terug  begin  verder

François Pauwels
‘Tziganen’

François Pauwels heeft, in zijn jonge jaren, enige alleraardigste gedichten en een enkel prachtig gedicht geschreven. Men vindt die in zijn, door de Wereldbibliotheek uitgegeven, bundeltje ‘Enkele verzen’, naar ik meen een bloemlezing uit jeugdwerk. Een paar studentenverzen, à la Piet Paaltjens, maar met meer breedheid en zwier, treffen door een directe tekening, waarbij de stipte snelheid zelve van de beeldjes een karikatuur maakt, zoals soms Engelse prenten dat kunnen doen; maar men vindt er bovendien het door zijn ingetogen tederheid ontroerende ‘De weezen’ (Een rein geluid uit jonge kelen) en ‘De nachtelijke sleepster’, ongetwijfeld zijn beste gedicht. Het is de gestalte, het ‘fantoom’, zou hij later zeggen, van een vrouw die, zwijgend en afgebeuld, in de nacht een boot door een kanaal sleept, en van de dichter die haar volgt, enige tijd gelijke pas houdt met haar langzame tred, en achter haar aan de sleeplijn medetrekt. Er is, tot in de vorm van dit gedicht, iets van de stapvoetse gang en de urenlange verdoving, iets van het buigende touw en het eindeloos kanaal. Er is een verdriet in, dat sterker is dan dat der vrouw die, bijna slapend en in gebogen bewusteloosheid in de lijn hangend, voorwaarts valt op haar zware voeten; - er is een medelijden in, dat sterker is dan het gevoel van de dichter, dat zijn machteloze hulp bijna belachelijk maakt, dat zijn persoonlijkheid in een zekere onbegrensdheid uitschakelt; een soort Russisch medelijden; geen menselijke stem, méér dan dat: een donkere keel, die in de nacht op de grote rivieren een lang-aangehouden klacht slaakt door de duistere stilte, alsof

[p. 278]

een geweldig en ongezien dier zich kreunende in zijn slaap langzaam omwentelt.

Ik had de ‘Nachtelijke sleepster’ heel wat liever geschreven dan de ‘Iris’ die zoveel tot Perks populariteit bijdraagt, of zelfs dan ‘Het kindeke van den dood’ van Hemkes, om eens een dichter te noemen die ook door één enkel gedicht terecht bekend mag blijven.

Wat is er echter, dichterlijk gesproken, met Pauwels gebeurd toen hij na de ‘Nachtelijke sleepster’ verder werkte? De wijdheid van een onpersoonlijk gevoelsleven, zoals die in dit gedicht gestalte vond, moet hij nog, diep in zich en waarschijnlijk onbewust, behouden hebben. Het is voelbaar in het rusteloze, nomadische van de beelden en figuren in zijn latere verzen, het is voelbaar in een bewegelijk staccato van beschrijvingen, en tot in de keuze der titels ‘Fantomen’ en ‘Tziganen’.

Maar wat hij er thans nog slechts van laat zien, is als het ware niet meer dan een persoonlijke reactie van dit onpersoonlijk gevoel. Hem beweegt nog slechts datgene wat uit die donkere diepten tot zijn ietwat morbide-intellectualistisch en zwaarmoedig bewustzijn zich omhoog dringt. Hij schrijft om zo te zeggen nog steeds van de stemming der ‘Nachtelijke sleepster’ uit, maar helaas naar de trant en met de schrijfwijze der studentenverzen. Er is een vaak oorverscheurende disharmonie tussen oorsprong en uiting in zijn latere verzen, want met alle mogelijke meestal onwaardige verheffingen poogt hij datgene, wat als het eenvoudig en de schrijver wegcijferend zou aangeduid zijn, niet kon nalaten ons aan te grijpen, zoals het hemzelf eenmaal (vóór hij zich tot schrijven zette) aangreep, - poogt hij datgene, wat als een droevig woord van een lijdend- veronderstelde mensheid ons zou ontroeren, als een uiterst persoonlijk gevoel ons mede te delen. En het lijden der mensheid moge desnoods een thema voor poëzie zijn, de niet uit persoonlijke aanleiding ontstane bitterheid van Pauwels is zulks niet. Het poëtisch resultaat is, in bijna iedere regel, een valse grandeur en een opgeschroefde zigeuner-trots. Het overladen persoonlijk sentiment

