Gerrit Achterberg bewoont te Neede, voorbij Zutfen, een oud landhuis in de bossen. Men heeft, als men door naaldhout en loofbomen het omsloten terrein nadert, het eigenaardige gevoel dat men een bijzondere plek ontdekt. Men denkt - in de taal der wichelroedelopers - hier is water, hier is een bron; of - in de taal der kinderen - hier woont de grootmoeder van Roodkapje. Men voelt dat hier een onzichtbaar leven bijna tastbaar aanwezig is; voelt dat men op een knooppunt staat van verstrengelde stille krachten die wachten op een bevrijdende verwezenlijking, zoals het kristallen wijnglas gespannen wacht om te worden aangetikt en te weerklinken. Een Griekse held als Amfion had bij het betreden van deze plek gedacht: hier is de plaats voor een toekomstige tempel.
De stilte, die Achterberg bewoont, heeft inderdaad de geheimzinnigheid van de waterdruppel die onder het gewapend oog van de bacterioloog wemelt van levensverschijnselen. Ziehier hoe hij het zelf beschrijft:
De dichter, zoals uit de slotregels van het bovenstaande blijkt, staat niet als toeschouwer in de stille ruimte vol levensaanvang. Hij zegt: ‘ik bezweer’ en hij gewaagt van ‘zorgen’. Hij staat als de landman op zijn grond wanneer de zaaitijd voorbij is. De bevruchte akker, ook al valt er tijdelijk niets directs meer te doen, kan geen dag - zo meent hij - zonder hem. In feite is het mogelijk dat hij voor enige uren naar elders vertrekt, in wezen blijft hij ter plaatse.
Vanwaar deze band tussen landman en grond? Er is het verlangen naar oogst en winst, er is de saamhorigheid van arbeid en materie. Er is ook - al dan niet bewust - de drang naar rechtvaardiging. De landman heeft gezaaid, hij is schuldig. Zijn hand is medeplichtig aan de dood van het zaad dat in de donkere aarde moet sterven om vrucht voort te brengen. Zijn rechtvaardiging is afhankelijk van de wederopstandingskansen van het gestorvene. Zo kan hij niet geduldig het jaarlijks Paas-wonder, dat Lente heet, afwachten. Hij moet er het zijne toe doen; moet bezweren, zorgen, aanwezig zijn, natuurgeheimen doorvorsen, weersgesteldheden bepalen, nieuwe vindingen bestuderen, werktuigen aanschaffen, proefnemingen doen, reparaties verrichten; moet gedurig aantonen dat hij met geheel zijn hart en met geheel zijn verstand en met zijn bezige handen de komst van het wonder verbeidt; moet het bewijs leveren dat hij oplettend is en ontvankelijk; en hij verkeert zelfs in de mening, daarmede het natuurproces te bevorderen, voor zover dit in het menselijk vermogen ligt. Aldus ziet men landlieden, op zondagmiddagen, tussen twee kerkgangen, om hun winterse akkers stappen. Door de week zijn zij bedrijvig in schuren en bij hooischelven, als vogels die nestjes bouwen, of zij poetsen, met de ernst waarmee een toekomstige moeder een wiegekleed breit, een dorsmachine. En wie zal beweren dat zij ongelijk hebben? Wie peilt de invloed van de ziel op het natuurproces, als zij door toewijding zich uitwisselt en vereenzelvigt met de natuur?
De poëzie van Gerrit Achterberg vertoont overeenkomst met
de winterbedrijvigheid van de boer. Hiermee is niet in tegenspraak, dat Achterberg zich in zijn gedichten met voorliefde bedient van spiksplinternieuwe bewoordingen en gedachtenconstructies, die hij ontleent aan exacte wetenschappen als chemie, natuurkunde, biologie en genetica. Integendeel, deze laboratorium-taal versterkt de indruk, dat deze gedichten, uitgegaan van een persoonlijke ervaring, parallel-handelingen zijn van een kosmisch proces dat zij registreren en analyseren. Het persoonlijk motief, dat de sleutel blijft tot het verstaan van al Achterbergs poëzie, is de gestorven geliefde met wie hij ononderbroken spreekt en in contact staat. Dit eenvoudige gegeven, belast en beladen als het is met schuldgevoelens en met alle schakeringen van geloof en hoop en liefde, bergt wereldwijde uitbreidingsmogelijkheden. Tezamen met het ontbonden lichaam van zijn geliefde neemt de dichter deel aan de dood en wordt in elementaire krachten ontleed. Tezamen met haar alom-aanschrijdende geest ervaart hij wederopstandingskans en rechtvaardiging, die reeds waarneembaar naderen in zekere voorspiegelingen.
