terug  begin  verder

Hart en oog
Naar aanleiding van het Derde vervolg van het Geuzenliedboek en enkele gedichten van A. Roland Holst

In het voorjaar van 1945, maar enige tijd na de bevrijding, verscheen het ‘Derde vervolg’ van het Geuzenliedboek, de bekende verzameling illegale poëzie. Het vertoont, dit laatste vervolg, wel zeer het kenmerk van een sluitstuk, dat in zekere opzichten tevens bedoeld is als een correctie op de beide voorafgaande vervolgen. Het is alsof de redactie een verzuim heeft willen goedmaken en de vele verzetsgedichten, die in de vorige bundels geen plaats hadden gevonden, maar die door het ‘Vrij Nederlands liedboek’ en andere verzamelingen bekend waren geworden, hier alsnog bijeen heeft willen brengen, om het Geuzenliedboek af te ronden en bij het dagen der bevrijding te completeren.

Zo bevat dit laatste vervolg de reeds jarenlang beroemde ‘Dodenmars’ van Clara Eggink, geschreven in 1940 naar aanleiding van het bombarderen op Rotterdam; de evenzeer terecht beroemde ‘Ballade van de ter dood veroordeelden’ door Foppema; voorts werk van de betreurde Melis Stoke, van Donkersloot, Heeroma, Van Randwijk en tal van anderen.

Wij maken de samenstellers er geen verwijt van, aldus gehandeld te hebben. Stellig hebben zij door deze toegift het letter-

[p. 976]

kundig peil der Geuzenliedboeken als geheel verhoogd. Bovendien heeft dit Derde vervolg als afzonderlijke verschijning de waarde, juist omdat het ten dele een bloemlezing is, ons de gehele bezettingstijd, van capitulatie tot bevrijding, weder te doen beleven, ook al zijn de gedichten niet chronologisch gerangschikt.

Wat wij de redactie wel verwijten, is de opneming van enkele waardeloze gedichten, die door de ondertekening en de datering kennelijk na de bevrijding zijn ontstaan. Dit vestigt de indruk, dat het gereedmaken van dit boek onder heel wat minder hachelijke omstandigheden plaats vond dan de voorbereiding, en dat sommige geuzen, toen zij zagen, dat de reis geen gevaar meer meebracht, zich nog ter elfder ure aan boord hebben begeven. Maar dit verschijnsel is menselijk, al te menselijk zelfs, en was schering en inslag in de bevrijdingslente. Misschien is het niet zonder reden dat de Geuzenliedboeken, die de getrouwe spiegel zijn van ons gemoedsleven tijdens de bezetting, deze menselijke trek in hun laatste vervolg vertonen.

Hiermede is dan de Geuzenpoëzie voorgoed afgesloten. Zij is, deze poëzie van het hart, van het gefolterde en hopende hart, naast de herdenking der gevallenen, de enige waarachtige getuige, die ons uit de bezettingstijd rest, en zij zal blijven spreken ook nadat al het puin is geruimd, alle leed gelenigd en bezworen, en ook nadat alle slachtoffers met plechtige toespraken zijn bijgezet in de gewijde vergetelheid der vredehoven.

Zal zij blijven spreken? Zal men, als de tijd ‘die alle wonden heelt’ zijn werk gedaan heeft, haar hartekreet nog verstaan ondanks haar talloze tekortkomingen in poëtisch opzicht? Ik ben er zeker van. Steeds zal men deze poëzie van het hart beoordelen niet als rechter maar als een jury. Men zal haar iedere fout vergeven als een ‘crime passionnel’. Men zal onder haar stoplappen en stunteligheden haar stem blijven eerbiedigen, omdat zij getuigt van een tijd toen geloof, hoop en liefde onze enige bezittingen waren en toen het geestelijk leven in ons land op hoger moreel peil stond dan ooit te voren, tenzij in de dagen van

[p. 977]

de Opstand onder prins Willem, en ooit nadien. Zij heeft licht gebracht in de duisternis; zij was, geboren in het verborgene en bloed zwetend in haar Gethsemané, het Woord zelf, op menselijk plan, dat steunde, troostte en voorging. Zij is eeuwig, niet omdat zij van alle tijden is, maar omdat haar de waarachtigheid heeft bezield.

