Leopold is voor mij een legende. Ik ken hem niet persoonlijk, ik heb nooit iets anders van hem gezien dan een portret en de ramen van de kamer waar hij woont. Men heeft mij verteld, dat hij leraar was te Rotterdam, dat hij zich geheel teruggetrokken heeft uit het verkeer met mensen; dat hij op de Coolsingel, om niet herkend te worden, staan blijft en een krant voor zich openvouwt wanneer een kennis nadert; dat hij mensen niet ziet en niet groet en ieders nabijheid vermijdt; dat hij toch niet het type is van een woest en onmaatschappelijk artiest die in wilde mijmeringen zich van de wereld afzondert; neen, dat hij dertig jaar lang een leraar was en een goed leraar, dat hij zich kleedt met een Engelse correctie en dat hij met een zachtzinnige wellevendheid de afstand bewaart die hem vreemdeling doet blij-
ven; dat hij geen zonderling is, maar een naar zichzelf ontwekene, dat hij gaarne zwijgt, maar steeds hoffelijk blijft antwoorden; dat er van deze eenzelvige, die geen kinderen heeft, geen spoor op onze aarde overblijft dan de enkele bedrukte bladzijden zijner gedichten. En dit spoor geeft de weekstdenkbare indruk. Iedere stap der persoonlijkheid is vervloeid in de zachte grond van zijn pianissimo poëzie. En men meent, dat het juist het karakteristieke van zijn persoonlijkheid was, zulk een weekgedrenkte bodem betreden te hebben. Maar het kan ook anders zijn. Het kan ook zijn, dat hier een veer zo strak om zichzelf is dichtgekromd, dat hij springen zou als hij zich niet langzaam ontspande. Het is niet onmogelijk dat er nog een geheel andere Leopold bestaat dan de Leopold der verzen. Men zou daarvoor de gedroomde daden moeten weten, de gedachten, de gebeurde daden misschien, die zich achter de gefluisterde woorden verbergen. Hij heeft afdelingen van zijn gedichten genoemd naar de jaartallen 1895 en 1897. Men zou moeten weten waarom die jaren in zijn eentonig leven van zulk een opmerkelijkheid waren, dat hij de verzen ernaar genoemd heeft. Wat is er gebeurd? Ook achter Dostojewsky's persoonlijkheid staat zulk een geheim van vermoede verschrikkelijkheid, dat men gewoonlijk met de woorden ‘terdoodveroordeling’ en ‘Siberië’ afdoet. Ook Keats had zijn jaartallen, 1818, 1820; - maar zal er iemand over enige tijd brieven van Leopold kunnen publiceren? Vragen, niets dan vragen zijn er omtrent hem te stellen, alsof hij een Middeleeuws dichter was, een anonymus: de dichter, die verzen schreef toegeschreven aan Leopold, blijft een anonymus en hij is volgens deskundigen onze grootste dichter na Vondel, hij heeft de sterkste invloed op de jongere poëzie van de huidige dag, hij is de door de dichters meest algemeen bewonderde, hij wordt nu zestig jaar en leeft nog tussen ons, in Rotterdam, een leven dat denken doet aan dat der grote kluizenaars van Thebe. - En men kan zeggen, hij publiceert niet meer. Na zijn eerste bundel ‘ Verzen’, die bij Brusse herdrukt werd, kwamen slechts twee kleine plaketten, ‘Cheops’ bij de ‘Zil-
verdistel’ en ‘Oostersch’ bij de ‘Kunera-pers’, aan het licht, maar in oplagen van 50 exemplaren, die binnen korte tijd zeer kostbaar werden. En men zou met grond kunnen volhouden, dat deze twee laatste verveelvoudigingen, wier beperkt aantal zozeer onevenredig was met de belangstelling voor deze poëzie, eigenlijk niet uitgaven, maar slechts kopieën van het handschrift te noemen zijn. Zou er hier een onteigening van het auteursrecht mogelijk worden? Een wetsvoorstel daartoe en een opdracht tot werkelijke publikatie aan een uitgever, zou een schone daad zijn voor een minister van Kunsten en Wetenschappen. Maar er is nog iets dat hij doen moest: Leopold voordragen voor de Nobelprijs. Nu de Zweedse academie Yeats bekroond heeft, is het denkbaar dat zij niet meer in vergissingen als Maeterlinck of Tagore zal terugvallen, en er is volstrekt geen reden om aan te nemen, dat Leopold het voor een deskundige en onpartijdige jury af zou leggen tegen een dichter als de Fransman Paul Valéry die men reeds voor een volgende bekroning genoemd heeft, en die daar ook zeker, nà Leopold, aanspraak op kan maken. Waarom zou men de mogelijkheid zelfs van een gelegenheid voorbij laten gaan, om aan het buitenland te laten weten dat wij sedert veertig jaar een poëzie hebben die een der beste van Europa is en die eindelijk als zodanig erkenning verdient? En hoe zou men dit waardiger kunnen doen, dan door Leopold, nu hij 60 jaar wordt, voor te dragen voor deze hoogste onderscheiding door de Zweedse vrijgevigheid ingesteld?