Achterberg behoort niet tot de mensen die men in hun kamer aantreft. Hij heeft, terwijl u naderde, van zijn balkon u reeds begroet, is naar beneden gesneld en naar buiten gekomen om u tegemoet te treden. Kort, breedgeschouderd, de grauwe haren naar achteren gekamd, staat hij voor u en strekt glimlachend een
brede hand uit. Het terrein en de wemelende stilte staan weerkaatst in zijn grijze ogen, een buitenwereld die zich herhaalt in een binnenwereld. Hij spreekt terstond over dichtkunst. Let wel, niet over dichters en hun verrichtingen, zoals de meeste dichters doen, - want Achterberg leest zelden gedichten -, maar over de dichtkunst zelf, dat vak, dat als ieder vak wonderlijk wordt zodra het een mens in beslag neemt. Ook spreekt hij niet over zijn eigen reeds gepubliceerde gedichten, maar over het toekomstige ‘vers’, dat eindelijk ‘goed’ zal zijn, dat ‘de dood niet zal toebehoren’, dat ‘het vorige’ zal verzoenen en doen vervallen, en terwille waarvan hij bij zichzelf in dienst is als een nederig wegbereider.
Achterberg spreekt met de helderheid van iemand die veel denkt en zich moeilijk uitdrukt. Het dichten, zegt hij, is een ‘blinde bezigheid’. Nooit zien wij van aangezicht tot aangezicht, want alles is tweevuldig. De zee is vloed en eb, de mens man en vrouw, de schepping dood en leven, het heelal atoomcel en sterrenruimte, het uur ogenblik en eeuwigheid, de daad goed en kwaad. Eén is alleen de Energie die alles verbindt, in spanning brengt en beweegt. God is Zoon en Vader, liefde en wet, genade en wraak. Eén zijn Beiden niet dan met de Derde Persoon, de Heilige Geest, de verbindende vibratie. Eén is alleen de Drievuldigheid.
Hoe kan het menselijk bewustzijn, tweevuldig verdeeld in subject en object, de Eenheid ooit verstaan? Alleen in het toekom-
stige ‘vers’, alleen in het gespannen vibrerende woord. Het woord is klank en begrip, is een wezenlijk en onwezenlijk medium en factotum, is een vertegenwoordiger en een aanduider van alle dingen. Maar het ‘doet’ niets, als het niet ‘gloednieuw’ is, als het niet door vlammende geest wordt ontstoken, als het geen gelijkenis vertoont met de taal die de apostelen met Pinksteren spraken.
Dit grootse sonnet, dat evenals al Achterbergs werk een ‘preluderen’ is op het toekomstige ‘vers’, maakt deel uit van de bundel ‘En Jezus schreef in 't zand’, enige weken geleden bekroond met de staatsonderscheiding voor poëzie, de P.C. Hooft-prijs. De titel ‘En Jezus schreef in 't zand’ is opmerkelijk. Men begrijpt met welk een aandacht Achterberg de zeldzame bijbelplaats heeft bestudeerd, waarin vermeld wordt dat Jezus schreef. Welke woorden schreef Jezus? Wij kennen ze niet, maar wij weten - zegt Achterberg - dat het een gedicht was, een zeer
‘geestelijk’ gedicht. Want de woorden maakten zich los uit het zand en werden een blos van dankbaarheid op de wangen van een overspelige vrouw. Is Achterberg een religieus dichter? Stellig niet in orthodox of dogmatisch opzicht. Stellig wel omdat hij de ‘laatste dingen’ verstaat: geloof, hoop en liefde. Het is opvallend hoe zelden in zijn werk Oud-testamentische motieven optreden, en hoe sterk het zoveel universeler en kernachtiger Nieuwe Testament hem aanspreekt, in het bijzonder het evangelie naar Johannes.
Maar men moet de verhouding van Achterberg tot de religie aan toekomstige theologen overlaten. Want hij heeft u, al sprekend over dichtkunst, zijn huis binnengeleid en gaat u voor op de trap. Boven, zegt hij, wacht zijn vrouw met thee en speciaal in Neede gebakken koekjes. Nauwelijks zijt gij de kamer binnengetreden, hebt de gastvrouw begroet en plaatsgenomen, of Achterberg legt de drukproeven van zijn jongste gedichten onder uw ogen. De natuurkracht werkt verder.