Over Albert Besnard schrijven, ik verzeker u, is voor mij een allermoeilijkste taak. Hij heeft zo juist met bovengemelde bundel een algemeen verkrijgbare verzameling gepubliceerd van zijn gedichten, die tevoren als ‘Sonnetten’ (1917) en ‘De bloei en andere gedichten’ (1923) in zeer beperkte oplaag verschenen waren in de bibliofielen-serie ‘Palladium’; één zijner gedich-
ten werd onlangs bekroond met de Prijs voor Poëzie van Amsterdam; er wordt veel over hem geschreven en naar aanleiding van hem gemoraliseerd; alle collega's en deskundigen beleven aan hem een zekere gelijk-krijgende voldoening, want iemand die zij reeds lange jaren als één der beteren onder de beteren waardeerden, is thans van meer publieke belangstelling het voorwerp geworden; - maar wanneer ik nu hier over hem schrijven moet, heb ik het ellendige gevoel, iets te moeten remmen dat ik nog kort geleden met al mijn macht aan de gang had willen maken, een reserve te moeten tonen, die ik nog onlangs verdoezeld zou hebben en, wat dit nog verergert, dit doende met argumenten voor de dag te komen die allerminst voor de hand liggen, zodat het de schijn krijgt alsof weer ten opzichte van Besnard het publiek en de deskundige elkaar niet verstaan, en alsof nu een deskundige stugheid terugneemt waartoe een guller publiek zich gaarne liet overtuigen. Het zij zo.
Wat de voorrede door Bloem betreft, het korte gedeelte, dat werkelijk op Besnards poëzie en niet op Bloem zelf betrekking heeft, schrijf ik hier voor u over, daarmede een warm bewonderaar het woord latend.
‘Wanneer men de opvallendste eigenschap dier poëzie in een woord zou willen samenvatten’, schrijft Bloem, ‘kan dit niet anders dan ‘kosmisch’ zijn. Maar dit woord is zoo vaag enwaarschijnlijk daarom - zoo misbruikt. Het suggereert dadelijk een verbijsterende rataplan van hemelsche voorstellingen en begrippen, waarvan het eene al diepzinniger en ongrijpbaarder is dan het andere. En de poëzie van Besnard is juist het tegenovergestelde van vaag. Zij is soms wat moeilijk te begrijpen door het gedurfde der overgangen, de stoutheid der visie. Maar het is bewonderenswaardig, hoe in deze verzen het grootste nog concreet, het kleinste nog belangrijk blijft. De wereld, en de menschen en steden daarop, en die wereld weer temidden van het heelal - dat is het onderwerp van vrijwel alle gedichten van Besnard. Mensch, aarde, heelal, steeds in het licht van elkaar gezien; het kleine steeds in verband met het grootere, maar het
groote ook steeds doordrongen van het kleinere - een verbijsterend grootsch drama, waarin allen en alles meespelen, en niets te groot of te klein is voor de inhaerente tragiek dezer poëzie.’
‘De tragiek. Want - hoe kan het anders? - de grondtoon dezer poëzie is tragisch. Niet droevig, niet weemoedig, maar in den volsten zin van het woord: tragisch. De angstkreet van Pascal tegenover de eeuwige stilte van de oneindige ruimte klinkt ook door deze gedichten. Bij het worden en vergaan valt de nadruk op het laatste en de dichter vindt aangrijpende accenten om het afschuwelijke van de ontbinding te verbeelden. De bloei is een bedreigd oogenblik, een schijn van troost, immers voorbereiding voor het verval. Steden en sterren zijn grootsche, gruwelijke natuurverschijnselen, de menschen onder een doem staande spelers, beklagenswaardige comedianten in het zotte treurspel. Tusschen geliefden alleen is er één stormstil oogenblik van respijt, hoewel men gevoelt, dat ook zij dadelijk zullen worden meegesleurd.’
Tot zover Bloem. - Ik laat hier terstond het sonnet op volgen dat door de jury van de Prijs van Amsterdam bekroond werd, en dat zeer zeker als karakteristiek voor Besnards werk kan beschouwd worden.
