Het is moeilijk over de gedichten van Slauerhoff te schrijven, omdat hij zelf, schijnt het telkens, ontweek ze te schrijven. Nimmer troffen mij zo sterk, en op éénmaal alle tegelijk, al de manieren waarop een schrijver vermijden kan, datgene direct te zeggen wat hij eigenlijk zeggen wil. Deze gedichten zijn vermaskeringen, acteren hun eigen gevoelsinhoud, substitueren andere persoonlijkheden voor de schrijver zelf, doen aan als vertalingen, verbergen het verhaal onder een opgeschroefde fantasterij, draaien, kronkelen, mythologiseren in het absurde, maar verraden, ja het heeft telkens een air van verraad, verraden onder hun hardheid die onhandigheid en hun brutaliteit die verlegenheid blijft, een zekere uiterste spanning van nerveuze sentimentaliteit.
Slauerhoff heeft een buitengewoon gevoelige natuur, zeer menslievend, zeer medelijdend. Hij schaamt zich hiervoor, en steekt deze eenvoud weg in een lyriek, met opzet gecompliceerd. Maar dan zorgt hij ervoor, waarschijnlijk onbewust, dat deze opzet merkbaar is en terdege door de mand valt. Dit doet hij door het aanheffen van verscheurende dissonanten en krassende gemeenplaatsen. Terwijl men sommige gedichten leest, hoort men gramofoon-platen afdraaien, een stem die rauw lacht maar inderdaad (en dit is hoorbaar) snikt als Paljas ‘want het hart is gebroken’. Maar hij hoopt dat wij niet geloven in zijn onstuimige bravour, hij hoopt dat wij niet denken zullen dat zijn hart gebroken is, hij hoopt dat wij zullen raden welke gevoelens tussen hun klaarblijkelijke tegenstrijdigheden worden aangeduid. Hij probeert de waarheid, die naar hij meent niemand durft zeggen, met de waarheid te bedekken. Hij overschreeuwt zich en denkt: nu zal niemand mij goddank geloven. Dit is de Hamlet-houding waarvan Bruning zei: laatste suggestie van zekerheid.
Ik meen dat zijn gevoelsleven van uitsluitend lichamelijke
aard is. Dit is meestal zo in gedichten door mannen waarin vrouwenfiguren het onderwerp zijn. De voor de kunstaandrift noodzakelijke objectivering schept zich tegelijkertijd een object voor het gevoel. Dat deze vrouwen dan weder vrouwen begeren (als in de gedichten: ‘ De vriendinnen’) is een voorbeeld van wat ik daareven het overschreeuwen van de waarheid noemde. Dat hij verder als onderwerpen kiest: oceaannachten, verzonken continenten, tempel-eilanden, ik laat het aan ieder die wel eens in Freud bladerde over, het karakter van de dichter hiermede nader te analyseren.
Wat mij aantrekt in dit lichamelijk gevoelsleven, is zijn in het donker tastende drang naar bewustwording. Neemt de natuur in ons, reeds enkel door haar poging zichzelf te willen kennen, deel aan het geestelijk leven? Misschien wanneer zij zich aan de natuur van de buitenwereld, de werkelijkheid, toetst. Misschien doordat zij, dit doende, door een verovering zich in een zekere vluchtende ijlheid bewuster wordt. Zij gaat in haar onderscheid zichzelf kennen, en zich weer fijner onderscheiden. Dit verklaart Slauerhoffs voorliefde voor semi-mythologische gestalten als nymfen en sirenen, de door een lichte graad van personificatie uit de elementen losgekomen half-mensen. Ik voel daar bij hem een worsteling in, een worsteling echter naar lichtheid, naar nauwelijks natuur meer zijn. Dit, de natuur bijna tot een spel ontkend en daarmee bedwongen te houden, is naar ik meen het hoogste wat Slauerhoff, in deze bundel althans, bereikt. Ik citeer een strofe uit het gedicht ‘ Nymphen’: (wij erkennen niet, zeiden de nymfen, dat de natuur leeft met drift en bloed; bomen zijn stok-oude grijsaards, bloemen als verkleurende sieraden, beide verwerpelijk. Maar)
Uit de laatste vijf regels van dit citaat zou het gehele karakter van deze poëzie te verklaren zijn. Onmiddellijk hierop, wanneer de dichter tracht te suggereren, wanneer de nymfen dan wel ‘ernstig’ zijn, loopt het nog spaak. Mislukkingen, als miskramen, komen te voorschijn, wanneer deze half-goden, nauwelijks monsterlijk dier geworden, weder tragi-komisch worden afgeslacht (Sirenen II). Neen, zijn mogelijke ontwikkeling gaat naar een langzame vermenselijking dezer half-goden. Het worden vrouwenfiguren, weerkaatst in een spiegel, in haar zelfbeschouwen de mijmeringen aangeduid, vage en dwalende verhalen van over zichzelf peinzende mismoedigen -
neuriën zij allen, zich verdiepend in een lichamelijke onbestemdheid, die geen weerstand meer ondervindt. Eén enkele
maal wordt dit gevoel, alvorens weder belichaamd te worden, in een natuurstemming, en dan zeer zuiver uitgedrukt:
Ik heb dit lied zonder woorden liever, dan de luidruchtige waarheden van ‘Tristan Corbière’ en zo vele andere gedichten uit deze bundel. Slauerhoff zal zijn werkelijke kracht eerst bereikt hebben, wanneer hij, vóór haar zwervende levens, ons eerst de gestalten van zijn droevige heldinnen in scherper omtrekken zal doen zien. Hij zal ze moeten loshouwen uit de verwarde rotsklompen die voor hem opdoemen. Zij smeken als het ware om een Perseus die haar bevrijden zal. Maar daartoe is een diepe geestelijke ernst nodig, en die bezit hij alleen, wanneer het grootste gedeelte van deze bundel inderdaad slechts een spel van donkere lichamelijkheid geweest is, hoezeer hij dit ook veinzend trachtte te ontveinzen.
Het gedicht, dat in zijn geheel het best is, vindt ge op bladzijde 50: ‘ Grafbeeld van Nofrit’. Daar komt, wanneer zijn mijmerij de Egyptische koningsdochter uit het verleden oproept, inderdaad een lichaam en niet slechts een leven bloot.
Men kan aangaande Slauerhoff grote verwachtingen koesteren, hij heeft beweging en zeggingskracht.