|
|
|
| |
Over eigen werk
Toen mij, enige tijd geleden, van de zijde van de directeur uwer
Volksuniversiteit, de uitnodiging bereikte hier een lezing te komen houden, heb
ik niet lang geaarzeld die uitnodiging aan te nemen. Ten eerste had de heer Van
Leeuwen in een plaatselijk | | | | blad een artikel geschreven over mijn
‘
Nieuwe gedichten’
*, dat
mij zeer had getroffen en mij het weigeren, aan zijn verzoek te voldoen,
moeilijk maakte; ten tweede was de datum, die hij mij voor mijn lezing stelde,
ver genoeg verwijderd om zonder veel zorg ja te kunnen zeggen. Wie dan leeft,
dan zorgt, dacht ik en in zulke stemmingen zijn mensen gul.
Toen de datum nabijkwam, en ik nog leefde, en dus zorgen begon te maken,
ging ik een vriend raadplegen, die veel lezingen heeft gehouden en als een
uitmuntend spreker in het openbaar bekend staat. Ik vroeg hem: ‘Hoe doe je zo
iets?’ Hij vroeg: ‘Wat?’ Ik zei: ‘Een lezing houden.’ Hij begon: ‘Schaf eerst
dat woord “lezing” af, tenminste, als je eronder verstaat, dat je in publiek
iets voorleest. Schrijf nooit op van te voren, wat je later uitspreken wil. Dat
maakt een lezing altijd vervelend. Stel enige punten vast, waarover je spreken
wil, maar laat de uitwerking van die punten aan het ogenblik over. Het
gesproken woord heeft een geheel andere betovering dan het voorgelezene. Van je
toehoorders lezers te maken, is hen miskennen. Het genoegen van een toehoorder
bestaat niet in de eerste plaats in hetgeen hij te horen krijgt, maar in de
wijze waarop. Een toehoorder moet de spreker zien zoeken, zien aarzelen, tasten
naar woorden en ten slotte verder gaan (voor dit verder gaan dienen dan je
notities). Een toehoorder houdt er van dat een spreker verlegen is, en tegelijk
weet, waar hij heen wil. Een van de grootste voldoeningen van een toehoorder is
de spreker juist die woorden te horen vinden, die ook bij hem zelf opkwamen,
toen hij de spreker zag nadenken. Zo wordt de spreker in zekere zin het
instrument van zijn gehoor, maar het instrument, in welks snaren reeds de
melodieën geborgen zijn. Zo wordt de toehoorder de dichter, en wat kan jou in
jouw geval, als dichter geroepen een voordracht te houden, welkomer zijn dan
tussen je gelijken te komen? Kort en goed, schrijf niets op dan enige punten,
en spreek daarover voor de vuist.’
Dit gesprek had plaats om 9 uur 's morgens, een week of wat
| | | | geleden. Mijn vriend is iemand die van de morgenuren houdt. Of
liever, van de laatste nachturen. Hij staat dagelijks om 4 uur op en werkt dan
tot 8. Dan heeft hij het werk gedaan waarvoor hij leeft = schrijven, en begint
aan zijn dagtaak = het werk dat hem in leven houdt. Om ± 9 uur komt hij, op weg
naar zijn kantoor, dikwijls even bij mij oplopen om bij mij, die dan net
aangekleed ben en thee heb gezet, zijn tweede ontbijt te genieten.
Ik had niet veel in te brengen tegen zijn uiteenzettingen over de
techniek van een voordracht houden. Ik ben niet, wat men in de psychologie
noemt, een primair mens. Ik heb echter veel esprit de l'escalier, ik ben van
secondaire geaardheid. Antwoorden vallen mij eerst laat in. En zo kwam het, dat
het reeds avond was, toen mij iets inviel, dat tegen zijn redenering
steekhield.
Ik snelde naar zijn huis. Zijn huisjuffrouw liet mij hoofdschuddend
binnen. Mijn vriend lag reeds te bed, met een boek. Ik zette mij op de stoel
waar zijn kleren lagen en begon: ‘Ik geloof, dat je me vanmorgen een slechte
raad gegeven hebt.’ Hij vroeg: ‘Waarmee?’ Ik zei: ‘Met mijn lezing in
Enschede. Ten eerste kan ik niet voor de vuist
spreken, want ik ben er te verlegen voor. Maar gesteld nog, dat die
verlegenheid de tover-werking had, die jij er aan toeschrijft, dan nog geloof
ik, dat schrijven, waarin men als het ware met zichzelf spreekt, waardevoller
dingen in een mens loswoelt dan het spreken, dat met begeleidend gebaren en
dergelijke altijd ondersteuning behoeft. Geschreven woorden hebben op gesproken
woorden dìt voor, dat ze, om met
Perk te spreken, kinderen zijn der rustige
gedachten. Spreken kan men alleen, als men een antwoord verwacht, ja, men
spreekt naar het antwoord toe. Zo gaat een gewoon gesprek. Maar een voordracht
is iets anders. Bij een voordracht antwoordt niemand, niemand valt je in de
rede. Het spreken voor een zaal is nauwelijks meer spreken in de gewone zin van
het woord. Het lijkt eigenlijk minder op spreken met een medemens, dan op
schrijven in de stilte. Vibraties te verwachten uit een zaal is precies
hetzelfde als mededelingen te ontvangen uit het eigen onbewuste, wanneer men
voor de schrijftafel zit.’ | | | |
‘Wel, maar wat wil je dan meer’, zei mijn vriend, ‘wat is begeerlijker
dan dit aanhoudend antwoord uit de stilte?’ En met deze dooddoener keerde hij
zich om om te gaan slapen.
Maar ik liet me zo niet afschepen. Ik wilde blijkbaar van hem de
toestemming afdwingen deze voordracht van te voren te mogen neerschrijven. Ik
zat nu op de rand van zijn bed en ging voort: ‘Spreken is, als je wil, hardop
denken. Maar bij schrijven, en bij spreken voor een zaal, komen andere dingen
kijken. Men krijgt toewaaisels van buiten, of van binnen, en door die
toewaaisels wordt de eigen vaart der gedachten eerst geschraagd, zoals een
schip gedragen wordt door de golven die er tegen opschuimen. Schrijven is
merkbaar leven. Ik voel me pas leven, als ik schrijf; en dit is mij zo gewoon
geworden, dat ik vrees niet hetzelfde levensgevoel te zullen hebben, als ik in
het publiek aan het spreken raak.’
‘Lieve man’, zei mijn vriend, ‘zou je me nu eindelijk willen laten
slapen. Ook de slaap, als je wilt, geeft evenals jouw schrijven en mijn spreken
voor een gehoor van die toewaaisels, zoals jij dat noemde, en die André Gide,
heel wat juister en verhevener, (“la part de Dieu”
*) “de meewerking van God” genoemd heeft. Vertrouw op die
toevoegingen, die je van God bereiken, of je nu voor een zaal komt te staan of
voor een schrijftafel zit. Iets belangrijks zul je nooit kunnen uitdenken, het
valt je in. En nu, goede nacht.’ Daarmee was ons gesprek ten einde.
