terug  begin  verder

[p. 211]

Johan Theunisz
‘Het klare dagen’. Een sonate in verzen

Veel minder zeker dan van Scholte ben ik van Johan Theunisz, en ik zie nog liever dat een bundel ‘Chrysantheem’ heet en een afdeling ‘In memoriam Louis Couperus’, dan, zoals bij Theunisz, ‘Een sonate in verzen’ en indelingen als: Adagio mesto-Allegro moderato-Presto ardito ma non troppo!

‘Dit is werkelijk meer mesto dan presto’, zeg ik met de straatjongen. Had Theunisz dan geen oudere vriend, met wat smaak, aan wie hij zijn proeven had kunnen laten lezen?

Maar er zijn ernstiger dingen waarom ik aan hem twijfel. En als ik even nog aan de onderscheiding: materiële en formele poëzie, die ik hierboven aanduidde, mag herinneren, zou ik het zo kunnen uitdrukken: materiële poëzie heb ik hier haast niet gevonden; een fond van persoonlijk dichterschap, dat zich in een eigen levens-overzicht van zijn kracht bewust wordt en daarin zijn wereld samentrekt tot een massa van energieke elementen, die in een voortdurende geduchte hunkering verkeren dat één enkele inslag heel hun wezen zal doen ontbranden, zoals de chaotische aardse Adam van Michel Angelo zich wendt naarde aanraking van Gods uitgestoken hand, werkelijk, zelfs iets dat hiermee microscopisch te vergelijken zou zijn, heb ik hier niet gevonden.

Er blijft, nu de grondtoon des dichters in deze verzen ontbreekt, een gevoelig mens dat zich uitspreekt in formeel bijna gevaarlijk-handige versregels. Zuiver-formeel gesproken zijn deze verzen zo kwaad niet, maar ze verraden hun gebrek aan bodem door een voortdurend weerstandloos fladderen in de toon en door de meest evidente ontleningen aan de meest uiteenliggende poëzie. Niets is begrijpelijker in een jong dichter dan een bewondering voor A. Roland Holst, en zelfs dat een voorlopige onmacht hem niet in staat stelt diens geheimzinnig gefluisterd ‘Dit eiland’ tot meer om te werken dan tot een redenerende ‘Nocturne’ -, maar dat hij dan tevens Reddingius

[p. 212]

plundert, is mij een raadsel. We vinden hier Van den Bergh en Kelk en wel drie Hendrik de Vriezen: van ‘De nacht’, van ‘Vlamrood’ en van ‘Lofzangen’, in het koorts-visionaire, in het pointillerend-descriptieve en in het galmende.

Theunisz' poëtische kans schuilt in zijn ritme dat een rijk en wendend vermogen heeft. Somtijds (als in ‘Dieven in een leeg huis’ of in ‘Angst’) bereikt dit zulk een vaart, dat het als het ware door de luchtledige woorden heenschiet, en in het gedicht met een zeer expressieve en snelle lijn een verbeeld gevoel in omtrekken vastzet. Dit is geen gering vermogen en het is vooral hierom dat we zijn ontwikkeling moeten blijven volgen. Voorlopig, uit de bundel die nu voor me ligt, kan ik van zulle een tekenend ritme geen beter voorbeeld geven, dan het vlotte schetsje ‘Pizzikato’, geschreven naar een dans van Niddy Impehoven:

 
Op een punt van muziek,
 
tript ze luchtig-lucht...
 
met een lach aan de mond
 
en de hand ter vlucht...
 
op een punt
 
op een punt van muziek!
 
 
 
Plots: ze staat, - ploem! ploem!
 
bij een schok der muziek.
 
 
 
Maar de hand aan de mond
 
en dan juichend òp,
 
zweeft ze luchtig-lucht,
 
vlindervleugelvlug,
 
op een punt,
 
op een punt van muziek!

terug  begin  verder