|
|
|
| |
| | | |
Kleine prélude van Ravel
Langs de twee coniferen naar
Het smalle rozenboompje, was
Met kamerschermen een boudoir
Geïmproviseerd op het gras.
Kaptafel, spiegels, doozen, flacons,
Een waaier tusschen een theeservies,
Een beker bloemen, lampions,
De danseres, nog bijna kind,
Zit op haar afgegleden shawl,
Buigt zich over haar voet, en bindt
Terzijde wacht, gehurkt, een man
In wijde kleeren op een stoof:
Hij heeft het peer-hoog voorhoofd van
Hij wacht, met bril en roode fez,
Bij zijn orkestrion bereid,
Waarmee hij wals, pavane of jazz
Dit zelfgemaakte clavecin
Verbergt in zijn polyphonie
Al de mazurka's van Chopin,
| | | |
Ik heb respect voor den tzigaan
Die met zoo'n kunst ons hart ontroert
Dat hij ons, uit onszelf vandaan,
Naar een geheim ontvoert;
Maar méér nog voor den virtuoos
Die, waar hij aanraakt, musiceert,
Die wat hard is en levenloos
Hij hoort muziek in elk ding Gods,
Niets werpt hij waardeloos terzij;
Zoo steeg eens water uit een rots,
En 't menschenkind uit klei.
De dichter hoort in ieder woord
Geboorten van literatuur:
Wie oor heeft om te hooren hoort
Den dag lang zag ik den muzikant
Het huis door sluipen in en uit;
Nu wacht hij plechtig triomfant,
Een cythertje, een bazartrompet,
Een oversnaarde cocosdop,
Twee deksels, en een castagnet,
Een stok met leeren knop,
Een zilv'ren bol, een plat stuk hout,
Halfvolle flesschen en een ring -
Hetgeen zorgvuldig opgetouwd
| | | |
Hij lacht wanneer de danseres
Tenger tusschen de spiegels, naakt,
Met godenmasker en bloedrood mes
Een wreeden danspas maakt.
Hij lacht en helpt bij haar toilet,
Bindt haar de druiven aan het oor,
Treedt naast haar aan den spiegel, zet
- Reeds is het park met violet
Schemerend avondlicht vervuld,
Reeds wacht, in de warande, het
't Fonteintje, achter 't grasveld, spuit
Het water in den vijver terug,
Een vroege nachtegaal zingt uit
|
|
|