Ik begaf mij naar huis door de nachtelijke straten. Er was dus
tweeërlei. Ten eerste: gewoon spreken. Dit spreken was op een antwoord gericht,
op een reactie, een uitgelokte reactie van een ander mens. Ten tweede: er was
spreken voor een menigte, spreken, dat geen antwoord afwachtte, en dat door de
vorm van alleenspraak, van improvisatie, die er volgens mijn vriend de charme
van uitmaken, een eigenschap heeft, die voor mij het schrijven tot zulk een
merkwaardige bezigheid maakt. Welk een wonderlijk ding is de taal, want dat is
toch maar het ge- | | | | meenschappelijk vervoermiddel voor beide deze
verschillende functies van de geest. De taal dient zowel de mens als sociaal
wezen èn als egoïst individu. Ja zelfs, vroeg ik mij af, bestaat ons
gedachtenleven ooit zonder woorden? In ieder geval is ons woordeloos denken,
als dit mogelijk is, zonder belang. Met mijmeren schiet men nog minder op dan
met slapen, improviseren of schrijven, waarbij we tenminste allerlei
toewaaisels, Gide zegt, van de zijde van God, cadeau krijgen.
En zo, een beetje verward denkend over het belang van taal, en of het
mogelijk was precies aan te duiden, waar taal optrad en God eindigde en de mens
begon, en, eenmaal begonnen met zijn taalmacht, hoe langer hoe meer van het hem
toewaaiend universum binnen zijn bewustzijn trekken kon, - zo denkend viel mij
een zinsnede van Dante in, die mij vroeger kinderlijk, primitief, middeleeuws
had toegeklonken. De engelen, zegt Dante, hebben geen taal, want zij
aanschouwen, zij zijn te gelukkig voor woorden. Ook de dieren, gaat Dante
verder, hebben geen taal, want wat zij, zintuigelijk aangelegd, waarnemen, gaat
bij hen onmiddellijk in een daad over. Het koekje, dat een hond opmerkt, wordt
direct opgegeten. Een hond ontwaart de sterren, maar hij voelt meteen de
onmogelijkheid ener nuttige toenadering en zijn visie gaat niet tot eigenlijke
waarneming over. Ik echter zag de sterren, maar, ik werd mij bewust, heel
anders dan vroeger, als kind in bed. Door het woord ‘sterren’ zelf, door de
namen die ik van enkele sterrenbeelden te weten ben gekomen, is de visie
waarneming geworden, en het visioen tot rust gekomen. De oneindigheid, de van
duizelende verten toeijlende verschijnselen, werden minder vreesaanjagend reeds
door vastlegging in de vreemde godennamen, heldenbeelden, bezwerende
woordformules. Welk een angst, dacht ik verder, moet Dante voor Hel en Hemel
ondervonden hebben, dat hij dit bezweren moest in de vorm van een de gehele
schepping omspannend gedicht. En dit gedicht is zodanig van voorstellingsmacht
geworden, dat, nadat het geschreven was en de woorden en beelden er van de
oneindigheidsverbeelding bezworen had- | | | | den, niemand meer ooit de
middeleeuwse paniekstemming tegenover het heelal aan den lijve ondervonden
heeft. En zo kan men zeggen, dat Dante de verlossende conditio sine qua non is
van Copernicus en Galilei, en daarmede van de gehele moderne wereldbeschouwing.
Of schuilt Dantes grote verdienste hierin, en zijn opperst nut als dichter, dat
hij, als een der eersten, niet meer in het Latijn schreef, maar zijn moedertaal
gebruikte en met dit gebruik ener levende taal zich dorst openstellen voor de
toewaaisels van buiten en de innigste bewegingen van zijn hart?
Maar, kort en goed, moest ik nu mijn lezing improviseren, na notitie van
enige punten, of van tevoren schrijven? Ik was nu halfweg mijn huis, maar nog
geen stap verder tot mijn besluit. Misschien daarom, om het thuiskomen en het
nemen ener beslissing nog wat te kunnen uitstellen, was ik zeer verheugd een
kennis van me te ontmoeten. Hij liep met een grote hond, een herdershond, en
met die hond was ik nog bevriender dan met zijn tegenwoordige baas. De hond had
namelijk vroeger aan mijn broer toebehoord, voor hij naar Indië ging. Hij rende
terstond van de overzijde der straat naar mij toe en sprong vrolijk tegen me
op. Ik nodigde zijn baas, die inmiddels genaderd was, uit, nog ergens een kop
koffie samen te drinken en ik koos een café, waar ik wist, dat men bij de
koffie koekjes gaf. Als mijn gedachtengangen niet verkeerd geweest zijn, dacht
ik, in het café zittend, dan zal de hond, als ik hem het koekje voorhoud, het
terstond verslinden. Maar juist wilde ik mijn proef nemen, of zijn baas
weerhield me. ‘Neen, neen’, zei hij en nam het koekje van mij over, ‘hoe
spreekt de hond?’ De hond sprak, dat wil zeggen blafte, en ik zat een poos
beschaamd voor mij uit te kijken.
De hond sprak. Ook hij had taal, laat het zijn aangeleerd, laat het zijn
met weinig articulatie. Maar uit die kiem van taal viel het verschijnsel zuiver
te bestuderen.
* De taal
betekende een klein, miniem oponthoud tussen aandrift en bevrediging. De
| | | | aandrift werd er des te sterker door, dat kon men duidelijk aan
de hond zien, die letterlijk zat te watertanden; de bevrediging, dat zag men
aan het kwispelstaarten, werd even blijkbaar verhoogd door het genot het
verdiend te hebben. Dat was het dus, wat de taal teweegbracht: een verheldering
van bewustheid binnenwaarts, en tevens van het doel buitenwaarts. Twee werelden
over en weer gelijktijdig ontsloten: de inwendige en de uitwendige, en dit
alles in het moment van een ademstoot.
Bij die ademstoot, zat ik te denken, moest ik nog even stilstaan.
Vreemd, dat woorden enkel gevormd konden worden met de verbruikte lucht die men
uitademt. Wonderbaarlijke economie der natuur, die evenals dat hier en daar in
de techniek gebeurde, afval produktief maakt. De mens ademde pure oneindigheid
in, deed daar inwendig zijn voordeel mee, en hierin was hij precies als de
dieren. Met de uitademing was het anders gesteld. In het een of ander
steentijdperk had zich in het menselijk strottenhoofd een klein, maar uiterst
verfijnd instrument ingericht, dat men de adamsappel noemt; en terecht, want
het is het orgaan bij uitstek van de mens gebleken, en hiermee was hij in staat
aan de uitademing een bijzondere betekenis te verlenen. Niet wat tot de mens
ingaat, had Jezus gezegd, maar wat uit de mens uitgaat verontreinigt de mens.
Alweer een aanwijzing, dat de pure oneindigheid, die men inademde, evenals de
natuur en het voedsel dat zij opleverde, volstrekt in orde en goed was, maar
dat de mens zich verontreinigen zou, als hij daar geen goed gebruik van maakte.
De taal was ontstaan uit het kort ogenblik tussen aandrift en bevrediging, maar
deze taal kon macht zijn of verontreiniging. De mens was in staat een
dankzegging, een gebed, een nieuwe begeerte, een bevel, een herinnering te
formuleren. Zijn rede was geboren, zijn bewustheid; hij moest met de grootste
oplettendheid binnenwaarts zijn aandacht richten, want daar lag zijn heil, zijn
gevaar en zijn grootste kans. Hij moest de verplichtingen van zijn grote gaven
nakomen.