Het kenmerkende van Besnards gedichten is het dichterlijke temperament, dat niet echter in gedichten zich uitspreekt, maar juist door de ondernomen uiting als het ware zichzelf tegenwerkt om tijdens deze reactie aan intensiteit te winnen. Hij heeft een soort brute dichterlijkheid, een dichterlijkheid van onbewust bloed, die hem als hij eenmaal schrijft niet zou blijven voeden wanneer hij haar niet voortdurend - passez-moi le mot - oppompte. Het gedicht heeft zelf weinig zuigkracht, weinig eigen vitaliteit; alle groei moet uit de onderste en oorspronkelijke aandrift naar boven worden gedreven. Hij schrijft uiterlijk regelmatige verzen, merendeels zelfs sonnetten, maar zijn techniek is geen vliegmachineconstructie maar een irrigatiesysteem, geen wetmatigheid die latente buiten-krachten voor zich in het werk stelt, maar een indijking die een inwendig peil doet stijgen. Men bemerkt terstond hoe kunstmatig de vorm van vijfvoetige jamben bij hem is, als men van bovenstaand sonnet de terzinen herleest en nagaat, hoe bijna iedere regel door twee adjectieven moest aangevuld worden om de vereiste lengte te hebben, en hoe hier deze adjectieven, in wezen en oorsprong secundair, in werking en expressie de primaire zelfstandige naamwoorden niet alleen versterken maar overtreffen, en eigenlijk zoals men dat noemt doodslaan. Dit verschijnsel zou ik in ieder gedicht kunnen aanwijzen. Men moet wel een zeer oppervlakkig gevoel daarvoor hebben om vol te houden dat Besnards gedichten vast en gaaf van vorm zijn, vorm hier in een diepere zin dan uiterlijke regelmaat. Zijn hart wordt geen stem en zijn stem wordt geen zang, neen, zijn brokkelig gedicht blijft de telkens door toevoegingen verhevigde expressie van een hete poëtische drift. Natuurlijk zijn er uitzonderingsmomenten, maar slechts momenten en sterk als uitzonderingen voelbaar en misschien daarom zo treffend. Het zijn passages van plot-
selinge en ranke tederheid, van een sentiments-bloei die meestal aan zijn ietwat sarcastische wrangheid vreemd blijft. Een prachtig voorbeeld zijn de twee regels waarmede het sonnet ‘Aan F...’ aanvangt:
Ik had over deze adjectieven-kwestie niet zo uitgeweid als zij niet, ten eerste, mij voortdurend toen ze me eenmaal in het oog was gevallen, gedurende de lectuur van Besnards werk was blijven hinderen, en als zij niet, ten tweede, zoals ieder vormverschijnsel bij een waarachtig dichter, een soort teken gegeven had, op een bocht van de weg, naar het begrip van zijn innerlijk wezen.
De kern van zijn gedichten is de zwoegende toon van directe temperaments-uitstorting, waarbij de woorden zelf, doorgaans vervangbaaar en overbodig, dienst doen als stremming. Zo zie ik ook de verhouding tussen zijn sentiment en zijn zogenaamde wereld-visie. Zijn ‘kosmos’ is een door een zeer sterk fataliteits-gevoel vergroot verlengstuk van zijn driftige en werkelijk ontzettend getourmenteerde aardsheid. Er bestaat voor hem geen wereld en ik, maar slechts een ik waarvan de wereld een enorm verhevigd adjectief is. En vandaar dat, zoals Bloem uitnemend opmerkt, het grootste bij hem zo concreet blijft. En vandaar ook dat zijn wereldbeeld geen statische conceptie is, maar van een dynamische vaart bezeten is, waarvan het worden en vergaan weer overeenstemt met zijn diepst temperament dat slechts in een onstuimige geslachtsdrift een zekere bewustwording vindt. Een geheel aparte en merkwaardiglijk buiten-kosmische plaats neemt de geliefde, de vrouw, in en hierbij denk ik weer terug aan de plotselinge uitzondering der tederheid in zijn verzen waarop ik zojuist wees. Wanneer de nieuwe titel ‘Opstand en wroeging’ enige betekenis heeft, zou men kunnen zeggen dat zijn wereldbeeld in opstand werd geformeerd, maar
dat hij met wroeging de tederheid bedoelt, de droefheid, de vanwaar gekomen en onverhoeds genaderde weemoed, het onaantastbare dat toch een fysieke pijn nalaat, dat als een soort zielsbeginsel door hem wordt waargenomen en waarvan hij het concrete voorteken reeds in de zachte weerloosheid van het geliefde lichaam heeft bespeurd. Dit is, voor mij ten minste, het meest aangrijpende accent in Besnards poëzie. Gij vindt er treffende voorbeelden van in sonnet IX en V, op bladzijde 22 en 18 van deze bundel.
De volzin van Besnard omspant meestal een kwatrijn. Het is een slordigheid dat de sonnetten gedrukt werden als twee kwatrijnen en twee terzinen. Drie kwatrijnen en een slot van twee regels was doorgaans juister geweest.