 

Naast de naamloze poëzie van het hart staat de poëzie van het oog. Het is de visionaire poëzie van de grote dichter. Terwijl de poëzie van het hart magisch is te noemen en een duidelijke sociale functie heeft, het afwenden van rampen, het bidden tot de godheid, het versterken van overtuigingen, het aanmoedigen tot daden, is de poëzie van het oog mystisch, priesterlijk van aard. Zij ziet een andere wereld en maakt deze zichtbaar voor de stervelingen door haar met de onze te vergelijken. Haar functie, evenzeer van sociaal belang voor ieder mens afzonderlijk, is het om vanuit het standpunt der eeuwigheid de wereld te overzien en de mensheid - in de dubbele betekenis van het woord - te richten. Sprekende voorbeelden van deze poëzie van het scheppende oog zijn Dante en Shakespeare. Zij brachten werelden in beeld als normen voor de mens en zijn aards bestaan. Let wel, hun grondgedachten waren niet oorspronkelijk. Theologische, politieke en maatschappelijke begrippen ontleenden zij aan de heersende opvattingen van hun tijd. Maar zij maakten die voor de zintuigen waarneembaar, en meer kan een kunstenaar niet doen.

Zulk een dichter van het oog is A. Roland Holst. Hij is, sinds Boutens in het midden van de oorlog stierf, onze grootste levende taalmeester. Zijn werk is visionair, is mystisch. Hoe ziet hij de wereld en hoe doet hij haar zien? Steunend op primaire mythologie en Oswald Spenglers ‘Ondergang van het Avondland’, verwerpt hij alle moderne theologie, politiek en maatschappijleer als onmanbare ontaardingen. De moderne intellectualistische wereld heeft de aanvankelijke schoonheid der schepping verraden en de schoonheid, van haar kant, heeft zich bui-

[p. 978]

ten de wereld teruggetrokken en wordt nog slechts ervaren door de ‘eenzelvigen’ of als geluksstaat voorbij de dood. De hierdoor ontzield geraakte samenleving der stervelingen voltrekt door terreurs en oorlogen het eindoordeel over zichzelve. Evenals Thomas Mann voor het begin van de oorlog een ‘Avertissement à l'Europe’ schreef, schreef Holst in 1939 zijn waarschuwend gedicht ‘Voor West-Europa’ (te vinden in het Geuzenliedboek, derde vervolg, en thans uitgegeven door Van Dishoeck te Bussum). ‘Een volk van knechten komt de wereld knechten, aangevoerd door een brallende onderkaak.’ Tijdens de oorlog schreef hij zijn groots en massief dichtwerk ‘Helena's inkeer’, een hels visioen van elkander vernietigende legermachten en rokende steden. De verbolgen schoonheid, in de persoon van de Griekse Helena, verschijnt boven het slagveld. Om harentwil is de strijd ontbrand, sinds zij de wereld ontvlood. Zal zij alsnog ‘inkeer’ betonen en zich terugschenken aan de wereld?

 
Zou dat uur
 
het duister uur van ook uw inkeer blijken,
 
als, na dit woest treurspel der wereldrijken,
 
de zin der wereld zelve leegte bleek?

Het gedicht beantwoordt deze vraag niet. De dichter kan haar niet beantwoorden. Zijn taal, zegt hij in de epiloog, is te nors geworden om nog smeekbeden van het hart onder woorden te kunnen brengen.

Wel voor zichzelf persoonlijk ervaart de dichter, in terugverlangende droom, de ‘inkeer’. Daarvan gewaagt het gedicht " ‘Een winterdageraad’, geschreven bij het naderen der bevrijding (thans uitgegeven door De Bezige Bij). Bij het lezen van gedichten bij winterdageraad, schrijft hij, voelt hij zich terug in ‘die nooitvergeten kamer’, waar hij het geluk als een tastbare aanwezigheid ervoer als hem zijn ‘genius’ tegemoet trad. De genius bracht een tijding uit het rijk voorbij de dood, en de

[p. 979]

dichter, met de zekerheid ‘de dood overleefd te hebben’ en zich voelend ‘ledig, maar in genade’, luisterde bij het open raam naar de torenklokken, de enige stem uit de wereld die tot hem doordrong, sloot het raam en zette zich tot het neerschrijven van de ontvangen tijding. Welke die tijding is, meldt het gedicht niet. Het meldt slechts de gelukstoestand, waarin de dichter haar ontving. Er is reden het toekomstige werk van A. Roland Holst met spanning tegemoet te zien.

terug  begin  verder