En iets van het diepe onderscheid tussen proza en poëzie viel nu meteen,
dacht ik, want iemand denkt altijd met rukken en | | | | grote sprongen,
vast te stellen. Proza, zoals wetten, geschiedschrijving, aanschouwelijke
romankunst, was uit het verlangen van de mens geboren om de wereld buiten hem
te verkennen; te bepalen, in hoever hij haar met zijn rede en bewustheid
veroverd heeft en kenbaar gemaakt. Hoe ver zijn we nu met de menselijke
bovenbouw, met onze structuur op deze planeet, dat was het waarvan proza
rekenschap aflegde. Proza was een aanhoudend spreken, dus zozeer een geregeld
uitademen, dat het noodzakelijk inademen op de dode plekken, op de
interpunctie, moest plaats vinden.
Poëzie gaf antwoord op de vraag: hoe staat het met ons inwendig? Welke
steeds dieper roerselen en gewaarwordingen zijn binnen ons tot bewustzijn
geraakt? Waaraan dankte poëzie dit vermogen en deze zo speciale kracht? Zij
moest dit danken aan een apart uitdrukkingsmiddel. - Aan het ritme dacht ik.
Maar ik zag spoedig, dat dit kortzichtig was. Ook het proza, ook het in een
gesprek gesproken woord, ook de improvisatie, ook de brief immers heeft ritme.
Elk goed proza geeft toe aan dit het wezen der taal uitmakend ritme, dat wil
zeggen, elke taaluiting bestaat tenslotte uit een opeenvolging van bundeltjes
van 6 of 7, zoveel als de adem er bevatten kan, hoogstens 10 syllaben. Die
lettergreepgroepen zijn in proza niet minder regelmatig dan in poëzie. Maar
poëzie, en hier had ik een inval die mij nooit zo maar ingevallen zou zijn,
maar niet anders dan een resultaat kon zijn van mijn vorige gedachten, een
toewaaisel, een aanslibbing, - maar poëzie, viel mij in, houdt rekening met de
inademing. Door de regelmaat, door het metrum, de woordrepetitie, de
alliteratie, het rijm, door, in rijmloze en vrije verzen, de zogenaamde
periode, het geheim van Shakespeares blank verse, reguleert zij deze inademing.
Zij doet inademen op de levende plekken. Hierdoor ontstaat telkens een
ondeelbaar moment een stilte, juist op die levende plekken, en in dit trillend
oponthoud confronteren ziel en oneindigheid. Elk taalgevoelig mens voelt zich,
proza lezend of horend, in de mensenwereld; bij een roman is hij in de
maatschappij, bij een werk van | | | | wetenschap of geschiedenis voelt
hij zich in gezelschap van een ander mens met dieper of wijder blik. Maar bij
poëzie voelt hij zich niet bij een ander mens. Hij is terstond in het heelal.
Elk goed gedicht bevat deze confrontatie van puur heelal en inwendigheid, of
liever, een gedicht is slechts goed in zover het aan deze zijn bestemming
voldoet; en slechts als zodanig heeft het nut.
En terstond begreep ik nog iets, namelijk waarom, wanneer er een nieuwe
orde of inrichting tussen de mensen geschapen is, er zulk een gewicht gehecht
wordt aan de praktisch toch zo nutteloze dichtkunst. In de geslaagde
confrontatie tussen heelal en menselijk binnenste wordt een rechtvaardiging
gezien. De bloeitijdperken der literatuur vallen niet toevallig samen met het
opkomen van nieuwe staten en ordeningen. Onze Gouden Eeuw,
Vondel,
Hooft, bewijst de innerlijke bestaansreden der
jonge Republiek. De poëzie reinigt de gewaagdheid, geeft te kennen, dat er een
innerlijke noodzaak was voor de stap, die men gedaan heeft. Shakespeare duidt
diepten aan in het mensenhart, even diep als de blik ver reikte van zijn
tijdgenoten, die de wereld begonnen te omvatten. De mens durft niet voorwaarts
in de wereld, als hij niet een even grote afstand binnenwaarts aflegt. Het is
in de tijd van Bismarck, dat Goethe en Schiller als een vooruitgeschoven
rechtvaardiging van de Duitse ziel hun enorme waarde krijgen voor het Duitse
volk. Faust, die alles wist en nu recht heeft op de inbezitname van het leven,
is niet voor niets een kenmerkende gestalte voor dit grote volk. Hoe geheel
anders was dit, dacht ik, dan het in de leerboekjes van vaderlandse
geschiedenis en letterkunde werd voorgesteld. Kunst wordt daar beschouwd als
gevolg van welvaart, het is verheerlijking, het is de luxe van een luxe-tijd.
Neen, wee de tijd, wanneer kunst er zo zijn gemak van neemt. Want er is niets
verontreinigender dan zelfverheerlijking, als aandrift en bevrediging elkaar
weer vanzelfsprekend en aanmatigend opvolgen, d.w.z. zonder pauze voor woord,
taal, bewustheid.
Ik moet, terwijl ik zo zat te peinzen, geen aangenaam gezelschap geweest
zijn voor de hond en zijn baas. De hond was aan | | | | onze voeten gaan
liggen en hij was weldra, met zijn hoofd op mijn schoenpunt, van tijd tot tijd
zuchtend, ingeslapen. Maar toen zijn baas opstond, sprong hij terstond opgewekt
overeind, schudde, als onzichtbaar water, zich de dromen van de huid, en
vertrok weldra, met enige moeite, want hij begreep het mechaniek der draaideur
niet precies, samen met zijn baas door de wentelende toegang. Vreemd, dat, nu
ik alleen was, ik opeens niet goed meer kon denken. Blijkbaar is de
aanwezigheid van een ander mens produktief, ook al gedraagt men zich tegenover
hem niet wellevend! Welk een verzuim!
Als om iets goed te maken
* begon ik een praatje met de kelner, die
naar mijn tafeltje toestapte om af te rekenen. Hoe het tegenwoordig ging?
‘Slapjes, meneer’, zei de kelner, ‘wij kunnen goed merken, dat het crisis is.’
Het gesprek dreigde een niet zeer opbeurend karakter aan te nemen. Ik betaalde
en wandelde naar huis.
Dat woord ‘crisis’ van de kelner liet me niet met rust. De poëzie in
luxe-tijd mocht tekort geschoten zijn, in de mate dat zij meer
zelfverheerlijking dan zelfverdieping gebracht had, - en aan iets dergelijks
kon men geen enkel groot dichter schuldig verklaren -, maar hoe stond het met
de poëzie in crisistijd? Wat voor belangstelling kon poëzie nog vergen in een
tijd, dat de goederen produktie niet meer rendeert? De straatlantaarns, een
voorbijratelende tram, een op post staand politieagent bewezen zeer duidelijk,
dat de wereld doorging, dat de producerende organen voortgingen licht, kracht
en energie af te zenden, dat de mensenwereld al een soort blinde methode
bereikt had, en dat de onderdelen voortgingen te circuleren als de sterren in
een sterrenbeeld. Welke omwenteling de wereldgeschiedenis ook in petto heeft,
deze orde van treinen, stoomboten, vliegmachines, fabrieken, disciplinaire
tucht, zal zij moeten overnemen. De mens heeft een technische structuur over de
wereld aangelegd, | | | | en deze structuur werkt even perfect als de
jaargetijden, als dag en nacht, als geboorte en dood in de natuur. De tram is
een ster, de politieagent is een ster, al zijn het sterren langs hun banen
voortbewogen door een door mensen, massa's van mensen, geslachten van mensen,
geschapen drijfkracht.