[p. 279]

is met een zekere opzettelijkheid on-eenvoudig, sterk gekleurd met sarcasmen en ironische opmerkingen van de platste aard. Hij zit, en dit is geheel letterlijk op te vatten, voortdurend zichzelf in de weg en blijft zonder adem door de wil zijn stem te overschreeuwen. Hij maakt beurtelings de ergste soort van Van der Hem-achtige nachtkroeg-mondaniteiten en de banaalste Tuschinsky-‘levensliedjes’. Ik ken weinig dichters die, met zulk een geschoolde metriek, zulk een volkomen gebrek aan ritme vertonen, en waarbij de woorden, ook als ze treffend en tekenend gekozen zijn, zo dikwijls gezocht en zo zelden gevonden lijken. Er is haast nimmer een melodie, zoals dat in ‘ De weezen’ het geval was, die het gevoel ontdoet van zijn persoonlijke betekenis en die de woorden in hun metrisch verband insmelt in een dieper beweging.

Wij verliezen in Pauwels een waarschijnlijk zeer verdienstelijk melodramatisch dichter. Hij moest ‘De Jantjes’ en ‘Bleeke Bet’ geschreven hebben en we hadden onze lach en traan vermengd met die van het schellinkje. Een Heyermans-in-de-poëzie hebben we zo maar verspeeld, omdat wij - en hij met ons - dit genre lyrisch onwaardig achtten. Nu sluipt hij tussen de Scylla en de Charybdis van zijn wezenlijk talent en zijn arrivisten-hoogmoed door en bereikt een soort objectieve lyriek, waarin hij zijn individuele emotie tot het tragische van het gegeven opzweept. Wat is dat jammer, wat is dat allemachtig jammer! En, tussen haakjes, wat ontzaglijk eerlijk is de eenvoudigheid van Speenhoff -

Ik moet echter zo zwak, had ik bijna gezegd, zijn en toegeven dat in zijn laatste bundel ‘Tziganen’ Pauwels mij éénmaal werkelijk ontroerd heeft. Ik riep, daarin bladerende: ‘G.v.d. hij heeft me te pakken’. Dat was in het gedicht ‘Asyl’, dat aanvangt met een beschrijving van Amsterdam:

 
Mijn Amsterdam heeft haar muziek van regen -

De dichter slentert doelloos door de stad en komt bij het oudevrouwen-huis:

[p. 280]
 
Bij 't oude-vrouwenhuis brandt een lantaren,
 
haar droevig licht schijnt door het natte glas,
 
in 't zwarte bouwsel rusten, moe van jaren,
 
voor wie geen eigen bed meer over was,
 
 
 
de moedertjes wier rimpelhanden beven,
 
terwijl het kromme lijf naar d'aarde wil,
 
zij mogen, vóór ze sterven, nog wat leven,
 
als nummers van de stad met stoof en bril.
 
 
 
Men heeft de mannen van ze afgescheiden -
 
wat moet een besje met een bedgenoot! -
 
ze wennen spoedig aan de eenzaamheid, en
 
gaan dan, gewillig, in den Heere, dood...

Een oud moedertje neemt op de stoep van het huis afscheid van haar dochter, maar vóór ze langzaam en stram de treden is opgestrompeld en bij de deur naar de schelknop omhoog tast, is deze reeds naar het gewoel van de stad teruggesneld. De dichter vergelijkt zich dan met de lantaarn die dit alles verlicht en aanschouwt:

 
als om Uw ziel zal ik de glazen bouwen
 
waarbinnen al mijn vreugde wordt bewaard
 
en naar het liefste wil ik eenzaam schouwen
 
als naar een schip dat uit de haven vaart.

Is hier de weemoed zo aangrijpend, doordat zij niet die van de dichter persoonlijk, maar de sfeer der stad zelve is? Spreekt hier het hart zo veel directer en eenvoudiger, doordat het, langs de omweg der gelijkenis met de lantaren, op een dieper en ernstiger wijze zijn medegevoel suggereert? Het klinkt bijna als een paradox.

terug  begin  verder