|
|
|
| |
Alice Nahon
‘Keurgedichten uit
“Vondelingskens” en “Op zachte vooizekens”’
‘Deze keurgedichten’, zegt de voorrede van de uitgevers, ‘zijn verzameld
uit de bundeltjes “
Vondelingskens”, 9e uitgave, en “
Op zachte Vooizekens”, 7e uitgave.
Waarom deze keurgedichten?
Nadat niet minder dan een tachtigtal nummers van tijdschriften en
dagbladen uit Nederland, België, Zuid-Afrika en zelfs uit Indië, lofartikelen
van vooraanstaande letterkundigen gegeven hadden over de gedichten van
Alice Nahon en nadat fijnvoelende musici
verschillende verzen waardig gekeurd had- | | | | den om getoonzet te
worden en meerdere avonden gewijd waren aan voordracht en bespreking van deze
poëzie, viel het ons op, dat er ook in de kringen van het onderwijs groote
belangstelling voor bestaat, doordat de samenstellers van bekende bloemlezingen
voor het onderwijs om toestemming verzochten eenige gedichten te mogen opnemen
(volgen de titels der bloemlezingen: die van
Van Hall-Prinsen,
Wittop Koning,
Herman Poort,
Dr. J. Aleida Nijland en
Van der Ent).
Over het algemeen zijn die bloemlezingen duur... Daarom hebben wij dit
goedkoope boekje, waarin 21 overal geroemde gedichtjes voorkomen, uitgegeven
als aanvulling van de bloemlezingen voor het onderwijs.
Dat wij hierbij in de gelegenheid zijn te voldoen aan de honderden
aanvragen om eenige levensbijzonderheden van
Alice Nahon te geven, danken wij aan den heer
Dr. C. Tazelaar, die zoo vriendelijk was om
toe te staan zijn studie, een keurige ontleding van het karakter dezer poëzie
in verband met de levensomstandigheden der dichteres, hier over te nemen’ -
Volgt de ‘keurige ontleding’ van Dr. Tazelaar, die ons veel vertelt
omtrent de deerniswekkende zwakke gezondheid der dichteres, zodat zij veelal
genoodzaakt is haar leven in ziekenhuizen en sanatoria door te brengen, die ons
een soort ‘haantje van de toren’-romantiek en een ‘zoek de
zonzij’-blijmoedigheid als typerende karaktertrekken bijbrengt, die de
‘verzekes’ en ‘dichtjes’ van het ‘arme meiske’ in verband brengt met
Gezelle, die zij zo bewondert, die iets
prevelt van Vlaamse geest, onopgesmukte poëzie, kleine dingen van het gewone
leven, en wat dies meer zij, prevelt, alsof Vlaanderen niet het land was van
Teirlinck en
Van de Woestijne,
Gijsen en
Van Ostaijen, alsof er ooit opgesmukte poëzie
bestaan heeft, alsof het leven ooit gewoon is, alsof dingen ooit klein zijn
voor wie over poëzie spreekt. Pas toch op, Dr. Tazelaar! De dominees beginnen
juist hun discrediet van 1880 enigszins op te halen, pas toch op dat het zo
blijft voortgaan en dat een tweede
Kloos niet nodig blijkt te zijn. - Gij kent
Alice Nahon, gij correspondeert met haar, zo- | | | | als uit uw studie
blijkt, maar pas op voor uw teder hart, voor uw weke ontroeringen -, of maak
van uw stemmingsvolle verzuchtingen ten minste goed proza.
Wat de poëzie van
Alice Nahon betreft, waarvan we hier het
neusje van de zalm voor een prikje te proeven krijgen, ik zou er maar liever
over zwijgen. Het succes is groot, veel hartjes kloppen van meegevoel, en
waarom dan roet in het eten strooien? Moet een dichter schrijven wat wij
voelen, of moeten wij voelen wat een dichter schrijft, that is the question.
Alice Nahon vindt het eerste, ik het tweede. Niet dan met een zekere ‘kif’ moet
ik toegeven dat het gelijk voor een jaar of tien aan haar kant is, gun ik haar
herdruk op herdruk, geef toe dat zij voelt maar niet dat zij schrijft, en neem
met een ieder, die mij meer geld aanbiedt dan mijn ziel waard is, de
weddingschap aan, binnen een maand zulk een bundeltje te produceren.
Ik kan eenvoudig niet aannemen dat een gewoon mens die in zichzelf een
plein-pouvoir gevoelt over zijn waarnemingen -, en nu spreek ik nog niet eens
van mensen met de roekeloosheid, het lachende overwicht en de vrolijke kracht,
die er toe nodig zijn om goede manieren in het leven en stijl in literatuur te
kunnen waarderen -, ik kan eenvoudig niet aannemen dat een normaal mens reeds
de titels der bundels ‘Vondelingskens’ en ‘Op zachte vooizekens’ kan lezen en
dan die bundels nog opendoen. Men zakt weg in een donzen weeheid, in een
degenererend bed van gebrek aan durf, in een kwijnend matrasje van
fijnstemmigheid. Men gevoelt zich ondermijnd door een akelig gevoel van
opgelegde preciesheid, men wil nog op de tenen naar buiten sluipen en ongemerkt
zonder aanstoot te geven verdwijnen, maar reeds is men in de zwakte der tedere
sfeer gezwicht, reeds voelt men de zoetheid van hopeloze avonden in onze jeugd,
als de maan zo helder scheen en wij wel zouden willen liefhebben wisten wij
maar wie, met onweerstaanbare lauwte in de herinnering terugkeren, en vóór men
beseft waar we precies aan toe zijn, liggen we met het voorhoofd op het boek
gebogen te schreien van vage onvoldaanheid. | | | |
Ziehier hetgeen vele mensen misschien het liefst doen. Het zijn de
mensen die altijd bang geweest zijn, die altijd tegen alles wat uit henzelf
voortkwam hebben opgezien als iets onbereikbaars, wier leven er eigenlijk in
bestaat zich te conformeren aan dingen die ze niet in zich hebben, die zich nu
plotseling uitgestreden gevoelen, een uitweg vinden in een stromende tederheid,
zich getroost suggereren met het besef dat hun zwakte uit zuiverheid en eenvoud
van ziel voortkwam, en met berusting, zoals het heet, een leven waar zij juist
om treurden omdat zij er geen aandeel aan hadden aanvaarden. Hun naam is legio,
deze gemisaanvaarders, zoals ik ze maar zal noemen. Voor hen heeft
Alice Nahon geschreven en uiterst goed
geschreven. God zij met hen, als zij 's avonds in hun eenzaam kamertje
theedrinken, onder het boekenrekje waar de gedichten van Nahon en Loveling een
plaats hebben in het scheefhangend rijtje tussen een gemberpot en een buste van
Dante, als zij zich zuchtend naar het venster omkeren waar een boeketje
narcissen op het kozijn een gesprek begint met een reproduktie van Botticelli
aan de muur, als zij het gordijn dichtdoen en een fotoalbum met kinderen van
hun zuster, de verloofde van hun broer, dagjes aan het strand, ter hand nemen
en langzaam en peinzend doorbladeren.
|
|
|