Ik bemerkte, dat ik bij een woord als: de tram is een ster, de agent is
een ster, op weg was dadaïstische poëzie te maken, d.w.z. een dergelijke
kosmische betekenis in het als werkelijkheid aanschouwde beeld legde, dat elk
los zelfstandig naamwoord als een meteoor door het heelal kwam te zwieren. De
dada-beweging was een directe Godverzaking. Het door de mensen gecreëerd
universum werd gelijkgesteld, ja verheven boven het goddelijk universum.
Daarbij kwam, als verklaring, dat de wereldoorlog een enorme
teleurstelling had gebracht. Men had overmoed nodig om voort te gaan. De oorlog
had doen zien over welk een tegennatuurlijke kracht de mens beschikken kan,
zonder dat er wordt ingegrepen. Noem het pessimisme, cynisme, optimisme, het
volstrekte zelfbestemmingsrecht van de mensheid is een voldongen feit geworden.
Wij zijn alleen. De Schepper heeft ons een enorme natuur meegegeven, maar we
zijn geen kinderen meer, we zijn volwassen en we moeten het nu zelf rooien.
Neen, dit beeld geeft nog een suggestie van groei, van vooruitgang. Het
is nog te idealistisch. De mensheid is altijd op zichzelf aangewezen geweest,
sinds zij van de boom der kennis at. Het zweet des aanschijns, het met smart
kinderen baren, was een soort tol voor die vrijheid. Idealen stonden
daartegenover om het leven dragelijk te maken. Maar nu zijn zweet en smart een
sombere glorie geworden; de idealen zijn niet meer nodig en worden
omvergestoten, en nu staat de mens voor de moeilijke taak, zweet en smart van
hun somberheid te ontdoen zonder naar de onherroepelijk verloren idealen terug
te kunnen grijpen. Want dit is wel het duidelijkst in de crisis: het is een
bewustwording van ons idealen-failliet. De economische crisis zal natuurlijk
van voorbijgaande aard zijn, d.w.z. op een gegeven | | | | moment zal er
een nieuw evenwicht intreden. Een minderurige arbeidsdag, algemene
arbeidsplicht, een lager levensstandaard maar met meer vrijheid, vrijheid hier
als vrije tijd bedoeld, een immer sneller en technischer produktie en een
verdeling onder controle van immer groter massa's vertegenwoordigende organen,
zal wel de uitkomst zijn, zal tevens de somberheid van zweet en smart tot een
immer geringer minimum terugbrengen. En niemand zal naar de oude simplistische
idealen terug verlangen, zoals niemand, hoe grote bewondering hij ook voor het
systeem moge hebben, in ernst kan terug verlangen naar het Romeinse recht, of
weer pyramides gaat bouwen. Maar het geestelijk deel van de crisis, het
idealen-faillissement, is definitief. Geen denken aan, dat dingen als geloof,
schoonheid, natuur, ooit nog als toevluchtsoorden, anders dan voor de
ingekeerde enkeling, zullen dienstdoen. De mens als massa kent deze begrippen
geen leidraadgevende waarde meer toe en zal daar niet op terugkomen.
Als ik het boek van
Huizinga, ‘In de schaduw van morgen’, goed begrijp, dan is hij van
dezelfde mening. Hij houdt zijn hart vast bij het overzien van het
faillissement. Alleen van de wetenschap - naar zijn oordeel zeker niet de minst
schuldige aan het vernietigen van idealen, als hier van schuld sprake kan zijn
- alleen van de wetenschap zegt hij: zij kan niet anders doen dan voortgaan
volgens de door haar gevonden methode. Zijn ‘analyse van het geestelijk lijden
onzer dagen’, zoals de ondertitel van het boekje luidt, is treffend juist. De
schaduw van de toekomst verdoezelt alle scherpe lijnen. Alles schijnt vaag
tegenwoordig en er is bijna niets, dat een vitale toekomst belooft, of
enigszins op solide grond geworteld lijkt. Onze menselijke organisatie, waarvan
de details zo stipt functioneren, hangt als zand aan elkaar, als men überhaupt
dan nog van een organisatie spreken kan. - Er bestaan nog enkele geesten, die
meesters zijn, maar er zijn geen discipelen meer. En wat is geest, zonder
discipelen? Een museum-curiositeit, meer niet. Wij leven in een periode,
waarvan hoogstwaarschijnlijk alles verloren gaan zal, en | | | | waarin
alles wat nog gecreëerd wordt ten dode gedoemd is. Maar zo is het nu
eenmaal.
Zo denkend was ik de trappen opgestegen naar mijn flatwoning en betrad
mijn voorkamer. Ja, ‘verzen maken in crisistijd’ zou het onderwerp worden voor
mijn lezing. Bovendien was ik nu vast besloten het voorstel van mijn vriend op
te volgen om mij te bepalen tot het noteren van enkele punten waarover ik
spreken zou. Ik zou een gedachtegang opstellen en de rest improviseren.
*
Verzen kunnen in crisistijd juist van groot belang zijn. De wereld ligt
ondersteboven. De oude orde, dat is wel zeker, dat zegt iedereen min of meer
vriendelijk of bedekt, komt nooit terug. Er zal een nieuwe orde komen, een
nieuw niveau, waarbij de oude ruimte plaats zal maken voor een door de mensheid
geconstrueerde ruimte. De menselijke ziel moet aangepast worden aan hetgeen de
menselijke techniek schijnbaar argeloos tot stand heeft gebracht. De kunst kan
bij dit aanpassingsproces een grote rol spelen. De poëzie moet voor de toekomst
werken, d.w.z. zich de toekomst als reeds bestaand indenken en daar als het
ware voor de menselijke ziel kwartier maken.
Op welke wijze echter maakt de poëzie de wereld weer bewoonbaar? De
wereld is een hel, een woestijn, voor wie zijn ogen durft opendoen. Noch het
oneindig-groot, noch het oneindig-klein, de twee gebieden waar de verbeelding
de taak van het verstand overneemt en de ziel haar wieken vermag uit te slaan,
hebben nog enige belangstelling, behalve in de laboratoria. De motor is voor
onze eeuw de uitvinding, die wij als enige gelijkwaardige tegenover het
Parthenon kunnen stellen. Ik ben niet een verbitterde dichter. Ik sta niet met
een fluwelen jasje en lange haren te kankeren op mijn tijd, omdat mijn tijd mij
en mijn ziel niet hoogschatten wil. Ik heb mij aangepast, ik ben een gewoon
mens. Ik geef toe, dat de formule van de motor gelijk staat in vinding met de
tekening, die ten grondslag moet hebben gestrekt voor het Parthenon, maar ik
zeg, dat het Parthe- | | | | non zichzelf voor eeuwig verwerkelijkt heeft
en dat de motor, wat formule betreft perfect, wat materiaal betreft stof is. Ik
heb buien gehad van modernisme. Ik heb, als ik in een bioscoop zat en in het
journaal de skyskrapers van New York zag, evenzeer ontroering gevoeld als toen
ik voor het eerst in de smalle straatjes van Chartres de kathedraal zag
oprijzen.
