‘Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overleide ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zoo heb ik teniet gedaan hetgeen eens kinds was.’
Men kan werkelijk niet krachtiger en niet korter, als Paulus hier gedaan heeft, de weerzin formuleren tegen een verschijnsel dat ik hier, in de poëzie van Willem de Mérode, ter sprake
breng. Het is een verschijnsel niet zozeer van zijn poëzie zelf (die hier en daar lang niet slecht van toon is) als wel van de ziel des dichters, van de kern waaruit deze poëzie ontsproot, en die zodanig door hetgeen ik omschrijven ga is aangetast, dat het voortdurend en waarschuwend in zijn poëzie voelbaar wordt. Het is het verschijnsel der kokette kinderlijkheid. Maar een kinderlijkheid niet van de geest, als men gemakshalve en vergoelijkend aan menig mysticus en b.v. aan Paul Verlaine toeschrijft, neen, een kinderlijkheid van nature, een zelfvoldane onvolgroeidheid, een restant van opzettelijk achtergebleven jeugd. Juist in een profeet is de pose van belhamel afstuitend, en desgelijks in de dichter, de door zijn woordkracht naar bewustwording van elementaire menselijkheid willens en wetens voortgedrevene, komt een pose van primitieve argeloosheid en van jeugdige lukrake zing-zang eenvoudig niet te pas. Dit zogenaamd natuurlijk-blijven, deze behaagzieke achterlijkheid, komt voort uit een gemis van waarachtige manlijke ernst, of liever uit een vrees, daarin zoveel duidelijker tekort te schieten.
Het resultaat is een zekere frisheid die onecht is, een zekere voorgewende eerlijkheid die een hovaardige slag om de arm houdt, een zekere uitstalling van een zich opdringend braafheidsbesef die niet anders dan hinderlijk is. Men voelt zich gaarne kind, omdat men dan eerder aanspraak kan maken een diepzinnig kind te zijn; of liever, men vermijdt mens te zijn met een voorgevoel van de eenzaamheid en de zwakheid die daarmede ons mogelijk deel zijn. Een vergelijking van b.v. Adama van Scheltema en Hélène Swarth kan al voldoende duidelijk maken, hoezeer dit ontwijken een nog erger tekortkoming is dan het vrijwillig zwichten in menselijke zwakheden, hetgeen met een vorm van bewustwording kan samengaan. Het verschijnsel, echter, waarop ik hier wijs, belemmert juist alle rijper bewustwording. Men ontmoet het in vele vormen, schakerende tussen het prevelend bedrog van Tagore en de zwendelende ernst van Rilkes ‘Stundenbuch’, steeds herkent men het aan een geest, die zich behagelijk-deemoedig in een zangerige hinderlaag neer-
vlijt en zijn diepste kennis reeds uitgesproken acht in de pathetische symbolen van een geheel onpersoonlijke mystiek. Dit is ‘het zien door eenen spiegel in eene duistere rede’, waarvan Paulus verder spreekt, en nimmer bereikt men, zoals hij voortgaat in hetzelfde vers, het ‘zien van aangezicht tot aangezicht’ en het kennen van God ‘gelijk ook ik gekend ben’.
Ik schrijf als voorbeeld een sonnet ‘De getuige’ voor u over.
Men kan, natuurlijk, van een fles en een kandelaar een stil-leven samenstellen en daarin, zoals men dat noemt, zichzelve geven; vlam en wijn kunnen in diepe en bovennatuurlijke zin beschouwd worden; - maar zó zichzelf en God telkens in één adem en in één regel dooreenhaspelend te noemen, is eenvoudig mystificatie van gewichtige zelfvernedering.
Het aangehaalde is niet De Mérodes beste noch zijn slechtste gedicht. Het geeft een beeld van zijn gemiddelde kracht. Coster heeft, in de bloemlezing ‘Nieuwe geluiden’, ongetwijfeld zijn
beste werk naar voren gebracht. Ik volsta met een verwijzing daarheen. De Mérode schrijft te veel: in twee jaar tijds twee dikke bundels is niet in evenredigheid met zijn groei noch met zijn vermogen. Zowel in ‘Het kostbaar bloed’ als in ‘Het heilig licht’ ontbreken bloed en licht. De navolgingen van Rilke, Bloem en, een enkele maal, van A. Roland Holst van ‘Verzen’, zijn bijkans ontleningen. Alles duidt op haastig en gemakkelijk werken. Wij hopen voor deze dichter, die naar mijn weten nu reeds twaalf jaar lang jeugdpoëzie laat horen, met zeer zeker een aardige stem maar voortdurend de baard in de keel, dat hij zich eindelijk, wederom met Paulus, zal afvragen: ‘Zullen wij in de zonde blijven opdat de genade te meerder worde?’ En wij hopen, dat hij eveneens zal antwoorden: ‘Dat zij verre’, en dat hij zich met de moed van een wanhopig inzicht zal opmaken voor een tocht naar Damascus, en dat hij tenslotte hetzelfde versificatorisch talent ter beschikking moge hebben, wanneer hij over de Grote Ontmoeting zal komen te spreken.