terug  begin  verder

[p. 266]

J.G. Danser
‘Gedichten’

Het was in 1917, meen ik, dat Dansers gedichten ‘ Ontmoetingen’ in een klein bundeltje door Van Krimpen werden uitgegeven, in een oplaag van 75 exemplaren. Die zijn natuurlijk allang uitverkocht, en een nieuwe vermeerderde uitgave verscheen bij Van Dishoeck.

Toen deze gedichten, dus ongeveer acht jaar geleden, mij voor het eerst onder de ogen kwamen, hebben ze mij niet bijzonder getroffen. Maar Danser stierf kort daarna, in 1920, en een naschrift in de Van Dishoeck-uitgave (door Jan Greshoff geschreven?) vermeldt dat hij toen pas 27 jaar oud was. Hij was dus van dezelfde leeftijd als de eveneens zo vroeg gestorven Van 't Lindenhout, die het mijns inziens reeds verder gebracht had, en met wiens dood een stelliger belofte onvervuld bleef. Ik heb het altijd jammer gevonden, dat Van 't Lindenhouts werk niet in een algemeen bereikbare uitgave herdrukt werd. Voor een aantal vrienden werd, in zeer beperkte oplaag, een door dilettanten samengestelde keuze uit zijn merkwaardig en telkens weer verrassend-veelzijdig werk gedrukt en op verzoek verkrijgbaar gesteld. Een onnodige piëteit heeft zijn talent, zijn bewegelijke en slagvaardige techniek, geen recht doen wedervaren. Dit spijt me nu weer, omdat ik nu, bij het overlezen van Dansers klein oeuvre, inzag hoezeer een oordeel, juist over iemand die een ‘tweede kracht’ is, zich wijzigen kan, wanneer het tijdperk, waarin hij zijn stem deed horen, voorbij is. In dat tijdperk zelf is zulk een figuur sterk noch zelfstandig genoeg om door te dringen en een afzonderlijke houding te suggereren, maar later, wanneer wij de karakters der grote dichters overzichtelijker voor ons hebben en hen langzamerhand zó persoonlijk-geprononceerd zien dat wij ze niet meer als representanten van hun tijd maar in de eerste plaats als aparte grootheden gaan beschouwen, later, meen ik, wordt het dan juist het belang van enkele ‘poetae minores’ hun tijdperk vertegenwoor-

[p. 267]

digd te hebben, en dit belang wordt ten opzichte van diegenen die zulks het zuiverst deden in het oordeel van het volgend geslacht van werkelijk letterkundige betekenis. Ja, ik geloof dat voor iemand die de stromingen en gevoelswendingen van literaire perioden wil nagaan, de kleine dichters belangrijker zijn dan de grote, die door hun te-veel een tijdperk doen overschatten of onrechtvaardig in de schaduw stellen.

Twee zulke zuivere weergevers van de atmosfeer van 1910-1916 waren ongetwijfeld Van 't Lindenhout en Danser. Van deze sfeer heeft Coster gezegd, dat ze ‘verzadigd was van bewondering’ voor Boutens, Leopold en Henr. Roland Holst en dat er letterlijk geen gedicht in die tijd ontstond, dat zich aan ‘dezen melodieuzen doem’ kon onttrekken. Wanneer men voor Leopold en Henr. Roland Holst nu maar Karel van de Woestijne en Verwey leest, is dit zeer zeker juist. Van Eycks ‘ Uitzichten’ b.v. staan sterk onder invloed van Van de Woestijne, en een gehele schaar, die toentertijd in De Beweging schreef, heeft veel aan Verwey te danken. Maar buiten deze navolging der groten om, zijn er een paar jongeren geweest, - en in ieder tijdperk zijn die aan te wijzen -, die niet zozeer in de schaduw der reuzen, maar meer direct in de sfeer van hun tijd werkten en die dus, om zo te zeggen en zonder ontlening, in zekere mate geheel zichzelf waren. En bij Van 't Lindenhout en Danser, al schreven ze beiden in ‘ De Beweging’, en al is er bij Van 't Lindenhout veel dat naar Van de Woestijne zweemt, valt nu juist heel sterk die door de tijdgeest bepaalde en weer getemperde persoonlijkheid te bespeuren die ik hier bedoel.

Wij lezen over Danser in het levensbericht, achter de verzen:

‘Hij leefde voor de litteratuur. En hij schreef om het stille genot van te schrijven in een glashelder, statig Nederlandsch, zooals hem dit geleerd werd door de klassieken, in het bijzonder door P.C. Hooft naar wien zijn voorkeur ging. De innige beslotenheid van zijn gemoedsleven deed hem Gezelle hartelijk liefhebben. Onder zijn oudere tijdgenooten boeide hem Albert Verwey, om diens menschelijken ernst, en een hooge opvatting van het dichterschap. Danser las veel, langzaam en goed. Geen nuance in

[p. 268]

de uitdrukkingswijze, geen geheime bedoeling achter de woordschikkingen ontging aan zijn aandacht, die zich over iedere schoonheid eerbiedig heen boog. Hij was een jongeman, zooals wij er in dezen tijd te weinig kennen, die boven het verborgen leven, gevuld met teederheid en verzen, geen ander verlangen kende. Hij was zuiver van iedere eerzucht. Hij wilde “er” niet komen. Hij discussieerde niet, hij theoretiseerde niet. En hij haatte alles wat naar reclame zweemde.’

Dit is een uitnemende beschrijving van het karakter van zulk een dichter. Een zuiver weerspiegelend wezen blijft hij, meer ontvankelijk voor onpersoonlijke dan voor persoonlijke invloeden. Weinig creatieve kracht, misschien zelfs niet de zo begrijpelijke behoefte om met desnoods geleende vleugels de dierbare tuin der mijmeringen te ontvluchten. Maar, daartegenover iet-wat eenzelvig in zijn verzonkenheid, met in zich het onbegrepen wemelen van alles wat uit de tijd hem toestroomt en wat hij houdt voor de eigen droom. En geen andere geestelijke roeping dan die droom zo nu en dan iets langer in zich om te dragen en dan met smaak en gevoeligheid weer te geven, wanneer de gestalte van een geliefde of een avondstemming die bewogenheid even een persoonlijke inslag geeft. Een edel instrument zijn, waarin de stilte één ogenblik hoorbaar wordt; en dan weer zwijgen, desnoods voorgoed zwijgen, zodra de ontroering weder de vage droom inglijdt. En al is dit veel minder dan het begin zelfs van een groot dichter, het is veel meer dan men, als tijdgenoot, denkt dat het is. Maar dat meerdere komt later te voorschijn, als de tijd voorbij is en deze stem blijkt gebleven te zijn, wonderlijk als een aangehouden echo.

Ik schrijf een der zuiverste gedichten van Danser voor u over.

De gelukkigen
 
Zij schrijden onder 't vaag geruisch der blâren
 
Door 't zwoele duister van een sombre laan
 
Waar hier en daar een eenzame lantaren
 
Het loover in een zilver licht doet staan.
[p. 269]
 
Zij spreken van hoe droef ze eens beiden waren,
 
Wat pijn ze elkander hebben aangedaan,
 
Maar dat zij toch na leed van vele jaren
 
Een grenzenloos geluk zijn ingegaan.
 
 
 
Dan staan zij stil en zwijgen. Maar zij beven
 
Beiden door bange ontroering overmand:
 
Het is als zal hun diepst verdriet herleven -
 
 
 
Tot zij weêr samen voortgaan, hand in hand,
 
Elkaar hun droom verhalend als zooeven,
 
Hun ziel doorgloeid van liefdes zachten brand.

terug  begin  verder