‘Neen’, zei een Amerikaanse vriend van me, ‘daar vergis je je in. De
kathedraal van Chartres zei je grootvader wat en zal je kleinkinderen nog
hetzelfde zeggen, maar de New Yorkse wolkenkrabbers zijn slechts, net als
tijdelijke tentoonstellingsgebouwen, voor langer of korter duur gebouwd. Wij in
Amerika bouwen geen kathedralen, wij bouwen ruïnes. Er is geen werkelijkheid
meer, geen ritme, dat het materiaal duurzaam maakt. Goed, zegt ge, wij maken
een machine; die machine is stof, maar de formule blijft en we maken duizend
machines. We leven in een wereld, die oneindig meer mensen voedt, kleedt en van
al het nodige voorziet, dan ooit in een vroegere economische orde mogelijk is
geweest. Wij moeten nu eenmaal meer op de kwantiteit gaan achtgeven dan op de
kwaliteit. En dat geeft niet, want alles is vervangbaar en reproduceerbaar
geworden. Er worden zelfs nieuwe behoeften geschapen, de snelheid, de sigaret.
En alles binnen ieders bereik.’
‘Goed’, zegt de man met de lange haren, die ik toch eigenlijk ben, ‘ik
heb daar bewondering voor, maar ik wil leven. Mijn ziel moet ontmoetingen
hebben, niet enkel in de lege verbeelding blijven rondwaren. Mijn ziel stuit
nergens, glijdt overal als een geest doorheen. Ik voel nergens materiaal. Ik
voel stof. Er is geen rustpauze meer tussen de aandrift en de bevrediging, die
de aandrift versterkt en de bevrediging adelt. Als ik door de nieuwe buitenwijk
loop, op speculatie en erfpacht gebouwd, loop ik door een kaartenhuis, waar
mensen zich slecht voeden, slecht warmen en uit vrees voor eenzaamheid
liefhebben. De kleine binnenstad, die er al eeuwen staat, zal er eeuwen langer
staan dan die hopeloze tuinstadjes, met hun voortuintjes en gekleurde
schemerlampen. Op welke wijze moet de | | | | poëzie dit reeds weer
bijna mulle zand bewoonbaar maken?’
Het spreekt vanzelf, dat ik deze ietwat retorische jeremiade niet zat te
denken, maar zat neer te schrijven. Ik had de pen gegrepen, en zat, de
raadgevingen van mijn vriend ten spijt, toch mijn lezing in schrift te brengen.
Eenvoudig omdat ik makkelijker denk met een pen in mijn hand.
En deze onderbreking schreef ik weer neer om even te kunnen stilstaan en
nadenken bij wat de poëzie doen moet. Zo makkelijk was het niet. Natuurlijk ook
in de woestijn wonen. Maar, neen, neen, niet zwichten, niet mooi weer spelen.
Geen kunst meer als troost, niet met het poëtische een half ontwaakte mensheid
bedotten. Zichzelf liever beschouwen als een Johannes de Doper, gevoed met
honig en sprinkhanen, gekleed met kemelhaar, schreeuwend in de dorre vlakte, op
goed geloof, dat er iemand zou komen waardiger dan ik, die ik niet waardig was
de schoenriem te ontbinden. Zichzelf eindeloos verminderen, maar een vast
geloof hebben in de orde, in de getallen, in het door de mens gecreëerd
universum, door zijn rijpe hand maar nog onrijpe ziel tot stand gebracht. Als
een monnik zijn, als een soldaat zijn, met steeds die orde en discipline voor
ogen, voorlopig nog alleen aanwezig in abstracte vreugde.
Ik voor mij koos mijn weg. Ik koos taalstudie. Ik verhuisde naar een
andere stad, waar ik geen sentimentele relaties had, waar niet op elke hoek een
herinnering stond, die mij deed leven in de verloren tijd, en ik betrok een
volkswoning, waarvan ik de muren wit liet schilderen en waar ik alleen het
hoognodig huisraad had. Mijn voornaamste bezigheden waren mijn studie, het
gieten van mijn bloemen en het werpen van brood naar voorbijscherende
meeuwen.
Langzamerhand werd het leven dragelijk. Als ik door de volle straten
liep, of 's avonds voor mijn raam zat, begon de mensenmenigte te ruisen als een
rivier. Ik was zo verheugd als de dorstende woestijnreiziger die water hoort.
Ik begon te zien, dat er niet geleefd werd in de onwezenlijke
buitenbuurthuisjes, die als tenten in het land stonden; er werd geleefd in de
kantoren, | | | | de fabrieken, de ziekenhuizen, de café's, de stations,
in alle plaatsen, waar massa's mensen bijeen waren. Verder werd er geleefd in
de wetenschap, in de pure studie, in de formules.
Ik zat met mijn handen in mijn haar, hoe ik abstractie en menigte kon
verbinden. Zij leken zo ver uit elkaar als zuid- en noordpool. De verbinding
tussen abstractie en menigte werd, naar ik zien kon, wel tot stand gebracht,
maar begripsmatig, met politiek overleg. Leuzenals volk, stam, vaderland,
kwamen als geestdriftige begrippen in zwang tegenover familie, huisgezin,
geboortegrond. De kring werd daarmee iets ruimer, maar het begrip grens werd
des te scherper. Het leek zoveel op hetgeen ik mij voorstelde als een plantsoen
lijkt op een bos. Neen, menigte en abstractie, mijn twee enige bronnen van
vreugde, hebben wereldwijde gelding of zij zijn begoochelingen. De Engelse taal
is juist de voortreffelijkste taal, omdat zij zo vermengd uit Romaans en
Germaans is samengesteld. De gehele cultuur is langs de kusten der Middellandse
Zee ontstaan, omdat deze binnenzee, als een bevaarbaar plein, drie werelddelen
met elkaar in verbinding bracht. Volksbewustzijn kan alleen waarde hebben als
mededelingsbehoefte naar andere volkeren. De grenzen, door de begrippen
verscherpt, door de nieuwe verkeersmiddelen steeds sneller overschreden, zijn
moeilijk meer au sérieux te nemen. Zij zijn volkomen in strijd met de
geestelijke expansiedrang, met het menselijk universum.
Meer steun vonden mijn gedachten bij het zien van z.g. surrealistische
schilderijen en bij het nadenken over hetgeen Nieuwe Zakelijkheid betekenen
kon. Zulk een parool wordt niet voor niets populair. De Nieuwe Zakelijkheid, of
het surrealisme, want het één is de letterkundige, het ander is de
schilderkundige aanduiding van hetzelfde beginsel, denken, als ik het goed heb,
langs de volgende baan. Het wezen van menigte en abstractie is onuitbeeldbaar.