Beethoven maakte, zoals Nietzsche ergens zegt, geen muziek, als bijvoorbeeld Mozart, maar muziek van muziek. Geen zingende natuurlijkheid, maar een zang die zichzelve een aparte natuur is, die zich voortzet in een zelfgeschapen wereld. Dit is een diepere, creatieve, zin van het ‘l'art pour l'art’, dat men nog teveel als een exclusivistisch parool van de onmaatschappelijke kunstenaar blijft miskennen. De muziek is niet, als de taal, een algemeen omgangsmiddel, en vandaar misschien, dat aan een musicus zoveel eerder dan aan een dichter een eigen klankwe-
reld wordt toegestaan en waardering vindt. Ja, bij componisten als Wagner en Debussy geniet men nog meer van een merkwaardige algehele sonoriteit, van de bodem van hun muziek, van de opgeroepen eigen sfeer, dan van hetgeen zich daaruit als expressie losmaakt, het thema, de melodie. Bij dichters echter blijft men staan precies bij hetgeen zij zeggen, bij hetgeen zij formuleren, zelden daalt men af tot de woord-natuur die zij scheppen, de complexen door hun merkwaardige taal-aanwending opgeroepen, waarvan dit of dat gedicht slechts één enkele, misschien toevallig gerealiseerde, mogelijkheid is. Bij sommige dichters is echter zo sterk hun natuur omgezet in een poëtisch leven, hun beelden hebben zo weinig terugslag op het leven waaruit zij ontleend zijn, maar tevens zoveel dwingende kracht van werkelijkheid in de dichterlijke wereld waarin zij betekenissen zijn van allerhoogste aanduidingen, dat men wel moet aannemen met grote dichters te doen te hebben, maar hun het eigengerechtigd gebruik van voor algemeen nut veronderstelde woorden en zinswendingen als duistere onverstaanbaarheid aanrekent; in plaats van in te zien, dat zulk een dichter iets te zeggen heeft, waarvoor woorden te kort zouden schieten, indien zij niet versterkt en verhevigd werden door de vorm van zijn poëzie, die dus verre van de woorden voor de lezer onbegrijpelijk te maken hen voor de dichter uitsprekelijk doet zijn. Zulk een dichter noemt men dan een ‘poète pour les poètes’, en dit was Mallarmé in Frankrijk en Stefan George in Duitsland. En dit is Leopold bij ons.
De lezer, het publiek, waardeert het liefst de poëzie als bloei, als een uit het leven opbloesemend uiterst gewas, het gedicht vrij als een vrucht in de lucht, als een ding gerijpt en rond, samenvattend in zijn voltooide vorm de gecondenseerde en vruchtbaar gebleven groeikracht; en men wil eerst nà de vruchten de boom kennen, de dichter, geplant op een aarde waar wij allen wonen en hem dan niet zien als iets nog weer aparts, als een oer-zaak der oorzaken, maar slechts als de natuurlijke aanleiding van zijn gevolgen; voor hen schrijft hij als hij geschreven heeft.
De dichters lezen de dichter anders. Zij houden ervan de dichter achter de gedichten te lezen. Zij zoeken bij de wortels der poëzie en lezen de vruchten als daaruit voortgekomen en min of meer overeenkomstig gebleven laatste stadia; voor hen schreef hij reeds vóór hij schrijft. En deze elementaire dichterlijkheid is voor hen van de grootste waarde, en hetgeen zij uitspreekt, is daarvan de bevestiging.
En of Leopold zich schuil houdt en tegenwoordig slechts onder het voorwendsel van vertalingen gedichten publiceert, er blijft voor hen een bewijs, dat hij levende is, en zij steunen daarop en voeden zich ermee. En of hij wars is van alle actueel literair leven, en, schoon van de leeftijd der Tachtigers, zich buiten elk openbaar gewoel heeft gehouden, nimmer een aanmoediging schreef, nimmer een tijdschrift leidde, hij is er niet minder om een geheime kracht waarvoor een ieder dankbaar is dat zo iets in onze tijd bestaan kan.