Verzamelde gedichten (ed. W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn)


auteur: Martinus Nijhoff


editeur: W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn


bron: Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten (ed. W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn). Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2001 (derde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 161]

Kleine prélude van Ravel

 
Langs de twee coniferen naar
 
Het smalle rozenboompje, was
 
Met kamerschermen een boudoir
 
Geïmproviseerd op het gras.
 
 
 
Kaptafel, spiegels, doozen, flacons,
 
Een waaier tusschen een theeservies,
 
Een beker bloemen, lampions,
 
Een masker op een spies.
 
 
 
De danseres, nog bijna kind,
 
Zit op haar afgegleden shawl,
 
Buigt zich over haar voet, en bindt
 
Zich vaster de sandaal.
 
 
 
Terzijde wacht, gehurkt, een man
 
In wijde kleeren op een stoof:
 
Hij heeft het peer-hoog voorhoofd van
 
Een Chineesch filosoof.
 
 
 
Hij wacht, met bril en roode fez,
 
Bij zijn orkestrion bereid,
 
Waarmee hij wals, pavane of jazz
 
Evengoed begeleidt.
 
 
 
Dit zelfgemaakte clavecin
 
Verbergt in zijn polyphonie
 
Al de mazurka's van Chopin,
 
Cakewalks van Debussy.
 
 
 
* * *
[p. 162]
 
Ik heb respect voor den tzigaan
 
Die met zoo'n kunst ons hart ontroert
 
Dat hij ons, uit onszelf vandaan,
 
Naar een geheim ontvoert;
 
 
 
Maar méér nog voor den virtuoos
 
Die, waar hij aanraakt, musiceert,
 
Die wat hard is en levenloos
 
Tot instrument verkeert.
 
 
 
Hij hoort muziek in elk ding Gods,
 
Niets werpt hij waardeloos terzij;
 
Zoo steeg eens water uit een rots,
 
En 't menschenkind uit klei.
 
 
 
De dichter hoort in ieder woord
 
Geboorten van literatuur:
 
Wie oor heeft om te hooren hoort
 
Muziek in de natuur.
 
 
 
* * *
 
 
 
Den dag lang zag ik den muzikant
 
Het huis door sluipen in en uit;
 
Nu wacht hij plechtig triomfant,
 
Temidden van zijn buit.
 
 
 
Een cythertje, een bazartrompet,
 
Een oversnaarde cocosdop,
 
Twee deksels, en een castagnet,
 
Een stok met leeren knop,
 
 
 
Een zilv'ren bol, een plat stuk hout,
 
Halfvolle flesschen en een ring -
 
Hetgeen zorgvuldig opgetouwd
 
Aan kleine galgen hing.
[p. 163]
 
Hij lacht wanneer de danseres
 
Tenger tusschen de spiegels, naakt,
 
Met godenmasker en bloedrood mes
 
Een wreeden danspas maakt.
 
 
 
Hij lacht en helpt bij haar toilet,
 
Bindt haar de druiven aan het oor,
 
Treedt naast haar aan den spiegel, zet
 
Een kandelaar er voor.
 
 
 
- Reeds is het park met violet
 
Schemerend avondlicht vervuld,
 
Reeds wacht, in de warande, het
 
Publiek met ongeduld.
 
 
 
't Fonteintje, achter 't grasveld, spuit
 
Het water in den vijver terug,
 
Een vroege nachtegaal zingt uit
 
De boomen bij de brug -.