Evenals het onbewuste, evenals de natuurkrachten op zichzelf onuitbeeldbaar
zijn. De vreugde bestaat enkel in het besef van hun aanwezigheid. Die aanwezige
werking heeft overal plaats, onverschillig waar. De waar te ne- | | | | men aanwezigheid in elk ding, in welk ding ook, van een natuurkracht,
een onbewustheid, een menigte, een abstractie, doet dit ding vibreren, en deze
geladenheid maakt het ding tot bezield materiaal, d.w.z. tot schoonheid. Eén
blad van een boom, welk blad ook, is schoon, niet om een schone vorm, zoals men
vroeger zei, maar omdat het het vertegenwoordigend produkt is van het bos, zon
en regen, de grond en het moment. In iedere golf golft de gehele zee, in ieder
mens, hoe ook, wie ook, leeft de gehele massa, als hij zich niet kunstmatig
begrenst en in de slavernij geraakt van zijn persoonlijkheid. De
surrealistische schilderijen met hun stilte, hun onemotionele helderheid, hun
duidelijke voorwerpen, even banaal als geheimzinnig, voorwerpen, die in het
heelal zelf schijnen te zijn opgesteld en wier koele vormen schijnen aan te
duiden waar het heelal begint, dat binnen in hen niet ophoudt (want zij zelf
zijn slechts een rand, een doorzichtige oppervlakte) - het zien van zulke
schilderijen, en het lezen van modern proza, waarin juist alledaagse
verrichtingen, die wij, zoals men zegt, onverschillig, onbewust doen, als van
meer universeel belang worden voorgesteld dan de hevige momenten van conflict
en gemoedsuitstorting, waarin we doorgaans meer dan ooit de slaaf zijn onzer
persoonlijke bepaaldheid, - deze schilderkunst en dit proza gaven mij een grote
vreugde, die uit beide bronnen, abstractie en menigte, tegelijk opwelde.
Ik ben toen begonnen aan mijn gedicht ‘Awater’. Awater moest een
willekeurig mens zijn, waarmee ik geen persoonlijke relatie had. A water moest
de naam zijn voor een mens, maar hij moest menigte en abstractie blijven. Ik
moest à tout prix vermijden met hem in contact te treden, want dan beginnen de
zwakheden, en ik merkte, over hem nadenkend, dat, al had ik hem nog geen naam
gegeven, ik al veel van mijzelf in hem begon, over te dragen. Neen, hij moest
omtrek blijven, heldere, doorschenen oppervlakte. Hoogstens mocht hij een
reisgenoot zijn.
* Voorbeelden had ik niet. Ik had iets
aan de geniale jeugd- | | | | verzen van Jean Cocteau, de Franse dichter,
en aan de Amerikaan T.S. Eliot. Maar dezen hadden, in tegenstelling tot de
surrealisten, hun métier, hun vak, te gering geacht. Zij hadden op zoek naar
abstractie en menigte, hun versvorm zelf als ruiten ingeslagen. Ook ik voelde,
dat de emotionele versvorm niet meer deugde. Maar ik zocht, voor wat ik hebben
wilde, meer naar de oorsprong dan naar een uiterste. Ik had al besloten een
oud-europese vorm te kiezen, de vorm van het Rolandslied.
Daar kwamen nog een paar gebeurtenissen bij, die, ofschoon ze van
persoonlijke aard zijn, toch, nu ik eenmaal over het ontstaan van dit gedicht
spreek, maar vernield moeten worden. Mijn broer, in Indië, was gestorven. Van
het reisplan, ik zou hem gaan afhalen, kwam niets. Het gevoel van reizen kreeg
opeens iets onbepaalds. Bij elk straatje-om bevond ik mij op reis. De vreemde
stad werd nog wonderlijker dan tevoren.
Ook hoe ik aan de naam Awater kwam, moet ik vertellen. Ik had eerst een
andere naam, de naam van een vroegere kennis van me, als hulpconstructie. Die
naam hinderde mij, toen het gedicht vorderde, omdat het herinneringsbeeld dat
hij opriep, zo moeilijk opzij was te zetten. Een naam is een mens. Op een
middag dronk ik koffie bij een vriend van me. Er was ook een dokter aanwezig,
die ik voor het eerst ontmoette. Hij zei: ‘Ik moet even het ziekenhuis
opbellen, om te zien, of ik nog blijven kan.’ Hij vroeg de verbinding aan met
een kliniek en informeerde, hoe de toestand was van de patiënt Awater. Ik hoor
hem nog zeggen: ‘Awater, neen, neen, Awater’. Terstond besloot ik die naam te
nemen.
Een nog vluchtiger verbinding dan tussen mij en de man, die in het
werkelijk leven Awater heet, is wel niet denkbaar. Alleen zijn naam, bij toeval
voor het eerst gehoord, hield me vast. De taalstudie heeft die naam eindeloos
veel betekenis gegeven. A is het oude woord voor water. Awater = 2 × water. Het
water, dat het water weer smaak geeft. Het eerste water. Maar er is meer en
dieper in dit woord. Het is ook een woord in het Sanskrit, waarop de heer Van
Leeuwen heeft gewezen, het is ook | | | | een monogram van de beide
voornamen mijner ouders. En het betekent allereerst: onverschillig welk
individu, een naaste, een de menigte voorstellende, langs de dunste draad van
contact mij genaderd evenmens.
Ziehier de gehele voorgeschiedenis van het gedicht. Het achtervolgen van
Awater, de liefde die ik voor hem heb opgevat, maakte mij de woestijn
bewoonbaar, althans bereisbaar. De reis begon achter zijn gestalte, maar de
liefde ontaardde niet in gehechtheid. Zij verleende mij juist de kracht de reis
te vervolgen. Ik hoop, dat het gedicht hier iets van overdraagt.
(Van pagina 1162 hiervoor, vierde alinea af had
Nijhoff de oorspronkelijke tekst doorgehaald.
Daar deze doorgehaalde bladzijden niet alleen op zichzelf van belang zijn voor
het begrip van de achtergrond van zijn poëzie uit deze periode, maar ook enkele
gedeelten bevatten, die blijkens aanwijzingen in margine toch weer aan de
voordracht werden toegevoegd, volgt de tekst daarvan hieronder. Deze sluit dus
aan bij de woorden ‘...voor de menselijke ziel kwartier maken.’
op pagina 1162, eind derde alinea. - G.K.)
Dus geen poëzie meer voor de eeuwigheid, neen, poëzie voor een toekomst,
voor het betrekken van een natuurlijk ook weer vergankelijke toekomst. De
vergankelijkheid had eigenschappen, die haar boven de eeuwigheid aanbiddelijk
maakten. De vergankelijkheid ontkende het lichaam niet, ontkende geloof,
schoonheid, natuur niet, mits in het kader van de tijd beschouwd en in de vorm
van een zelfstandige openbaring. Eén blad van een boom was schoon, niet omdat
het een schone vorm had, zoals men vroeger dacht, maar omdat het als
onverschillig welk ander blad het produkt was, en de vertegenwoordiger van het
bos, de jaargetijden, zon en regen, en het moment. Elk ding was een
verzamelpunt van energie, de gehele zee was in elke golf. De gehele mensheid
was in elk mens, als hij zich maar bevrijden kon uit de slavernij zijner
persoonlijkheid, als hij zich maar in de eerste plaats het resultaat voelde van
zijn tijd, zijn stand, zijn | | | | werk en zijn fysieke oorsprong. Elk
mens vertegenwoordigt de gehele mens, als hij zich maar rekenschap geeft van
zijn vergankelijkheid, en de krachten, wier energie hem hebben samengesteld.
Het historisch materialisme, wat de maatschappelijke zijde betreft, de
theorieën van Freud, wat betreft de fysieke zijde, hebben duidelijk te kennen
gegeven, dat de menselijke natuur en de menselijke geest innig verbonden zijn.
