak, en met enkele opmerkingen, waarvoor hier slechts plaats is, zou toch weinig gezegd zijn. Ik bepaal mij tot nog enige punten, van algemener aard, aan te stippen waarbij Coster te simplistisch of onjuist te werk ging. Daar is de verhouding Boutens tegenover De Beweging, die ik hier maar had laten rusten, omdat ze meer en specialer onderzoek vereist. Daar is ‘de atmosfeer van 1910’, waarvan Coster zo juist zegt: ‘allereerst vervuld, verzadigd letterlijk door de bewondering voor de meesters, die toen het rijptste van hun wezen gegeven hadden, P.C. Boutens, Henr. Roland Holst en J.H. Leopold’, en even la-
ter, wederom zeer terecht: ‘er was een tijd, dat er in Holland geen jong dichter meer verschijnen kon, of hij viel aan deze melodieuse doem ten prooi’. In 't algemeen niet juist, als men bedenkt dat de eerste navolger van Henr. Roland Holst Van Collem was in 1906, en Leopolds eerste invloed in 1915 merkbaar wordt, in Buning. Neen, vóór de oorlog waren het veeleer Van de Woestijne en, natuurlijk, Boutens en, voor een andere groep, Verwey. Henr. Roland Holst heeft nooit school gemaakt, en Leopolds stem is veel, veel later, misschien pas eerst na 1920, dwingend geworden, toen A. Roland Holst zijn groot ‘Gids’-artikel over hem geschreven had. Verder, als laatste punt, want ik moet ophouden, begrijp ik niet waarom, al was het maar bij Beversluis (waar zijn naam beter zou gepast hebben dan die van Gezelle), wij niets van Adama van Scheltema horen, wiens school door Margot Vos bij de jongste dichtkunst waardiger vertegenwoordigd had kunnen worden, en door Jan Prins in de ‘Ingang’; - waarom wij niets horen van Tagore en Whitman, die méér invloed op de Nieuwe Katholieken en Moderne Vlamingen, voor zover ik naar hun bijdragen hier oordelen kan, gehad hebben dan zuster Hadewijch of de Duitse expressionisten, misschien zelfs nog meer dan Boutens of Apollinaire? (bien étonnés de se trouver ensemble).
Ik besluit deze bespreking. Het boek zal zeker zijn doel bereiken: oriëntering en prikkel tot eigen oordeel-vorming; waaruit zonder twijfel niet anders dan meer waardering voor onze moderne poëzie zal ontstaan, want als geheel, als wijd-vertakt organisme, is ze de merkwaardigste van West-Europa, maar bovendien heeft ze enige bijzondere verschijningen die we nergens anders aantreffen. Over Hollandse poëzie geringschattend oordelen, is haar niet kennen. Althans haar niet verstaan. Althans haar niet met die welke andere landen tegenwoordig laten zien, vergelijken.