terug  begin  verder

Henrik Scholte
Chrysantheem

Nog immer bloeien de tuinen van Oscar Wilde, van Mallarmé en van Stefan George, en iedere zomer stuift de poëtische passaat-wind van links naar rechts en van rechts naar links dansend en dwarrelend zaadjes en pluisjes over Europa heen en weer. En de jonge dichters te Kopenhagen en Milaan, te Amsterdam en

[p. 208]

Barcelona zetten hun bloempotten buiten het venster in de witgeschilderde rekjes en vertrouwen dat dezelfde wind, die de zee beweegt en de regen tegen de ramen aanjaagt, één zaadje, één enkel zaadje in hun zorgvuldig-gemengde bakken zal vastwoelen, terwijl zij, over hun opengeslagen boeken gebogen, zich tot de verdere kweek voorbereiden.

Henrik (Ibsen) Scholte vond, toen hij zijn venster weder opende, een merkwaardige plant in de nacht daar ontbloeid. Zij bestond uit ontelbare scherpe, want nog om zichzelf dicht-gerolde, naaldachtige sprieten (die hij ten onrechte ‘kelken’ noemde), sprieten, zei ik, die van onderen het verscholen hart van de bloem in rode plekjes doorboorden, en tevens met hun puntige toppen, om zo te zeggen, dauw uit het zonlicht prikten. Hij heeft deze vreemde plant helaas niet opgekweekt, hij heeft haar niet gedrenkt met inkt noch met bloed, waarmede zulke bloemen zo gaarne begoten worden, hij heeft de naalden niet ontrold, omdat juist dit stekende hem zo uitstekend aanstond -, neen, hij heeft Wybo Meyer laten komen, een foedraal doen ontwerpen, en daarin deze van ingehouden bloeikracht spichtige spruit, ietwat gedroogd reeds, maar met een herbarische goudglans, weggeborgen. Thans, als men in het half-donker van zijn kamer binnentreedt, opent hij voor de waardige vreemdeling geheimzinnig fluisterend het foedraal en toont ons zijn ‘Chrysantheem’

 
De duisternis stond in vervoering
 
rondom haar heen: groot en voornaam
 
bloeide de bloem als een ontroering
 
tegen de schemer van een raam.
 
 
 
Zij wilde nimmer meer verwelken,
 
door ongetelde uren heen
 
hielden haar omgebogen kelken
 
de scherven van haar hart bijeen.
[p. 209]
 
O hart, gij hebt zooveel toernooyen
 
geleden tot den laatsten lans,
 
dit was Uw loon: verzen ontplooyen
 
als chrysanthemen in een krans.

Het is zeer juist gezien, dit bundeltje in beperkte en kostbare uitgave te doen verschijnen. Het moet inderdaad slechts onder ogen komen van zodanige poëtisch-deskundigen, die in gedichten niet alleen de gedichten, maar tevens de dichters verstaan. Het dadaïsme heeft wel overtuigend aangetoond, dat niet alles wat een waarlijk dichter schrijft daarom reeds een gedicht is. Scholte is werkelijk een zeer talentvol jong dichter van aandrift en opzet, maar het bovenstaande gedicht, dat zijn bundel inleidt, blijft als geheel daarin het beste, al leest men telkens onder en tussen de regels (ik schreef: telkens, maar ik bedoel: voortdurend) dingen die beter zijn dan de verzen uitspreken. Dit geeft aan deze gedichten al de charme van jeugd-poëzie, die verwondert en weer ontgoochelt, een zekere tergende sierlijkheid, die meer kieskeurigheid dan beheersing is, een heftigheid, die de onhandigheid nooit geheel excuseert, - maar zulke poëzie moet beperkt blijven voor dezulken, die een dichter nooit wantrouwen, maar hem blijven volgen, zelfs tot voorbij de absurditeit. Zo heeft ‘Chrysantheem’ voor de goede verstaanders de waarde van een kennismaking met iemand, die men te zien zal krijgen in zijn groei, waarvan dit een aanvangsstadium is, maar nog niet als een staaltje van diens vermogen. Scholte maakt een indruk van bewustheid, en hij zal wel, evenals wij, zekerder zijn van zichzelf dan van zijn werk; en hij zal wel, evenals wij, weten dat slechts de oorsprong van deze gedichten zuiver was, maar dat zijn kracht zich tijdens de arbeid van het neerschrijven ontspande en naar een krachteloze precieusheid zwichtte. En daarom durf ik voorspellen, dat Scholte een figuur zal worden in onze poëzie, een figuur, die bestaan zal, maar nog in voorbereiding is haar aanleg beschikbaar te stellen. Materieel gesproken is hij een dichter, formeel echter heeft hij dit, in deze

[p. 210]

bundel althans, nog niet bewezen. Materiële poëzie zou men kortweg noemen: het zingen van een dichter (niet te verwarren met de mens in hem), formele poëzie: het gedicht ‘als uit zichzelf gezongen’ (de woorden zijn van Scholte, blz. 10). Hij weet nog zo goed als nooit het een op het ander over te dragen, hetgeen de organische groei van alle waarlijke poëzie vereist en haar een tijdloosheid en waarheid boven de persoon des dichters verleent.

Zodoende zijn deze verzen in zoekende toon en onrustige vorm geschreven en blijven eigenlijk een grillig-gecoupeerd kunst-proza (want de rijmwoorden bewijzen door hun veelvuldige uitzonderlijkheid, uitheemsheid en uitmodischheid een zwak rijmgevoel). Ik moet hem daarom persoonlijk waarschuwen voor een verder zoeken in de richting van het ‘Leemen idool’, het gedicht in vers-libres, dat de bundel gevaarlijk besluit, ook al vermag hij daar een zeker cubisme in te leggen, dat doet denken aan illustratieve houtsneden. Zijn m.i. juiste richting is de korte strofische zelfbezinning, waarbij hem zijn grote gave voor alliteratie en assonantie wel zal heen helpen over zijn zwak rijmgevoel, of de langzame beschrijvende alexandrijn (als in ‘Clown’, dat iets te druk, maar in de grond echt is), waarbij hij dan heel wat van de virtuoze tekening en de opstapeling der beelden, woorden, die terstond tot harde droppen stollen, kan laten varen voor een expressiever ritme en een beter-geconstrueerde volzin. Thans is de volzin niet passend in de strofe, die soms klemt en dan weer te ruim is, maar zelden gevuld wordt. Ja, wanneer men b.v. in een gedicht als ‘Clown’ de stottering der aanstippende woorden en der formulerende bijzinnen eens zou uitleggen tot een paar syntactisch-zuivere volzinnen binnen de zelfgestelde vorm van het gedicht, zou het er enorm door winnen. Het rijm zou dan vanzelf minder accidenteel lijken, het ritme leniger, de betekenis niet zozeer de klank onderdrukken, als thans het geval is.

Ik ben veel-eisend, omdat Scholte reeds aanleiding geeft veel van hem te verwachten.

terug  begin  verder