De geest, schijnen zij te zeggen, komt wel; wat het verstand doen moet, is
helderder kennis nemen van de krachtbron, het lichaam, de oorsprong van het
lichaam, de diepe bodem. Wij moeten het heelal niet meer in de ruimte, maar in
het middelpunt zoeken.
En toen begon ik langs mijn boeken te lopen om materiaal te verzamelen.
Proust, Lawrence. Ik behoefde enkel naar de ruggen van de boeken van deze door
mij zeer bewonderde schrijvers te zien, om mij te overtuigen, dat zij voor mijn
gedachtengang uitstekend houvast boden. Ja, zo dacht ik, zou het niet hun werk
zijn dat mij beïnvloed had, terwijl ik toch meende, dat al mijn invallen
produkten waren van een serie onbelangrijke gebeurtenissen. Welk een aan den
lijve gevoeld bewijs dan voor de waarde van literatuur. Lawrence, de
letterlijke aanbidder van het lichaam, die als enig menswaardig geluk het
volmaakt ge not ons voorhoudt, alleen opgewekt door de volmaakte
lichaamskennis, want zelfkennis zou men dit alleen kunnen noemen, als dit woord
niet eer een passieve dan activerende bijsmaak had. Proust, de eerste
beschrijver van een ik, dat zo vaag en vloeibaar is gebleven, dat het geheel
opengesteld is om iedere van buiten komende beweging te registreren,
registraties, die duidelijker een objectief beeld krijgen naarmate zij van
verder komen. Een ongekend perspectief. Zo is veel werkelijker voor hem de
afwezige, over wie hij ongestoord denken kan, dan de aanwezige, die te zeer
zijn zintuigen in beslag neemt. Zo is alleen leven mogelijk in ‘le temps
perdu’, in de jeugd, toen wij leefden en geleefd werden tegelijkertijd.
* Maar deze kindertijd | | | | houdt
nooit in ons te leven op, want wij zijn niets dan het produkt daarvan. En ik
dacht aan de biografie, die tegenwoordig in de romankunst zo in zwang is. Hoe
het de bedoeling van deze boeken is, grote mensen als gewone mensen voor te
stellen, en hoe zij groter lijken naarmate zij daarin slagen.
Maar ik nam mij voor, mij aan poëzie te houden. Dit immers werd
verondersteld mijn vak te zijn. Met iets als weemoed keek ik naar het grote
boek van Joyce, ‘Ulysses’, dat de gehele kosmos beschrijft in een door Dublin
wandelend mens, naar de boeken van Virginia Woolf, wier figuren ook telkens
minder persoonlijkheden zijn dan bewustzijnsformaties. Bij zulke boeken wordt
ook de schrijfwijze merkwaardig. Ieder boek van Virginia Woolf, ieder hoofdstuk
van Joyces ‘Ulysses’, is in een andere stijl geschreven. Niet alleen wat
gebeurt is van belang, maar in de eerste plaats, de wijze hoe het wordt gezien
en weergegeven. Een hoofdstuk beschrijving, een hoofdstuk gesprekken, een
hoofdstuk mijmering, droomfantasieën, herinneringen, voor ieder thema wordt het
geëigend instrument gekozen om de mededeling en het waarnemingsvermogen te doen
overeenstemmen. De lezer leeft niet enkel het gebeuren, maar ook hoe het
geregistreerd werd, mee. Het boek wordt boeiend door de activiteit, die het in
de lezer opwekt, niet door gebeurtenissen, die, des te eenvoudiger ze zijn
gekozen, des te meer toestraling van betekenis toelaten.
Kort en goed, dit verleggen van de inhoud naar de vorm, dit bewustzijn,
dat de vorm niet de inhoud van het ding omklemt, maar juist de
toestralingsomtrek is van het heelal en dit bepaalde ding, bracht mij tot de
poëzie, de geëigende uitdrukkingsvorm voor het evenwicht tussen heelal en op
een voorwerp, figuur of emotie geconcentreerde aanschouwing. Poëzie sluit
terstond al zulke min of meer onduidelijke diepzinnigheden buiten. Lees een
gedicht en gij hebt ze ondergaan, maar probeer het niet in gedachten over te
brengen. Een gedicht bestaat uit | | | | woorden, niet uit gedachten.
Het verdraagt de overheveling niet.
Ik was me bewust, dat ik dit uit een soort gemakzucht zei. Mijn lezing
zou enkel, overlegde ik heimelijk, kunnen bestaan uit het voordragen van een
paar gedichten. Goed, maar dan welke? Welke gedichten waren representatief voor
de tendenties, die ik wilde dat ze zouden opwekken? Misschien vroeg men niet
meer van mij dan een keuze uit die gedichten, die duidelijk, naar mijn inzicht,
de tijd vertegenwoordigden, de tijd en de onmiddellijk daaruit te geboren
worden toekomst. Aan die keuze, mits goed gedaan, zou geen woord hoeven worden
toegevoegd. Tant mieux.
Maar de eenvoud van mijn oplossing bracht me tot wanhoop. Iedereen ziet,
dat de 8o-ers hun tijd vertegenwoordigen. Sonnetten van
Kloos, de ‘Mei’ van
Gorter, het hangt duidelijk samen met een
vernieuwing, die toen ook in geheel ons volksleven plaats greep. De kritische
durf van
Van Deyssel leerde, dat de vaderen met altijd
gelijk hadden gehad. Het realistisch proza deed zien, dat er nog een andere
werkelijkheid was dan de huiskamer met het gelukkige gezin. Er was iets aan de
gang, en de literatuur was ingeschakeld.
Zo was het ook nog met de volgende generatie.
Boutens,
Henr. Roland Holst,
v.d. Woestijne, dat was heel duidelijk de tijd
van de laatste eeuwsovergang. Zij hadden het helder uitgesproken, de bezinning,
de fin-de-siècle-stemming, de klacht, wij leven niet, wij leven verkeerd,
tenzij wij ons tot een uiterste inspannen, en ons talent zelf in dienst stellen
tot het opwekken van het begeerde leven, om het even, of leven bedoeld is als
het ondergaan ener bovenaardse verrukking of van een zintuigelijke
gewaarwording. Een nieuwe geboorte was nodig.
Maar onze eigen generatie was zo eenvoudig niet met haar tijd in verband
te brengen. Wij leefden en werkten allemaal heel apart, er was geen leidend
tijdschrift, er was geen oudere figuur, waar we allen min of meer leerlingen
van waren. De ouderen hadden trouwens allen zo goed als gestaakt werk te
leveren, dat, met uitzondering van
Leopolds invloed op sommi- | | | | gen
onzer, formatief kon genoemd worden. Wij leefden in de verstrooiing, chacun
pour soi, en het verband met de tijd viel moeilijk vast te stellen.
En toen begon ik te lezen. ‘Experimenten’ van
Geerten Gossaert, ‘De wilde kim’ van
A. Roland Holst, de eerste ‘Verzen’ van
Marsman, ‘Clair obscur’ van
Slauerhoff, gedichten van
J.I. de Haan, het gedicht op de dood van zijn
vader door
Werumeus Buning en ‘Maria Lecina’, het prachtige ‘In den trein’ van
Bloem. Het lezen deed mijn gedachten telkens
her- en derwaarts slingeren. Hoe hier een gezamenlijke mentaliteit in te zien,
zoals essayisten dat zo gaarne doen? Terwijl geen der dichters qua dichter
onderdeed voor dichters van voorgaande generaties, terwijl menig gedicht als
werkstuk dat van de ouderen ver achter zich liet, bleef toch deze moderne
poëzie vragen stellen, terwijl het altijd was, of de oudere poëzie bevestigde
en antwoord gaf. De gedichten deden zich aan mij voor als raadselige dingen,
mineralen; de taal, de stijl van elk dichter drukte niet zijn gemoedsaard, zijn
persoonlijkheid uit, maar was een noodbrug om tot de verstaanbaarheid van de
ook de dichter zelf obsederende dingen te geraken.
De poëzie was, om het kort te zeggen, objectiever geworden. Geen directe
lyrische gevoelsuitstorting meer, maar korte stukjes geobjectiveerd leven,
geconstrueerd, gecomponeerd, meer in de stijl, waarin vroeger epische gedichten
werden geschreven. De persoonlijkheid van de dichters scheen voldoende
onderwerp te vinden in het gewaarworden niet van zichzelf als dichter, maar als
mens. In de dagen van Shakespeare zou het eenvoudig belachelijk geweest zijn
naar het leven te zoeken. Men zocht eruditie, men wilde er boven uit. In onze
dagen is het belachelijk een dichter te zijn, men moet in het leven staan. En
dan worden de noodbruggen geslagen. De verbeelding zoekt naar de voortijden van
de mens, daar is het leven; de herinnering zoekt naar kinderland, daar is het
leven; de eenzame zoekt naar de massa, daar is het leven. Er worden oneindig
meer eisen aan de taal gesteld, die oneindig zuiverder beoefend wordt; want
| | | | men voelt, zij, de taal, is trait-d'union tussen aandrift en
bevrediging. De verbindingsweg, die het oponthoud veroorzaakt, moet zo snel
mogelijk kunnen worden afgelegd, ja, de snelheid is een apart genot geworden.
De directe uitspraak vergoedt alles, wat men aan het traditioneel-poëtische
verliest.
Ziezo, dacht ik, dit is het eerste punt. Dit geeft een beeld onzer
moderne poëzie. Nu moet ik, meende ik, naar een lichter, een vrolijker punt
overstappen. En bij dat woord ‘overstappen’ besefte ik, dat ik totaal mijn
eigen poëzie verzuimd had te vermelden. De reden daarvoor moet zijn, dat ik
mijn eigen poëzie nooit lees, en de reden daarvoor is weer, dat ik ze zelf
geschreven heb. Er is iets heel merkwaardigs aan gedichten van jezelf, men kan
ze niet meer opnemen. Ik heb altijd gedacht, dat dit aan mijn manier van
schrijven lag. Ik schrijf zeer langzaam. Ik loop met gedichten, of liever
beginsels van gedichten, jaren, soms 6 jaar, rond, terwijl het gedicht langzaam
aan, soms een woord, soms een regel, aanslibt. Ik ben een soort koraalrif, waar
schoksgewijs iets aangroeit. Als zo'n gedicht dan af is, heeft het niets meer
te zeggen. Ik heb dit altijd gedacht, toen mijn vriend mij meedeelde, dat hij
doorgaans met de titel en de interpunctie begon, en dan met zo'n blanco netwerk
rondliep, tot eensklaps de honingraat gevuld werd met honing. Toen ik dit
hoorde, dacht ik, er moet nog een dieper reden zijn waarom men zijn eigen
gedichten niet herleest; want ook hij, die over zijn gedichten zelf verbaasd
staat, herlas ze zelden. En ik ben toen op het spoor van de oorzaak gekomen
door een grammofoonplaat. De plaat speelde de ‘Blaue Donau’ van Johann Strauss.
Ik zat te luisteren, en bemerkte tevens, dat ik de muziek niet bewust hoorde.
In plaats van in mijn kamer, bij de grammofoon, zag ik mijzelf weer zitten, 20
jaar geleden, in een uitspanning, aan het water, waar op een podium gedanst
werd. Ik zag weer de kelners, het avondlicht, de met lampjes behangen bomen, de
fietsers aan de overkant van het water. Toen, 20 jaar geleden, hoorde ik de
muziek waarschijnlijk niet, maar nu, 20 jaar later, kàn ik haar niet horen,
omdat de herinnering mij zo veel sterker en | | | | sneller aanspreekt
dan welke aanwezige klanken ook. Wat ik nu nog van deze muziek hoor, is, horen
haar gehoord te hebben. Wanneer, vraag ik mezelf dikwijls, onderging ik deze
muziek, toen of thans?
Zo is het ook met sommige geuren. De geur van klimop bijvoorbeeld,
brengt mij zo snelterug naar de tuin van mijn ouderlijk huis, waar ik, onder de
klimopmuur, jarenlang heb ziek gelegen, dat ik klimop niet anders ruiken kan
dan met dit beeld voor ogen. Het ruiken, om zo te zeggen, wordt overvleugeld
door het zien.
Zo is het ook met gedichten. Het leven wordt overvleugeld door het
beleefd hebben. Om een wals van Strauss terug te vinden, moet men haar slechts
op de grammofoon zetten. Maar het terug vinden van geuren is veel
onwillekeuriger. Ik vond de klimopgeur, d.w.z. die jeugdherinnering in de tuin,
eerst terug door een toevallige samenloop. Ik kwam uit het ziekenhuis, waar
mijn moeder verpleegd werd - zij is enkele weken later gestorven - en in mijn
machteloos besef van haar toestand leunde ik tegen het hek dat met klimop was
begroeid, zoals meer ziekenhuishekken dat zijn. Het heeft mij moeite gekost te
beseffen, dat het de klimopgeur was, die mij plotseling een zeker redeloos
geluk bracht in mijn wanhoop, zoals dat dikwijls in zenuwoverspannen momenten
het geval is. Jaren later, toen ik dikwijls langs het begroeide hek kwam, is de
samenhang langzaam tot mij doorgedrongen.
|
*In het handschrift stond hier: N.G.
*In het handschrift met inkt doorgestreept. De
uitdrukking is ontleend aan Gides ‘Paludes’, door
Nijhoff in 1928 vertaald onder de titel
‘Moer’. - G.K.
*De vorige alinea en deze alinea tot hier zijn in
het handschrift met een potloodstreep doorgehaald. - G.K.
*De vorige alinea en deze alinea tot hier zijn in
het handschrift met een potloodstreep doorgehaald. De eerstvolgende twee
woorden waren omgezet. - G.K.
*Deze alinea is in het handschrift met een
potloodstreep doorgehaald. - G.K.
*In margine was met potlood toegevoegd: ‘(hier,
kort, karakteriserend Lawrence, Proust, Joyce noemen)’. Zie
hierna pagina 1169 en 1170. - G.K.
*Naast dit stuk over Lawrence en Proust schreef
Nijhoff met inkt in margine: ‘dit in elk
geval’, naast dat in de volgende alinea over Joyce: ‘Joyce ook even’. Blijkbaar
heeft hij deze gedeelten toch weer aan zijn voordracht toegevoegd. Zie hiervoor
pagina 1166, noot. - G.K.
|
|